Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9407

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
22-004667-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft twee werknemers een ruimte (deel van de pompenzaal met een gesloten dak en minder ventilatie) laten betreden na een lekkage waarbij ammoniak vrijkwam, zonder voorafgaand onderzoek naar gevaar voor de gezondheid. Aldus heeft de verdachte een ter bescherming van de gezondheid van werknemers gegeven voorschrift niet nageleefd. Het hof veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 3.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004667-10

Parketnummer: 12-994530-08

Datum uitspraak: 11 februari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Middelburg van 2 september 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

de besloten vennootschap [verdachte],

gevestigd te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 28 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4 primair en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 140.000,-, waarvan € 60.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 27 april 2007 te [plaats A], gemeente Terneuzen, als degene die een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, gevestigd [adres A], dreef, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voordeed of had voorgedaan, te weten het vrijkomen van een hoeveelheid ammoniak en/of kooldioxide door een lekkage in de topleiding van destillatiekolom C606B naar kolom C605 in de [fabriek 6], in elk geval door een lekkage in [fabriek 6], al dan niet opzettelijk, dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van voornoemde wet voor die inrichting te verlenen, heeft gemeld;

2.

zij op of omstreeks 27 april 2007 te [plaats A], gemeente Terneuzen, als degene die een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, gevestigd [adres A], dreef, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voordeed of had voorgedaan, te weten het vrijkomen van ammoniak en/of kooldioxide door een lekkage in de pompenzaal van [fabriek 6], in elk geval door een lekkage in [fabriek 6], al dan niet opzettelijk, dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van voornoemde wet voor die inrichting te verlenen, heeft gemeld;

3.

zij op of omstreeks 27 en/of 28 april 2007 te [plaats A], gemeente Terneuzen, als degene die op perceel [adres A] een inrichting dreef voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan en/of overslaan van onder meer stikstofhoudende kunstmeststoffen en ammoniak, zijnde een inrichting als genoemd in de categorie 4.3 onder a van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als genoemd in de Bijlage van voornoemd besluit, al dan niet opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig waren om zware ongevallen te voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers

- heeft zij, terwijl zich in [fabriek 6] een lekkage van ammoniak voordeed in de topleiding van destillatiekolom C606B naar kolom C605 en/of terwijl zich in [fabriek 6] een lekkage van ammoniak voordeed in de pompenzaal, in elk geval één of meer lekkages in [fabriek 6], en (telkens) vermoed kon worden dat de atmosfeer op die plaats(en) of ruimte(s) in zodanige mate stoffen bevatte, dat daardoor gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging of brand bestond of kon bestaan, (telkens) één of meer werknemers de plaats(en) of ruimte(s) van die lekkages heeft laten betreden, voordat uit onderzoek was gebleken in welke mate dat gevaar aanwezig was en/of geen doeltreffende maatregelen heeft genomen, zodat die werknemer(s) die plaats(en) of ruimte(s) zonder gevaren konden betreden, immers heeft/hebben die werknemer(s) die plaats(en) of ruimte(s) betreden met gebruikmaking van van de omgevingslucht afhankelijke adembeschermingsmiddel(en), terwijl door het ontbreken van voormeld onderzoek de doeltreffendheid van deze adembeschermingsmiddelen niet kon worden vastgesteld en/of heeft zij toen daar (telkens) door die werknemers in strijd met de interne procedure HAS-001590, die plaats(en) of ruimte(s) laten betreden met gebruikmaking van een masker met filter, terwijl niet na meting door de veiligheidsdienst was vastgesteld dat op die plaats(en) of ruimte(s) een lage gasconcentratie hing en/of

- werd in strijd met het noodplan van verdachte voor voornoemde lekkage(s) van gevaarlijke stoffen geen van de in hoofdstuk 4 van dat noodplan vermelde alarmfasen in werking gesteld en/of

- was voor de voering van de veiligheidsklep van pomp PC610R en/of van de veiligheidsklep van pomp PC610A een materiaal toegepast, dat niet of onvoldoende bestand was tegen de hoge(re) temperaturen ten gevolge van de op die veiligheidsklep(pen) toegepaste stoominjectie, althans was voor de revisie van voormelde veiligheidsklep(pen) geen of geen juiste materiaalspecificatie voor de voering van die klep(pen) opgegeven aan het revisiebedrijf en/of was geen procedure vastgesteld of toegepast voor het onderhoud van deze veiligheidsklep(pen) met betrekking tot het opgeven van voornoemde materiaalspecificatie;

en voor zover terzake het onder 3 tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

zij op of omstreeks 27 en/of 28 april 2007 te [plaats A], gemeente Terneuzen, als werkgever het voorschrift of verbod van artikel 3.5g van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet heeft nageleefd, immers hebben - terwijl zich in [fabriek 6] een lekkage van ammoniak voordeed in de topleiding van destillatiekolom C606B naar kolom C605 en/of terwijl zich in de pompenzaal van [fabriek 6] een lekkage van ammoniak voordeed, in elk geval één of meer lekkages in [fabriek 6], en (telkens) vermoed kon worden dat de atmosfeer op die plaats(en) of ruimte(s) in zodanige mate stoffen bevatte, dat daardoor gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging of brand bestond - (telkens) één of meer werknemers de plaats(en) of ruimte(s) van die lekkages betreden, voordat uit onderzoek was gebleken dat dat gevaar niet aanwezig was;

4.

zij op of omstreeks 24 november 2007 te [plaats A], gemeente Terneuzen, als degene die op perceel [adres A] een inrichting dreef voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan en/of overslaan van onder meer stikstofhoudende kunstmeststoffen en ammoniak, zijnde een inrichting als genoemd in de categorie 4.3 onder a van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als genoemd in de Bijlage van voornoemd besluit, al dan niet opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig waren om zware ongevallen te voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers

- heeft zij, terwijl zich in de pompenzaal van [fabriek 6] een lekkage van carbamaat voordeed en vermoed kon worden dat de atmosfeer op die plaats of ruimte in zodanige mate stoffen, te weten ammoniak, bevatte, dat daardoor gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging of brand bestond of kon bestaan, één of meer werknemers die plaats of ruimte van die lekkages heeft laten betreden, voordat uit onderzoek was gebleken in welke mate dat gevaar aanwezig was en/of geen doeltreffende maatregelen heeft genomen, zodat die werknemer(s) die plaats of ruimte zonder gevaren konden betreden, immers heeft/hebben die werknemer(s) die plaats of ruimte betreden met gebruikmaking van van de omgevingslucht afhankelijke adembeschermingsmiddel(en), terwijl door het ontbreken van voormeld onderzoek de doeltreffendheid van deze adembeschermingsmiddelen niet kon worden vastgesteld en/of heeft zij toen daar door die werknemer(s) in strijd met de interne procedure HAS-001590, die plaats of ruimte laten betreden met gebruikmaking van een masker met filter, terwijl niet na meting door de veiligheidsdienst was vastgesteld dat op die plaats of ruimte een lage gasconcentratie hing;

en voor zover terzake het onder 4 tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

zij op of omstreeks 24 november 2007 te [plaats A], gemeente Terneuzen, als werkgever het voorschrift of verbod van artikel 3.5g van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet heeft nageleefd, immers hebben

- terwijl zich in het pompenhuis van [fabriek 6] een lekkage van carbamaat voordeed en vermoed kon worden dat de atmosfeer op die plaats of ruimte in zodanige mate stoffen, te weten ammoniak, bevatte, dat daardoor gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging of brand bestond -

(telkens) één of meer werknemers de plaatsen of ruimtes van die lekkages betreden, voordat uit onderzoek was gebleken dat dat gevaar niet aanwezig was;

5.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks

12 augustus 2008 tot en met 5 januari 2009 te [plaats A], gemeente Terneuzen, terwijl aan [bedrijf A] door of namens de Minister van verkeer en waterstaat, op [datum], onder nummer [nummer A], een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren was verleend, al dan niet opzettelijk zich heeft gedragen in strijd met één of meer aan voornoemde vergunning verbonden voorschriften, immers overschreed de gemiddelde vervuilingswaarde van het afvalwater, gemeten in de uitstroom van het bufferbassin op één of meer hierna te noemen tijdstippen (telkens) de waarde van N-totaal van 500 kg per dag, immers bedroeg die waarde in de periode van:

- 12 tot en met 14 augustus 2008 ongeveer 1126 kg per dag - 22 tot en met 25 augustus 2008 ongeveer 1132 kg per dag - 26 tot en met 29 september 2008 ongeveer 861 kg per dag - 17 tot en met 20 oktober 2008 ongeveer 774 kg per dag

- 19 tot en met 22 december 2008 ongeveer 550 kg per dag - 30 december 2008 tot en met 1 januari 2009 ongeveer

712 kg per dag

- 2 tot en met 5 januari 2009 ongeveer 603 kg per dag

in elk geval telkens meer dan 500 kg N-totaal per dag.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraken

Feiten 1 en 2

Voor de toepasselijkheid van de meldingsplicht van artikel 17.2, eerste lid, juncto artikel 17.1 van de Wet milieubeheer, is vereist dat door een ongewoon voorval nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan. In de twee hier aan de orde zijnde voorvallen gaat het om het vrijkomen van hoeveelheden ammoniak en/of kooldioxide in de inrichting van de verdachte door twee lekkages.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet wettig en overtuigend worden bewezen dat door die lekkages nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan. Derhalve is van overtreding van de meldingsplicht geen sprake, zodat de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken.

Feiten 3 primair en 4 primair

Op grond van artikel 5 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Brzo) is degene die een inrichting drijft gehouden alle maatregelen te treffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. Op grond van artikel 1 aanhef en sub f Brzo is sprake van een zwaar ongeval indien het gaat om een "gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een inrichting, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens binnen of buiten de inrichting of voor het milieu ontstaat en waarbij een of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken".

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat de in de tenlastelegging onder de feiten 3 primair en 4 primair omschreven lekkages van ammoniak respectievelijk carbamaat gering zijn geweest. Daarom is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat door die lekkages ernstig gevaar voor gezondheid en milieu is of zou kunnen ontstaan, en derhalve zich geen zwaar ongeval in de zin van het Brzo heeft voorgedaan dan wel zich heeft kunnen voordoen. Dit maakt dat de verdachte van het onder 3 primair en 4 primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Feit 3 subsidiair

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde acht het hof op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet bewezen dat de atmosfeer op de plaatsen van die lekkages - met name gelet op het feit dat de lekkages in een volledig open deel van de pompenzaal plaatsvonden - zodanig was dat vermoed kon worden dat deze in zodanige mate stoffen bevatte dat daardoor gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging of brand bestond. Van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde moet derhalve eveneens vrijspraak volgen.

Feit 5

Uit de aan [bedrijf A] verleende vergunning, van welk bedrijf [verdachte] de rechtsopvolger is, leidt het hof af dat pas sprake is van een strafbaar feit indien de gemiddelde vervuilingswaarde van het afvalwater gemeten in de uitstroom van het bufferbassin van de verdachte een N-totaal van maximaal 500 kg per dag overschrijdt. In het zesde lid van artikel 1 van de vergunning staat dat onder gemiddeld moet worden verstaan: "het voortschrijdend gemiddelde van een reeks van tien metingen, waarbij tussen twee achtereenvolgende metingen tenminste 24 uur verstreken dient te zijn."

Nu blijkens het proces-verbaal van bevindingen van Rijkswaterstaat Zeeland ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde niet overeenkomstig het vergunningvoorschrift is gemeten, kunnen de verkregen meetresultaten naar het oordeel van het hof niet dienen voor het bewijs van het onder 5 tenlastegelegde, zodat, bij gebreke van ander wettig en overtuigend bewijs, de verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 24 november 2007 te [plaats A], gemeente Terneuzen, als werkgever het voorschrift of verbod van artikel 3.5g van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet heeft nageleefd, immers hebben

- terwijl zich in de pompenzaal van [fabriek 6] een lekkage van carbamaat voordeed en vermoed kon worden dat de atmosfeer op die plaats of ruimte in zodanige mate stoffen, te weten ammoniak, bevatte, dat daardoor gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging of brand bestond -

werknemers de plaats of ruimte van die lekkage betreden, voordat uit onderzoek was gebleken dat dat gevaar niet aanwezig was.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte overeenkomstig het vonnis van de rechtbank ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4 primair en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 140.000,-, waarvan € 60.000,- voorwaardelijk.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft twee werknemers een ruimte (deel van de pompenzaal met een gesloten dak en minder ventilatie) laten betreden na een lekkage waarbij ammoniak vrijkwam, zonder voorafgaand onderzoek naar gevaar voor de gezondheid. Aldus heeft de verdachte een ter bescherming van de gezondheid van werknemers gegeven voorschrift niet nageleefd.

Het hof is van oordeel dat voor het bewezenverklaarde in beginsel een geldboete van € 4.500,- een passende en geboden reactie vormt. Naar het oordeel van het hof heeft de behandeling van de zaak evenwel niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de behandeling in eerste instantie na aanvang van de termijn niet binnen twee jaar met een eindvonnis is afgerond, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Het hof zal daarom een geldboete van na te melden hoogte opleggen.

Bij de oplegging van de geldboete is rekening gehouden met de financiële positie van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 16 van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 3.5g, 9.1 en 9.9a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair en subsidiair, 4 primair en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 4 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 3.000,00 (drieduizend euro).

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius, mr. J.M. Reinking en mr. M.A. van der Ham, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 februari 2011.