Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9239

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
22-001214-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek voorarrest. Daarnaast gelast het hof dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op twee personen. Hij heeft daartoe zonder noemenswaardige aanleiding het ene slachtoffer tweemaal en het andere slachtoffer eenmaal met een mes gestoken in de buik. Beide slachtoffers hebben hieraan forse operatielittekens op de borst en de buik overgehouden. Behalve de lichamelijke schade hebben beide slachtoffers blijkens hun slachtofferverklaringen tevens psychische schade ondervonden. De verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. Tevens brengt dergelijk agressief gedrag gevoelens van onveiligheid teweeg in de samenleving, met name in het uitgaansleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001214-10

Parketnummer: 09-535075-09

Datum uitspraak: 24 juni 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 februari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in het jaar [geboortejaar],

thans gedetineerd in [penitentiaire inrichting].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 23 november 2010 en 10 juni 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde, telkens gekwalificeerd als poging doodslag, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de in beslaggenomen voorwerpen en de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zoals nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 08 februari 2009 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes en/of een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in de buik, althans het (boven)lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 08 februari 2009 te Leiden aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] opzettelijk met een mes en/of een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans één maal in de buik, althans het (boven)lichaam te steken, welk zwaar lichamelijk letsel bestond uit:

- één of meer (steek)wonden, die blijvende littekens heeft/hebben veroorzaakt, ten gevolge waarvan operatief een gedeelte van de dunne en/of dikke darm is verwijderd;

en/of

- een (operatie)litteken aan de voorzijde van de buik van die [slachtoffer 1] ter grootte van ongeveer 30 cm;

feit 1 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 08 februari 2009 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes en/of een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans één maal heeft gestoken in de buik, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair:

hij op of omstreeks 08 februari 2009 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 2], van het leven te beroven, opzettelijk met een mes en/of een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal, heeft gestoken in de buik, althans het (boven)lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 08 februari 2009 te Leiden aan een persoon, genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] opzettelijk met een mes en/of een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans één maal in de buik, althans het (boven)lichaam te steken, welk zwaar lichamelijk letsel bestond uit:

- één of meer (steek)wonden, die blijvende littekens heeft/hebben veroorzaakt, ten gevolge waarvan operatief een gedeelte van de dunne en/of dikke darm is verwijderd;

en/of

- een (operatie)litteken aan de voorzijde van de buik van die [slachtoffer 1] ter grootte van ongeveer 30 cm;

feit 2 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 08 februari 2009 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes en/of een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans één maal heeft gestoken in de buik, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 primair:

hij op 08 februari 2009 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 1], van het leven te beroven, opzettelijk met een mes heeft gestoken in de buik van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair:

hij op 08 februari 2009 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 2], van het leven te beroven, opzettelijk met een mes één maal heeft gestoken in de buik van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman vrijspraak bepleit ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zowel ten aanzien van aangever [slachtoffer 1] als ten aanzien van aangever [slachtoffer 2] geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op doodslag, zwaar lichamelijk letsel of een poging daartoe.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] heeft de verdachte - nadat de aangever [slachtoffer 1] hem een duwtje had gegeven - [slachtoffer 1] tweemaal in zijn buik gestoken. Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij samen met de getuige [getuige 2] de verdachte na dit incident met aangever [slachtoffer 1] naar buiten heeft geleid. Buiten heeft de verdachte aangever [slachtoffer 2] opeens aangevallen en hem met een mes in zijn buik gestoken.

Blijkens de verklaring van de GGD d.d. 1 april 2009 was er ten gevolge van het incident bij [slachtoffer 1] sprake van een perforatie van de dikke en dunne darm, die zijn verwijderd op 9 februari 2009. [slachtoffer 1] is pas op 17 februari 2009 ontslagen uit het ziekenhuis, nadat hij ook nog een dubbele longontsteking had doorgemaakt.

[slachtoffer 2] is de nacht van de steekpartij geopereerd waarbij een gedeelte van zijn dikke darm moest worden verwijderd. Blijkens een medische verklaring van het LUMC d.d. 2 maart 2009 had hij op de afdeling eerste hulp een flinke hoeveelheid (mogelijk 1 liter) bloed verloren (dossierpagina 181).

Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de voornoemde voor het bewijs gebezigde, verklaringen en geschriften. De lezing van de verdachte met betrekking tot het eerste incident, inhoudende dat [slachtoffer 1] hem met een mes aanviel en dat de verdachte vervolgens middels het aanleggen van een polsklem het mes heeft weggedraaid in de richting van diens buik, is niet geloofwaardig gezien de overige inhoud van het dossier. Ook de verklaring van de verdachte met betrekking tot het tweede incident, inhoudende dat hij uitsluitend een beweging naar achteren heeft gemaakt met de hand waarin hij het mes nog vasthad, en dat hij daarbij de intentie had om aangever [slachtoffer 2] af te schrikken teneinde hem te dwingen om hem los te laten, wordt ook op generlei wijze ondersteund door de overige inhoud van het dossier en is naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte door de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met een mes in hun buik te steken willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daarbij het leven zouden laten. Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van zowel aangever [slachtoffer 1] als aangever [slachtoffer 2].

Verweren met betrekking tot de strafbaarheid van het feit

Ten aanzien van feit 1

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman namens de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat de verdachte in geval van bewezenverklaring dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, primair met een beroep op noodweer. De raadsman heeft daartoe betoogd dat de verdachte is aangevallen door aangever [slachtoffer 1] met een mes, en dat de verdachte door de hand waarin de aangever het mes had in een klem te nemen en het mes weg te draaien uitsluitend heeft gehandeld ter verdediging tegen die aanval. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de gehele gang van zaken een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte heeft veroorzaakt, en dat hem derhalve een beroep op noodweer-exces toekomt. Meer subsidiair heeft de raadsman zich beroepen op putatief noodweer.

Het hof overweegt omtrent het primaire verweer als volgt.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Uit de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] en van de getuigen [getuige 1] en [slachtoffer 2] blijkt, dat verdachte tijdens diens bezoek aan het café [naam café] mevrouw [getuige 1] herhaaldelijk lastig viel. Hij was handtastelijk, waarbij hij met zijn hand over haar rug streek. [slachtoffer 1] heeft daarop tegen verdachte gezegd: "Nu is het genoeg". [slachtoffer 1] gaf de verdachte daarbij met zijn linker hand een zachte duw tegen zijn schouder omdat hij op wilde komen voor mevrouw [getuige 1]. De verdachte viel hierop van een klein afstapje en verloor zijn evenwicht. [slachtoffer 2] hielp hierop de verdachte overeind, waarna de verdachte [slachtoffer 1] twee keer met een mes in diens buik heeft gestoken.

Het hof heeft geen reden om aan voorgaande verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] en de genoemde getuigen te twijfelen. Overigens wordt ook uit de overige inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk dat [slachtoffer 1] de verdachte heeft aangevallen dan wel heeft bedreigd met een mes alvorens de verdachte heeft uitgehaald naar [slachtoffer 1]. Naar het oordeel van het hof zijn de door de raadsman aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden, zodat niet aannemelijk is dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zichzelf moest verdedigen. Dat [slachtoffer 1] de verdachte een zachte duw heeft gegeven naar aanleiding van diens hinderlijke gedrag ten opzichte van met name de getuige [getuige 1], rechtvaardigt de reactie van de verdachte niet. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Het subsidiaire en meer subsidiaire verweer zal hierna in de rubriek strafbaarheid van de verdachte worden behandeld.

Ten aanzien van feit 2

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman namens de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, primair wegens een beroep op noodweer. De raadsman heeft daartoe betoogd dat het eerdere incident met aangever [slachtoffer 1], in samenhang met de achtervolging door een groep van 25 personen uit het café en het afgesloten zijn van de vluchtwegen voor de verdachte, een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vormde waartegen de verdachte zichzelf mocht verdedigen. De verdachte heeft uitsluitend een beweging naar achteren gemaakt met de hand waarin hij het mes nog vasthad, en had daarbij de intentie om aangever [slachtoffer 2] af te schrikken teneinde hem te dwingen om hem los te laten. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte reageerde in een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door aangever [slachtoffer 1], en dat de verdachte derhalve een beroep op noodweer-exces toekomt. Meer subsidiair heeft de raadsman het verweer gevoerd dat er sprake is van putatief noodweer.

Het hof overweegt omtrent het primaire verweer als volgt.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij na het incident met [slachtoffer 1] de verdachte naar buiten had begeleid en buiten opeens door de verdachte werd aangevallen waarbij hij met kracht in zijn buik werd geslagen. [slachtoffer 2] voelde daarbij een prik. Voorts heeft [slachtoffer 2] verklaard dat op de veranda waar hij en de verdachte op dat moment stonden, geen groep van 25 personen achter hem past. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij de verdachte met aangever [slachtoffer 2] buiten zag praten en dat de verdachte [slachtoffer 2] uit het niets aanviel door een sprong naar voren te maken en een stekende beweging te maken. Ook de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 2] door de verdachte in zijn buik werd geslagen.

Het hof heeft geen reden om aan de verklaringen van de aangever en van de getuigen te twijfelen. Overigens wordt ook uit de overige inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk dat de verdachte werd achtervolgd door een grotere groep personen, of dat anderszins een situatie bestond waarin de verdachte zichzelf moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf. Nu de door de raadsman aan het beroep op noodweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden, wordt het primaire verweer derhalve verworpen.

Het subsidiaire en meer subsidiaire verweer zal hierna in de rubriek strafbaarheid van de verdachte worden behandeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot het onder 1 en 2 tenlastegelegde subsidiaire beroep op noodweerexces en het meer subsidiaire beroep op putatief noodweer overweegt het hof als volgt.

Nu niet aannemelijk is dat er op enig moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, verwerpt het hof tevens het beroep op noodweer-exces. Tevens is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte - in deze situaties - ten gevolge van een verontschuldigbare dwaling abusievelijk in de veronderstelling leefde dat hij zich moest verdedigen, dan wel mocht verdedigen. Het niet feitelijk onderbouwde beroep op putatief noodweer wordt derhalve eveneens verworpen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het rapport dat door F. Nhass, psychiater, en H.A. van Kempen, psycholoog, beiden vast gerechtelijk deskundigen bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna ook: PBC), d.d. 31 december 2009 is opgemaakt en ondertekend naar aanleiding van een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte, inhoudende onder meer het volgende. De verdachte heeft slechts in beperkte mate zijn medewerking gegeven aan het onderzoek. In het onderzoekscontact komen vooral narcistische persoonlijkheidskenmerken en achterdocht naar voren. Narcistisch in de zin dat verdachte zich presenteert met een verheven zelfbeeld en dwingend zijn visie aan de ander oplegt, daarbij anderen soms devaluerend en geen blijk gevend van empatisch vermogen. Op tegenspraak of kritische bevraging reageert hij gekrenkt, soms verbaal agressief en met snel oplopende agitatie. Aansluitend bij zijn narcistische presentatie vertoont betrokkene een achterdochtige instelling. Zijn wantrouwen geldt vooral ten aanzien van politie en justitie, maar in het verlengde daarvan ook andere instanties. De achterdocht van de verdachte neemt tijdens het onderzoek waanachtige (paranoïde) vorm aan als hij meent dat er door de medewerkers van het PBC heimelijk medicijnen in zijn eten gestopt zijn en hij van deze overtuiging niet af te brengen is. Hoewel betrokkene deze waangedachte blijft ventileren gedurende het gehele onderzoek is er geen verdere evidentie voor ernstige realiteitsvervorming. Door de combinatie van wantrouwen en een verheven zelfbeeld is betrokkene gevoelig voor krenking van zijn zelfbeeld: hij voelt zich miskend en achtergesteld en dit roept veel boosheid bij hem op, waardoor zijn agressieregulatie onder druk staat. In het onderzoek kan niet worden vastgesteld of deze kenmerken een pathologisch niveau bereiken, daarvoor is meer informatie over de verdachte vereist. Een organisch beeld kan evenwel niet geheel uitgesloten worden gezien enige ontremdheid. Ook zou er sprake kunnen zijn van een aanpassingsstoornis of (geagiteerde) depressieve reacties tengevolge van chronische stressvolle levensomstandigheden. Ten slotte is ook mogelijk dat er bij betrokkene geen sprake is van een stoornis in psychiatrische zin en dat zijn gedragingen gezien moeten worden als een resultante van reële stressfactoren en een gevoelige persoonlijkheidsstructuur.

Voorts wordt door rapporteurs overwogen dat verondersteld kan worden dat de narcistische kenmerken in de persoonlijkheidsstructuur van de verdachte centraal staan. Vanuit een kwetsbaar zelfbeeld zijn de grootheidsgevoelens en de behoefte aan bewondering, evenals de egocentrische opstelling, noodzakelijk om dit zelfbeeld overeind te houden. Daar waar de verdachte door de buitenwereld niet bevestigd wordt, wordt de achterdocht/paranoïdie ingezet om het fragiele zelfbeeld alsnog overeind te houden. Op de momenten dat er sprake is van een decompensatie kan de 'benodigde' achterdocht dermate groot zijn dat de realiteitstoetsing onder druk staat. In hoeverre hier echter een stoornis aan ten grondslag ligt, is niet duidelijk geworden. Ten aanzien van de dysforie, de prikkelbaarheid en matige zelfzorg merken de deskundigen op dat een dysthyme stoornis/geagiteerde depressie of een chronische aanpassingsstoornis zeker niet uigesloten geacht kan worden. Met betrekking tot de naar ontremming neigende grensoverschrijdende gedragingen (en ook verbaal-agressieve uitbarstingen) merken de deskundigen op dat ook een psycho-organisch lijden in de differentiaal diagnose opgenomen moet worden. Men kan hier denken aan een beginnend dementieel beeld of de eerste symptomen van neurolues. Ook is niet met zekerheid uit te sluiten dat er sprake is van een waanstoornis of een andere psychotische stoornis.

Het hof stelt vast dat de deskundigen van het PBC de vraag of bij de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke storing van zijn geestvermogens bestond, niet hebben beantwoord omdat hun op grond van de onderzoeksgegevens niet duidelijk is geworden in hoeverre bij de verdachte sprake is van een stoornis. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de deskundigen hebben gerapporteerd dat als gevolg van de weigering van de verdachte aan hun onderzoek mee te werken adequate en zorgvuldige diagnostiek niet mogelijk is gebleken.

Op grond hiervan stelt het hof vast dat sprake is van de situatie dat betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moest worden verricht.

Het hof heeft overwogen om - overeenkomstig de primaire vordering van de advocaat-generaal die daarbij met name acht sloeg op de houding van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep - een hernieuwd rapport uit te laten brengen over de persoon van de verdachte. Gelet op de gebrekkige medewerking van de verdachte aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum en zijn volharding in het niet willen meewerken aan gedragskundig onderzoek zoals daarvan blijkt uit de reeds aanwezige rapporten, verwacht het hof van een nieuw onderzoek zo weinig resultaat dat de met een nieuw onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte gepaard gaande vertraging niet wordt gerechtvaardigd.

Wat betreft het bestaan van bereidheid bij de verdachte tot medewerking aan de totstandkoming van een ander advies of rapport merkt het hof in het bijzonder het volgende op.

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 mei 2009 heeft de verdachte verklaard aan de tot standkoming van tripelrapportage te zullen meewerken indien daarbij een andere psycholoog wordt betrokken dan de psycholoog van Dijk, die in 2005 over hem rapporteerde. Ter terechtzitting van 12 augustus 2009 bleek dat de verdachte zijn medewerking aan het onderzoek waarbij de psycholoog van Dijk niet was betrokken, desondanks niet had verleend omdat bij het onderzoek geen psychiater met Arabische achtergrond was betrokken.

Uit het PBC-rapport, waarvan de inhoud in zoverre niet is bestreden, blijkt dat verdachte zijn medewerking aan dat onderzoek waarbij een psychiater met Arabische althans Marokkaanse achtergrond was betrokken desondanks heeft onthouden, althans zodanig onvoldoende heeft verleend dat dat als weigering moet worden beschouwd. Aan de redenen die verdachte heeft opgegeven voor zijn weigering om aan dat onderzoek mee te werken kan niet tegemoet worden gekomen zonder wezenlijk afbreuk te doen aan de aard van het onderzoek. Het hof concludeert daaruit dat het niet mogelijk is zich een ander advies of rapport aan de totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is medewerking te verlenen, over te doen leggen.

Bij het vaststellen van de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte heeft het hof zwaar gewicht toegekend aan de bevinding van de deskundigen dat er aanwijzingen zijn aangetroffen voor het bestaan van verscheidene stoornissen van de geestvermogens van verdachte, en dat, gegeven de beperkte medewerking van de verdachte aan het onderzoek, geen van deze stoornissen kan worden uitgesloten. Voorts heeft het hof in zijn overwegingen betrokken dat de raadsman heeft betoogd dat uit de rapportages volgt dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, alsmede de houding van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal ter terechtzitting waarin het hof bevestiging ziet van de bevindingen en conclusies over verdachte's persoonlijkheid van eerder genoemde rapporteurs, en de inhoud van de daarbij door hem geschreven en aan het hof overgelegde stukken.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat de tenlastegelegde feiten onder invloed van deze gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis zijn gepleegd. Het hof acht, mede gezien de beschrijving die de verdachte tijdens diens verhoren heeft gegeven van de gebeurtenissen op 8 februari 2009, welke beschrijvingen duiden op een gestoorde waarneming van de realiteit, enig causaal verband aanwezig tussen de door de deskundigen gesignaleerde aanwijzingen voor de aanwezigheid van een stoornis en het onderhavige feit. Het hof acht de verdachte ten aanzien van de feiten daarom verminderd toerekeningsvatbaar.

Er is echter geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Op te leggen straf en maatregel

De advocaat-generaal heeft subsidiair gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Hij heeft daartoe zonder noemenswaardige aanleiding [slachtoffer 1] tweemaal en [slachtoffer 2] eenmaal met een mes gestoken in de buik. Beide slachtoffers hebben hieraan forse operatielittekens op de borst en de buik overgehouden. Behalve de lichamelijke schade hebben beide slachtoffers blijkens hun slachtofferverklaringen tevens psychische schade ondervonden. De verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. Tevens brengt dergelijk agressief gedrag gevoelens van onveiligheid teweeg in de samenleving, met name in het uitgaansleven.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 juni 2011 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor geweldpleging, te weten mishandeling in 2009 en poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, in 2005, waarvoor hij beide keren tot een gevangenisstraf is veroordeeld. Tevens is hij onherroepelijk veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bij het bepalen van de na te noemen straf en maatregel heeft het hof allereerst acht geslagen op het voorlichtingsrapport d.d. 27 april 2009 opgemaakt en ondertekend door G.N. van der Hooft, reclasseringswerker, en J. Tchiche, unitmanager, waarin zij - kort en zakelijk weergegeven - het volgende concluderen. De verdachte poneert zich als een slecht geïntegreerde verbitterde man die een vermoeide en uitgebluste indruk maakt. Hij rechtvaardigt het delict als zelfverdediging. Van enig mededogen voor de slachtoffers alsmede spijt voor zijn gedrag is niets gebleken. Hij is enige tijd door de reclassering begeleid, maar een positieve ontwikkeling is gezien de nieuwe feiten nauwelijks bewerkstelligd. De rapporteurs achten een hoge recidivekans aanwezig.

Voorts heeft het hof in het bijzonder en met in achtneming van de omstandigheid dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 23 november 2010 is aangevangen, in aanmerking genomen de inhoud van het bovengenoemde rapport dat over de persoonlijkheid van de verdachte is uitgebracht, alsmede de ernst van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Zoals hiervoor overwogen, is het niet mogelijk dat het hof zich een ander advies of rapport aan de totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is medewerking te verlenen, over doet leggen.

Bij die stand van zaken is het hof voor het antwoord op de vraag of er aanleiding bestaat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen aangewezen op de inhoud van het PBC rapport voor zover de deskundigen zich daarin ondanks het gebrek aan medewerking zijdens verdachte hebben uitgelaten, alsmede op de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht. Tegen de achtergrond hiervan overweegt het hof verder als volgt.

Blijkens het PBC-rapport staan de beperkte onderzoeksgegevens volgens de deskundigen toe dat bij wijze van hypothese wordt verondersteld dat in de persoonlijkheidsstructuur van de verdachte narcistische kenmerken centraal staan. Bij gebreke van gegevens uit de levensloop van betrokkene kan echter niet worden beoordeeld in hoeverre sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en paranoïde trekken. Daarnaast achten de deskundigen een dysthyme stoornis/geagiteerde depressie of een chronische aanpassingsstoornis zeker niet uitgesloten. Voorts constateren zij mogelijke tekenen van een beginnend dementieel beeld of van neurolues en achten zij een waanstoornis of andere psychotische stoornis niet met zekerheid uitgesloten. Van het doen van stelliger uitlatingen omtrent het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens hebben de deskundigen zich telkens laten weerhouden door een tekort aan onderzoeksgegevens.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de psycholoog van Dijk in 2005, na onderzoek waarin de levensloop van de verdachte wel is betrokken, bij de verdachte een borderline persoonlijkheidsstoornis heeft vastgesteld.

Tenslotte betrekt het hof bij zijn oordeel de eigen waarneming ter terechtzitting waarmee het vaststelt dat de verdachte met regelmaat het woord dat hij ter beantwoording van vragen krijgt aangrijpt voor grotendeels onbegrijpelijke uitweidingen over zijn eigen beleving van de werkelijkheid zonder enig verband met de vraagstelling en daarin zonder waarneembare invloed van de daardoor opgeroepen reacties met verheven stem persisteert.

Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat bij de verdachte tijdens het begaan van deze feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

De ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheid dat verdachte zich in het verleden eerder schuldig heeft gemaakt aan geweldsdelicten, de getrokken conclusies omtrent de kans op recidive, alsook het beeld dat het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van verdachte heeft gekregen, brengen voor het hof met zich mee dat er ernstig rekening mee dient te worden gehouden dat verdachte - indien behandeling achterwege blijft - in de toekomst opnieuw zal overgaan tot het plegen van ernstige en gewelddadige strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande moet verdachte worden gezien als een gevaar voor de veiligheid van personen. De bescherming van de veiligheid van de maatschappij noodzaakt daarom tot het opleggen van TBS met dwangverpleging.

Gelet op bovenstaande zal het hof de maatregel van TBS met dwangverpleging opleggen, nu de door verdachte begane feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens bestond en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het opleggen van deze maatregel eist. De terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt bovendien opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Het hof neemt ook hier (mede) in aanmerking de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde, de eerdere veroordelingen en de inhoud van de voornoemde rapportages die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht.

Uit de in deze zaak bewezen verklaarde feiten, het strafblad van de verdachte, de onmogelijkheid voor psycholoog en psychiater om tot een verantwoorde inschatting van verdachte's toerekeningsvatbaarheid te komen en zijn houding ter terechtzitting, gekenmerkt door een volstrekt onvermogen tot zinvolle communicatie, leidt het hof af dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de hierna uit te spreken maatregel bepaaldelijk eist.

Voorts acht het hof de bewezenverklaarde feiten zodanig ernstig, dat het passend en geboden is om naast vorengemelde maatregel een gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen. Gelet op het feit dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht en gezien de op te leggen maatregel, is naar het oordeel van het hof een lagere straf gerechtvaardigd dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1 primair en 2 primair begane misdrijf werden aangetroffen en deze aan verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Ten aanzien van de na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 8.026,06.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 8.026,06.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat hij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve naar billijkheid worden toegewezen tot een bedrag van EUR 3.000,-.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij tevens aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van in totaal EUR 4.026,06, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

EUR 4.026,06 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 primair tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 10.104,90.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 10.104,90.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat hij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve naar billijkheid worden toegewezen tot een bedrag van EUR 3.000,-.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij tevens aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van in totaal EUR 6.034,90, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

EUR 6.034,90 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder 9, 10 en 11 genoemde voorwerpen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder 1 tot en met 8, 12 en 13 genoemde voorwerpen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer 1] terzake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 4.026,06 (vierduizend zesentwintig euro en zes cent) bestaande uit EUR 1.026,06 (duizend zesentwintig euro en zes cent) materiële schade en EUR 3.000,- (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van EUR 4.026,06 (vierduizend zesentwintig euro en zes cent) bestaande uit EUR 1.026,06 (duizend zesentwintig euro en zes cent) materiële schade en EUR 3.000,- (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer 2] terzake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 6.034,90 (zesduizend vierendertig euro en negentig cent) bestaande uit EUR 3.034,90 (drieduizend vierendertig euro en negentig cent) materiële schade en EUR 3.000,- (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van EUR 6.034,90 (zesduizend vierendertig euro en negentig cent) bestaande uit

EUR 3.034,90 (drieduizend vierendertig euro en negentig cent) materiële schade en EUR 3.000,- (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien, mr. G.J.W. van Oven en mr. R.M. Bouritius, in bijzijn van de griffier mr. C. Bossema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2011.