Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9432

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
22-004053-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ9939, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ9939
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat de verduistering en het medewerken aan verboden transacties zoals verdachte ten laste is gelegd betreft, acht het hof met name niet bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde bedragen ter betaling van de daar vermelde facturen en ter uitvoering van de daar vermelde overeenkomsten, welke bedragen de verdachte met anderen en met een rechtspersoon/opdrachtnemer uit hoofde van hun beroep of persoonlijke dienstbetrekking onder zich hadden, wederrechtelijk zijn toegeëigend. Wat betreft het tenlastegelegde witwassen en de deelneming aan een criminele organisatie, acht het hof – gelet op het voorgaande - niet bewezen de essentiële delictsbestanddelen ‘afkomstig uit enig misdrijf’ respectievelijk ‘oogmerk tot het plegen van misdrijven’. Het hof spreekt dientengevolge de verdachte vrij van hetgeen haar is tenlastegelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004053-09

Parketnummer: 09-997107-08

Datum uitspraak: 10 juni 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juli 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 24 november 2010, 9 en 16 februari 2011 en 27 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte blijkens het dictum van het vonnis van het onder 1, 2 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 eerste cumulatief/alternatief, 3, 4 en 5 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest, alsmede een geldboete van € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de verdediging is een aantal verweren gevoerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het hof verwerpt deze verweren op de gronden zoals door de advocaat-generaal aangegeven.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

2.

zij op één of meer tijdstip(pen)

A1 en A2) gelegen in of omstreeks de periode van 2 augustus 2007 tot en met 9 augustus 2007 en/of

B1, B2 en B3) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 21 januari 2008,

te Den Haag en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), en/of (een) rechtsperso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en), te weten

ad A1) (in totaal) 1.213.562,- euro (naar aanleiding van de factuur met nummer [nummer] d.d. 2 augustus 2007 van [onderneming A] aan de [stichting 1], proces-verbaal van bevindingen documentcode 0.7.7)

en/of

ad A2) (in totaal) 1.100.750,- euro (naar aanleiding van de factuur met nummer [nummer] van [onderneming B] d.d. 2 augustus 2007 aan de [stichting 1], proces-verbaal van bevindingen documentcode 0.7.7.)

en/of

Ad B1) (in totaal) 2.195.475,05 euro (naar aanleiding van de overeenkomst tussen [onderneming B] en [stichting 1], proces-verbaal van bevindingen documentcode 0.7.20),

en/of

Ad B2) (in totaal) 1.659.196,50 euro (naar aanleiding van de overeenkomst tussen [onderneming B] en [stichting 2], proces-verbaal van bevindingen documentcode 4.19 en bijlage B.5.300),

en/of

Ad B3) (in totaal) 1.787.234,34 euro (naar aanleiding van de overeenkomst tussen [onderneming B] en [stichting 3], proces-verbaal van bevindingen documentcode 0.7.21),

althans (een) in zogenaamd giraal geld bestaand(e) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de [stichting 4] en/of [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s),

en welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte, en/of haar mededader(s) uit hoofde van haar beroep en/of persoonlijke dienstbetrekking als bestuurder en/of directrice en/of werkneemster van [onderneming B], en/of uit hoofde van zijn/hun beroep en/of persoonlijke dienstbetrekking als directeur en/of bestuurder en/of beheerder van [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3], in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

3.

zij, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 21 januari 2008 te Den Haag en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of (een) rechtsperso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) (een) charta(a)l(e) of gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal van (ongeveer) 6.742.655,80 euro, althans (een) geldbedrag(en), heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft/hebben gemaakt van dit/deze charta(a)le of gira(a)l(e) geldbedrag(en), terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

4.

zij, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 21 januari 2008 te Den Haag en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband tussen verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [onderneming C] en/of [onderneming A] en/of [onderneming B] en/of [onderneming E] en/of [onderneming D] en/of [onderneming F], in elk geval uit één of meer medeverdachte(n) en/of een of meer (andere) (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie(s) (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het valselijk opmaken en/of vervalsen van (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen en/of het opzettelijk gebruik maken en/of afleveren en/of voorhanden hebben daarvan (art. 225 Sr), en/of

- het opzettelijk één of meer geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een ander, en welke geldbedrag(en) hij/zij uit hoofde van zijn/haar/hun persoonlijke dienstbetrekking, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk toe-eigenen (art. 321/322 Sr), en/of

- het (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels iemand bewegen tot de afgifte van enig goed (art. 326 Sr), en/of

- het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer (grote) geldbedrag(en), - onmiddellijk of middellijk - dat/die afkomstig was/waren van enig misdrijf (art. 420 bis Sr),

en/of

- het als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon, buiten het geval van artikel 342 Wetboek van Strafrecht, medewerking verlenen of toestemming geven tot enige handeling in strijd met enige wettelijke bepaling van de statuten of reglementen, ten gevolge waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel heeft ondervonden (art. 347 Sr);

5.

zij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 21 januari 2008 te Den Haag en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met de bestuurder(s) van de Stichting(en) [stichting 4] en/of [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3] en/of [stichting 5] en/of één of meer ander(en), althans alleen, buiten het geval van artikel 342 Wetboek van Strafrecht haar/zijn/hun medewerking heeft/hebben verleend en/of haar/zijn/hun toestemming heeft/hebben gegeven tot een handeling in strijd met enige wettelijke bepaling van de statuten van voornoemd stichting(en), te weten:

de artikel(en) 2 en/of 14 lid 3 van de statuten van de [stichting 4]

en/of

de artikel(en) 2 en/of 12 lid 5 van de statuten van de [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3] en/of [stichting 5],

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (in de uitoefening van zijn/hun functie als bestuurder(s) van voornoemde stichting(en) medewerking verleend en/of toestemming gegeven tot:

- (periodieke) betaling(en) aan [onderneming A], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 2.680.069,66 euro door de [stichting 1], (proces-verbaal van bevindingen 0.7.17), en/of

B) betaling van (in totaal) 2.448.468,80 euro door de [stichting 2] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.16), en/of

C) betaling van (in totaal) 1.601.347,90 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.18),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming A] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s);

en/of

- betaling(en) aan [onderneming A] van (in totaal) 1.213.562,- euro door de [stichting 1] (proces verbaal 0.7.7, bijlagen B.5.037 t/m B.5.045),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming A] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s),

en/of

- (periodieke) betaling(en) aan [onderneming B], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 2.195.475,05 euro door de [stichting 1] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.20), en/of

B) betaling van (in totaal) 1.659.196,50 euro door de [stichting 2] (proces-verbaal van bevindingen 4.19 en bijlage B.5.300), en/of

C) betaling van (in totaal) 1.787.234,34 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.21),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming B] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s);

en/of

- betaling(en) aan [onderneming B] van (in totaal) 1.100.750,- euro door de [stichting 1] (proces verbaal 0.7.7, bijlagen B.5.046 t/m B.5.054),

terwijl er op het moment van betaling nog geen sprake was van een afvloeiing en/of beëindiging van de activiteiten van (een van de) bovengenoemde stichtingen,

en/of

- (periodieke) betaling(en) aan [onderneming C], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 223.192,96 euro door de [stichting 1] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.26 en 0.7.34) en/of

B) betaling van (in totaal) 1.643.919,26 euro door de[stichting 2] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.22, 0.7.38 en 0.7.40) en/of

C) betaling van (in totaal) 65.958,12 euro door de [stichting 5] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.36)

en/of

D) betaling van (in totaal) 96.467,57 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.30),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming C] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s);

en/of

- (periodieke) betaling(en) aan [medeverdachte 4] en/of [onderneming D], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 434.499,- euro door de [stichting 1], (proces-verbaal van bevindingen 0.7.11), en/of

B) betaling van (in totaal) 455.591,50 euro door de [stichting 2] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.12 en 0.7.32), en/of

C) betaling van (in totaal) 275.365,50 euro door de [stichting 3](proces-verbaal van bevindingen 0.7.10),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [medeverdachte 4] en/of [onderneming D] te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s);

ten gevolge van welk een en ander genoemde stichting(en) ernstig nadeel heeft/hebben ondervonden.

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2], op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 21 januari 2008 te Den Haag en/of (elders) in Nederland, buiten het geval van artikel 342 Wetboek van Strafrecht zijn/hun medewerking heeft/hebben verleend en/of zijn/hun toestemming heeft/hebben gegeven tot een handeling in strijd met enige wettelijke bepaling van de statuten van voornoemd stichting(en), te weten:

de artikel(en) 2 en/of 14 lid 3 van de statuten van de [stichting 4] en/of

de artikel(en) 2 en/of 12 lid 5 van de statuten van de [stichting 1] en/of [stichting 2] en/of [stichting 3] en/of [stichting 5],

immers heeft/hebben voornoemde [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2], toen aldaar in hun hoedanigheid van bestuurder(s) van voornoemde stichting(en), medewerking verleend en/of toestemming gegeven tot:

- (periodieke) betaling(en) aan [onderneming A], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 2.680.069,66 euro door de [stichting 1], (proces-verbaal van bevindingen 0.7.17), en/of

B) betaling van (in totaal) 2.448.468,80 euro door de[stichting 2] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.16), en/of

C) betaling van (in totaal) 1.601.347,90 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.18),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming A] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s);

en/of

- betaling(en) aan [onderneming A] van (in totaal) 1.213.562,- euro door de [stichting 1] (proces verbaal 0.7.7, bijlagen B.5.037 t/m B.5.045),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming A] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s),

en/of

- (periodieke) betaling(en) aan [onderneming B], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 2.195.475,05 euro door de [stichting 1] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.20), en/of

B) betaling van (in totaal) 1.659.196,50 euro door de [stichting 2] (proces-verbaal van bevindingen 4.19 en bijlage B.5.300), en/of

C) betaling van (in totaal) 1.787.234,34 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.21),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming B] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s);

en/of

- betaling(en) aan [onderneming B] van (in totaal) 1.100.750,- euro door de [stichting 1] (proces verbaal 0.7.7, bijlagen B.5.046 t/m B.5.054),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming B] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s),

en/of

- (periodieke) betaling(en) aan [onderneming C], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 223.192,96 euro door de [stichting 1] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.26 en 0.7.34) en/of

B) betaling van (in totaal) 1.643.919,26 euro door de [stichting 2] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.22, 0.7.38 en 0.7.40) en/of

C) betaling van (in totaal) 65.958,12 euro door de [stichting 5] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.36) en/of

D) betaling van (in totaal) 96.467,57 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.30),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [onderneming C] voor deze stichting(en) te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s);

en/of

- (periodieke) betaling(en) aan [medeverdachte 4] en/of [onderneming D], bestaande uit:

A) betaling van (in totaal) 434.499,- euro door de [stichting 1] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.11), en/of

B) betaling van (in totaal) 455.591,50 euro door de [stichting 2] (processen-verbaal van bevindingen 0.7.12 en 0.7.32), en/of

C) betaling van (in totaal) 275.365,50 euro door de [stichting 3] (proces-verbaal van bevindingen 0.7.10),

terwijl die betaling(en) geheel niet in verhouding stond(en) tot de door [medeverdachte 4] en/of [onderneming D] te verrichten en/of verrichtte tegenprestatie(s);

ten gevolge van welk een en ander genoemde stichting(en) ernstig nadeel heeft/hebben ondervonden;

hebbende zij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 21 januari 2008 te Den Haag en/of (elders) in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen verschaft tot het plegen van vooromschreven misdrijf/misdrijven en/of is zij, verdachte, opzettelijk behulpzaam geweest bij het plegen van vooromschreven misdrijf/misdrijven, door toen en daar

- voor [onderneming B] overeenkomsten op te stellen en/of te ondertekenen met één of meer van bovengenoemde stichting(en), (wetende dat de vergoeding(en) niet in verhouding stond(en) tot de overeengekomen te verrichten werkzaamheden),

en/of

- facturen in te dienen die gebaseerd waren op deze (schijn) overeenkomsten,

en/of

- vergoedingen betaalbaar te stellen die gebaseerd waren op deze (schijn)overeenkomsten met [onderneming B],

en/of

- vergoedingen betaalbaar te stellen die gebaseerd waren op (schijn) overeenkomsten tussen één of meer van bovengenoemde stichting(en) en [onderneming A],

en/of

- voor één of meer van bovengenoemde stichting(en) vergoedingen betaalbaar te stellen aan [onderneming C] en/of

[medeverdachte 4] en/of [onderneming D];

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Wat het onder 2 (artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht) en 5 (artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht) tenlastegelegde betreft acht het hof met name niet bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde bedragen ter betaling van de daar vermelde facturen en ter uitvoering van de daar vermelde overeenkomsten, welke bedragen de verdachte met anderen en met een rechtspersoon/opdrachtnemer uit hoofde van hun beroep of persoonlijke dienstbetrekking onder zich hadden, wederrechtelijk zijn toegeëigend. Al hetgeen door het openbaar ministerie daartoe is aangevoerd, is ontoereikend.1

Het hof acht aannemelijk dat de bedoelde betalingen aan de rechtspersoon/opdrachtnemer door rechtspersonen/opdrachtgevers niet gefingeerd waren, telkens berustten op een rechtsgeldige titel (overeenkomst gesloten tussen bevoegde partijen) en dus rechtens verschuldigd waren. Van strijd met het wettelijk verbod van doeloverschrijding of strijd met de statuten van (een van) de rechtspersonen/opdrachtgevers is niet gebleken. Aannemelijk is dat bedoelde betalingen - gelet op de diensten die volgens afspraak door de rechtspersoon/opdrachtnemer zijn verleend aan de rechtspersonen/opdrachtgevers, en gelet op de opdrachtovereenkomsten - tot het volledige bedrag2 daarvan gelijkwaardig zijn aan de verrichte prestaties en binnen de statutaire doelstelling (het belang van de onderneming daaronder begrepen) - het verlenen van huisvestingsdiensten in de ruimste zin des woords - vallen en voldoen aan de overige eventueel van toepassing zijnde wettelijke en statutaire normen. Het hof is niet gebleken van vernietiging door de rechter van vernietigbare rechtshandelingen, van ongeoorloofde belangenverstrengeling of een schijnconstructie waardoor hogere bedragen zouden zijn uitgekeerd dan verschuldigd. Twee betalingen betreffen de uitvoering van de zogenaamde beëindigingsregeling (verband houdende met de opzegtermijn van vijf jaar van artikel 4 van de in het belang van de onderneming van de opdrachtgever gesloten overeenkomst van opdracht tussen telkens de rechtspersoon/opdrachtnemer en een rechtspersoon/opdrachtgever). Het hof acht aannemelijk dat de ruime opzegtermijn en, daarmee samenhangend, de hoge vergoeding bij beëindiging van de contractuele relatie, hun grondslag vonden in het streven van de opdrachtgevers voldoende continuïteit in hun dienstverlening te bieden. Het hof acht voorts aannemelijk dat door het bestuur van de desbetreffende rechtspersoon/opdrachtgever - toen vaststond dat de werkzaamheden ten einde liepen - is bewilligd in contractbeëindiging met als compensatie voor het door haar niet in acht nemen van de opzegtermijn van vijf jaar betaling ineens van de geschatte omzetderving aan de desbetreffende rechtspersoon/opdrachtnemer. Hoewel de interne besluitvorming over het tijdstip van betaalbaarstelling niet geheel doorzichtig is geweest, is deze betaling, nu vaststaat dat geen opdrachten meer te verwachten waren wegens gedwongen beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming van de opdrachtgever, geenszins ontijdig of anderszins onrechtmatig geweest.

Doordat, gelet op de aard en omvang van de dienstverlening, als vaststaand kan worden aangenomen dat de betalingen aan de rechtspersonen/opdrachtnemers in balans waren met de door haar verrichte tegenprestaties, en de fase van ontbinding en vereffening niet was ingetreden, is evenmin bewezen dat medewerking is verleend tot met de statuten van de rechtspersonen/opdrachtgevers strijdige handelingen.

Wat het onder 3 (artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht) en 4 (artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht) tenlastegelegde betreft, acht het hof - gelet op het voorgaande - niet bewezen de essentiële delictsbestanddelen 'afkomstig uit enig misdrijf' respectievelijk 'oogmerk tot het plegen van misdrijven'.

Mitsdien dient de verdachte te worden vrijgesproken van hetgeen haar is tenlastegelegd.

Bewijsuitsluiting

De verdediging heeft - onder verwijzing naar in de pleitnotities vermelde uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens - aangevoerd dat de verdachte voorafgaand aan de eerste vier verhoren op 22 januari 2008 en 23 januari 2008, niet de gelegenheid is geboden om een advocaat te raadplegen en dat deze schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden behoort te leiden tot bewijsuitsluiting.

Gelet op vorenstaande behoeft het betoog van de verdediging geen bespreking.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius, mr. J.M. Reinking en mr. M.A. van der Ham, in bijzijn van de griffier mr. F.L.C. Schoolderman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juni 2011.

1 Door in de tenlastelegging, de requisitoirnota en bij repliek periodieke inkomsten te totaliseren voor de gehele tenlastegelegde periode wordt ten onrechte de indruk gewekt van zwendel met exorbitante bedragen (zie ook de volgende voetnoot). Mede gelet op het feit dat het openbaar ministerie in feit 3 een bedrag van in totaal € 1.100.750,- ten onrechte twee keer heeft meegeteld (hetgeen wordt erkend: zie de requisitoirnota, p. 12) lijkt welhaast sprake van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte bij de afwegingen en overwegingen die hebben geleid tot het vervolgingsbesluit. Naar het oordeel van het hof leidt deze verregaande onzorgvuldigheid evenwel (net) niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Dit geldt evenzeer voor het ondoorzichtige verband dat het openbaar ministerie in de tenlastelegging heeft gelegd tussen artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2:285 van het Burgerlijk Wetboek, hetgeen op gespannen voet staat met het lex certa-beginsel.

2 Uit de requisitoirnota, p. 12, kan worden afgeleid dat per opdrachtgever per jaar is betaald aan de rechtspersoon/opdrachtnemer ongeveer € 240.000,- (als met de rechtbank op p. 27 van het beroepen vonnis wordt uitgegaan van een periode van zeven jaren, dan is per jaar per opdrachtgever betaald ongeveer € 200.000,-). Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden, zijn dit - ook afgezet tegen de maatschappelijke werkelijkheid - bepaald geen exorbitante bedragen voor professionele financiële diensten. Daaraan doet niet af dat de opdrachtgevers in concern-verband opereerden.