Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9451

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
22-003978-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3730, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ9934, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ9934
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht het bewijs voor de tenlastegelegde valsheid in geschriften, verduistering, het medewerken aan verboden transacties en het deelnemen aan een criminele organisatie onvoldoende. Het hof spreekt de verdachte dientengevolge vrij van hetgeen hem is tenlastegelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003978-09

Parketnummer: 09-997112-08

Datum uitspraak: 10 juni 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juli 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[medeverdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1950,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 24 november 2010, 9 en 16 februari 2011 en 27 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep - eventueel met aanvulling van gronden - zal worden bevestigd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte blijkens het dictum van het vonnis van het onder 2 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1.

hij, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 3 december 2002 tot en met 7 januari 2008 te Den Haag en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) andere (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) één of meer factu(u)r(en) (onder meer) op naam van [onderneming D] gericht aan

A) de [stichting 1] en/of

B) de [stichting 2] en/of

C) de [stichting 3],

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft/hebben doen opmaken en/of doen vervalsen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) (telkens) opzettelijk in strijd met de waarheid (zakelijk weergegeven) op één of meer van de navolgende factu(u)r(en) gericht aan

ad A) de [stichting 1]

"conform afspraak" vermeld en/of doen vermelden (bijlagen B.5.075 5e, B.5.075 37e en B.5.075 62e), terwijl er aan de factu(u)r(en) geen afspraak met de daartoe bevoegde (mede)bestuurder(s) van [stichting 1] ten grondslag ligt aangaande werkzaamheden door en/of betalingen aan [onderneming D] en/of terwijl de gefactureerde bedragen (geheel) niet in verhouding stonden tot de door [onderneming D] verrichtte werkzaamheden, althans (terwijl) deze werkzaamheden in werkelijkheid niet of nauwelijks zijn verricht,

en/of

Ad B) de [stichting 2] "conform afspraak" vermeld en/of doen vermelden (Bijlagen B.5.078 4e, B.5.078 27e en B.5.078 37e)

terwijl er aan de factu(u)r(en) geen afspraak met de daartoe bevoegde (mede)bestuurder(s) van de [stichting 3] ten grondslag ligt aangaande werkzaamheden door en/of betalingen aan [onderneming D] en/of terwijl de gefactureerde bedragen (geheel) niet in verhouding stonden tot de door [onderneming D] verrichtte werkzaamheden, althans (terwijl) deze werkzaamheden in werkelijkheid niet of nauwelijks zijn verricht,

en/of

Ad C) de [stichting 3] "conform afspraak" vermeld en/of doen vermelden (bijlagen B.5.031 1e, B.5.031 23e en B.5.031 44e),

terwijl er aan de factu(u)r(en) geen afspraak met de daartoe bevoegde (mede)bestuurder(s) van de [stichting 3] ten grondslag ligt aangaande werkzaamheden door en/of betalingen aan [onderneming D] en/of terwijl de gefactureerde bedragen (geheel) niet in verhouding stonden tot de door [onderneming D] verrichtte werkzaamheden, althans (terwijl) deze werkzaamheden in werkelijkheid niet zijn verricht,

zulks (telkens) met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 9 december 2002 tot en met 7 januari 2008 te Den Haag en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en), te weten

A) in of omstreeks de periode van 9 december 2002 tot en met 19 juli 2006 (in totaal) 275.365,50 euro (naar aanleiding van facturen van [onderneming D] aan de [stichting 3], proces-verbaal van bevindingen documentcode 0.7.10)

en/of

B) in of omstreeks de periode van 9 december 2002 tot en met 7 januari 2008 (in totaal) 434.499,- euro naar aanleiding van facturen van [onderneming D] aan de [stichting 1], (proces-verbaal van bevindingen documentcode 0.7.11)

en/of

C) in of omstreeks de periode van 9 december 2002 tot en met 7 januari 2008 (in totaal) 455.591,50 euro aan aanleiding van facturen van [onderneming D] aan de [stichting 2], (proces-verbaal van bevindingen documentcode 0.7.12 en 0.7.32)

althans (een) in zogenaamd giraal geld bestaand(e) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de [stichting 4] en/of [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en welk(e) geldbedrag(en) hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als bestuurder en/of als beheerder van de [stichting 4] en/of [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3] en/of zijn mededader(s), [medeverdachte 5], uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als directeur van de

[stichting 4] en/of [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 5] en/of [stichting 3], in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 9 december 2002 tot en met 7 januari 2008 te Den Haag en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) andere (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

de Stichting(en) [stichting 4] en/of [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3], heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), te weten

A) in of omstreeks de periode van 9 december 2002 tot en met 19 juli 2006 (in totaal) 275.365,50 euro (naar aanleiding van facturen van [onderneming D] aan de [stichting 3], (proces-verbaal van bevindingen documentcode 0.7.10)

en/of

B) in of omstreeks de periode van 9 december 2002 tot en met 7 januari 2008 (in totaal) 434.499,- euro naar aanleiding van facturen van [onderneming D] aan de [stichting 1], (proces-verbaal van bevindingen documentcode 0.7.11)

en/of

C) in of omstreeks de periode van 13 januari 2005 tot en met 7 januari 2008 (in totaal) 455.591,50 euro naar aanleiding van facturen van [onderneming D] aan de [stichting 2], (proces-verbaal van bevindingen documentcode 0.7.12 en 0.7.32)

althans heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in ieder geval van enig goed,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- namens [onderneming D] facturen ingediend bij voornoemde stichting(en) voor werkzaamheden, terwijl die werkzaamheden niet of nauwelijks waren verricht door [onderneming D],

waardoor de Stichting(en) [stichting 4] en/of [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

3.

hij, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 21 januari 2008 te Den Haag en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband tussen verdachte en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [onderneming C] en/of [onderneming A] en/of [onderneming B] en/of [onderneming E] en/of [onderneming D] en/of [onderneming F], in elk geval uit één of meer medeverdachte(n) en/of een of meer (andere) (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie(s) (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het valselijk opmaken en/of vervalsen van (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen en/of het opzettelijk gebruik maken en/of afleveren en/of voorhanden hebben daarvan (art. 225 Sr), en/of

- het opzettelijk één of meer geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een ander, en welke geldbedrag(en) hij/zij uit hoofde van zijn/haar/hun persoonlijke dienstbetrekking, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk toe-eigenen (art. 321/322 Sr), en/of

- het (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels iemand bewegen tot de afgifte van enig goed (art. 326 Sr), en/of

- het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer (grote) geldbedrag(en), - onmiddellijk of middellijk - dat/die afkomstig was/waren van enig misdrijf (art. 420 bis Sr),

en/of

- het als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon, buiten het geval van artikel 342 Wetboek van Strafrecht, medewerking verlenen of toestemming geven tot enige handeling in strijd met enige wettelijke bepaling van de statuten of reglementen, ten gevolge waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel heeft ondervonden (art. 347 Sr);

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 21 januari 2008 te Den Haag en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met de bestuurder(s) van de Stichting(en) [stichting 4] en/of [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3] en/of [stichting 5] en/of één of meer ander(en), althans alleen, buiten het geval van artikel 342 Wetboek van Strafrecht, zijn/hun medewerking heeft/hebben verleend en/of zijn/hun toestemming heeft/hebben gegeven tot een handeling in strijd met enige wettelijke bepaling van de statuten van voornoemd stichting(en), te weten:

de artikel(en) 2 en/of 14 lid 3 van de statuten van de [stichting 4] en/of

de artikel(en) 2 en/of 12 lid 5 van de statuten van de [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3] en/of [stichting 5],

immers heeft/hebben verdachte (in de uitoefening van zijn/hun functie als bestuurder(s) van (één van) voornoemde stichting(en)) en/of zijn mededader(s) medewerking verleend en/of toestemming gegeven tot:

- (periodieke) betaling(en) aan [onderneming A], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 2.680.069,66 euro door de [stichting 1],

(proces-verbaal van bevindingen 0.7.17), en/of

B) betaling van (in totaal) 2.448.468,80 euro door de [stichting 2]

(proces-verbaal van bevindingen 0.7.16), en/of

C) betaling van (in totaal) 1.601.347,90 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.18),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming A] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s),

en/of

- betaling(en) aan [onderneming A] van (in totaal) 1.213.562,- euro door de [stichting 1] (proces verbaal 0.7.7, bijlagen B.5.037 t/m B.5.045),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming A] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s),

en/of

- (periodieke) betaling(en) aan [onderneming B], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 2.195.475,05 euro door de stichting [stichting 1] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.20),

en/of

B) betaling van (in totaal) 1.659.196,50 euro door de [stichting 2] (proces-verbaal van bevindingen 4.19 en bijlage B.5.300), en/of

betaling van (in totaal) 1.787.234,34 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.21),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming B] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s),

en/of

- betaling(en) aan [onderneming B] van (in totaal) 1.100.750,- euro door de [stichting 1] (proces verbaal 0.7.7, bijlagen B.5.046 t/m B.5.054),

terwijl er op het moment van betaling nog geen sprake was van een afvloeiing en/of beëindiging van de activiteiten van (een van de) bovengenoemde stichtingen,

en/of

- (periodieke) betaling(en) aan [onderneming C], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 223.192,96 euro door de [stichting 1] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.26 en 0.7.34) en/of

B) betaling van (in totaal) 1.643.919,26 euro door de [stichting 2] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.22, 0.7.38 en 0.7.40) en/of

C) betaling van (in totaal) 65.958,12 euro door de [stichting 5] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.36)

en/of

D) betaling van (in totaal) 96.467,57 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.30),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming C] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s);

en/of

- (periodieke) betaling(en) aan [medeverdachte 1] en/of [onderneming D], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 434.499,- euro door de [stichting 1] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.11), en/of

B) betaling van (in totaal) 455.591,50 euro door de [stichting 2] (processen-verbaal van bevindingen 0.7.12 en 0.7.32), en/of

C) betaling van (in totaal) 275.365,50 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.10),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [medeverdachte 1] en/of [onderneming D] te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s);

ten gevolge van welk een en ander genoemde stichting(en) ernstig nadeel heeft/hebben ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Wat het onder 1 tenlastegelegde (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht) betreft acht het hof met name niet bewezen dat de in de tenlastelegging vermelde facturen voor advieswerkzaamheden door de rechtspersoon/ opdrachtnemer strijdig zijn met de werkelijkheid of waarheid in die zin dat de werkzaamheden en bedragen niet volgens bevoegd gemaakte afspraak met de rechtspersonen/opdrachtgevers zijn verricht, en dat de bedragen niet in verhouding zouden staan tot de verrichte werkzaamheden. Al hetgeen door het openbaar ministerie daartoe is aangevoerd, is ontoereikend.

Het hof acht aannemelijk en neemt over de feiten en omstandigheden zoals die - en op de gronden die - door de raadsman in zijn pleitnotities zijn aangegeven en waaruit volgt dat er een overeenkomst was, gewerkt is en conform afspraak is gefactureerd. Een en ander vindt bevestiging in de afgelegde (getuigen)verklaringen ter zake. Met betrekking tot de veronderstelde (wan)verhouding tussen geleverde diensten en beloning in elk der facturen heeft het hof ook niet kunnen vaststellen dat sprake was van een schijnconstructie. Naar het oordeel van het hof maakt noch de hoogte van de factuurbedragen - die naar de verdachte onweersproken heeft verklaard in overeenstemming is met die van elders door hem verricht advieswerk - noch het ontbreken van een urenadministratie dat de facturen niet in overeenstemming met de waarheid zijn opgemaakt.

Wat het onder 2 (artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht) en 4 (artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht) tenlastegelegde betreft acht het hof met name niet bewezen dat de in de tenlastelegging vermelde bedragen ter betaling van de daar vermelde facturen en ter uitvoering van overeenkomsten, welke bedragen de verdachte met anderen uit hoofde van in de tenlastelegging genoemde hoedanigheden onder zich hadden, wederrechtelijk zijn toegeëigend. Al hetgeen door het openbaar ministerie daartoe is aangevoerd, is ontoereikend.1

Het hof acht aannemelijk en neemt over de feiten en omstandigheden zoals die - en op de gronden die - door de raadsman in zijn pleitnotities en bij dupliek zijn aangegeven en waaruit volgt dat de bedoelde betalingen niet gefingeerd waren en berustten op een rechtsgeldige titel, dus rechtens verschuldigd waren. Van strijd met het wettelijk verbod van doeloverschrijding of strijd met de statuten van (een van) de rechtspersonen/opdrachtgevers is niet gebleken. Aannemelijk is dat bedoelde betalingen - gelet op de diensten die volgens afspraak door de rechtspersonen/opdrachtnemers zijn verleend aan de rechtspersonen/opdrachtgevers, en gelet op de in het belang van de onderneming van de opdrachtgevers gesloten overeenkomsten van opdracht - tot het volledige bedrag daarvan gelijkwaardig zijn aan de verrichte prestaties en binnen de statutaire doelstelling (het belang van de onderneming daaronder begrepen) - het verlenen van huisvestingsdiensten in de ruimste zin des woords - vallen en voldoen aan de overige eventueel van toepassing zijnde wettelijke en statutaire normen. Het hof is niet gebleken van vernietiging door de rechter van vernietigbare rechtshandelingen, van ongeoorloofde belangenverstrengeling of een schijnconstructie waardoor hogere bedragen zouden zijn uitgekeerd dan verschuldigd. Twee betalingen betreffen de uitvoering van de zogenaamde beëindigingsregeling (verband houdende met de opzegtermijn van vijf jaar van artikel 4 van de overeenkomst van opdracht tussen telkens een rechtspersoon/opdrachtnemer en een rechtspersoon/opdrachtgever). Het hof acht aannemelijk dat de ruime opzegtermijn en, daarmee samenhangend, de hoge vergoeding bij beëindiging van de contractuele relatie, hun grondslag vonden in het streven van de opdrachtgevers om voldoende continuïteit in hun dienstverlening te bieden. Het hof acht voorts aannemelijk dat door het bestuur van de desbetreffende rechtspersoon/opdrachtgever - toen vaststond dat de werkzaamheden ten einde liepen - is bewilligd in contractbeëindiging met als compensatie voor het door haar niet in acht nemen van de opzegtermijn van vijf jaar betaling ineens van de geschatte omzetderving aan de desbetreffende rechtspersoon/opdrachtnemer. Hoewel de interne besluitvorming over het tijdstip van betaalbaarstelling niet geheel doorzichtig is geweest, zijn deze betalingen, nu vaststaat dat geen opdrachten meer te verwachten waren wegens gedwongen beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming van de opdrachtgever, geenszins ontijdig of anderszins onrechtmatig geweest.

Doordat, gelet op de aard en omvang van de dienstverlening, als vaststaand kan worden aangenomen dat de betalingen aan de rechtspersonen/opdrachtnemers in balans waren met de door haar verrichte tegenprestaties, en de fase van ontbinding en vereffening niet was ingetreden, is evenmin bewezen dat medewerking is verleend tot met de statuten van de rechtspersonen/opdrachtgevers strijdige handelingen.

Tot slot kan naar het oordeel van het hof - mede gelet op het bovenstaande - niet worden vastgesteld dat sprake was van een samenwerkingsverband dat tot doel had het plegen van misdrijven, althans dat de verdachte aandeel heeft gehad in een zodanige organisatie. Mitsdien kan hetgeen onder 3 is tenlastegelegd niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Derhalve is het hof van oordeel dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius, mr. J.M. Reinking en mr. M.A. van der Ham, in bijzijn van de griffier mr. F.L.C. Schoolderman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juni 2011.

1 Door in de tenlastelegging, requisitoirnota en bij repliek periodieke inkomsten te totaliseren voor de gehele tenlastegelegde periode wordt ten onrechte de indruk gewekt van zwendel met exorbitante bedragen. Uit de requisitoirnota, p. 12 en nt. 40, kan worden afgeleid dat per rechtspersoon/opdrachtgever per jaar is betaald aan de rechtspersoon/opdrachtnemer ongeveer € 48.000,-. Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden is dit, ook afgezet tegen de maatschappelijke werkelijkheid, bepaald geen exorbitant bedrag voor professionele adviesdiensten. Daaraan doet niet af dat de opdrachtgevers in concern-verband opereerden en de eigenaar van de rechtspersoon/opdrachtnemer ook nog uit anderen hoofde een vergoeding ontving.