Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9183

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
BK-10/00401 en 10/00402
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW5409, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Schending zorgvuldigheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel door Inspecteur door niet te kiezen voor de voor belanghebbende meest gunstige weg om de vermindering van de voorlopige aanslagen te bewerkstelligen. Nu niet aan beide voorwaarden voor toekenning van schadevergoeding door de belastingrechter is voldaan, rest belanghebbende de burgerlijke rechter te adiëren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 1576
V-N 2011/43.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-10/00401 en 10/00402

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 17 mei 2011

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam Belastingdienst/Holland-Midden, hierna: de Inspecteur,

op de hoger beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 juni 2010, nummers. AWB 09/7185 IB/PVV en 09/7186 IB/PVV

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

In de zaak met nummer BK-10/00401

1.1. Aan belanghebbende is een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 opgelegd van € 20.100. De Inspecteur heeft de voorlopige aanslag op 29 juni 2007 ambtshalve verminderd.

1.2. Bij brief van 31 juli 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve vermindering.

1.3. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

In de zaak met nummer BK-10/00402

1.4. Aan belanghebbende is een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 opgelegd van € 19.976. De Inspecteur heeft de voorlopige aanslag op 27 juni 2008 ambtshalve verminderd.

1.5. Bij brief van 31 juli 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve vermindering.

1.6. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

In de zaken met nummers BK-10/00401 en 10/00402

1.7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

In de zaken met nummers BK-10/00401 en 10/00402

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier voor elke zaak afzonderlijk een griffierecht geheven van € 111.

2.2. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 april 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

In de zaak met nummer BK-10/00401

3.1. De voorlopige aanslag voor het jaar 2006 is op 31 januari 2006 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 20.100. Er is overeenkomstig artikel 30f, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) geen heffingsrente in rekening gebracht.

3.2. De voorlopige aanslag is op 29 juni 2007 ambtshalve verminderd. Op de verminderingsbeschikking staat vermeld dat tegen de vermindering geen bezwaar en ook geen beroep mogelijk is. Ook staat daarop vermeld dat het mogelijk is om een schriftelijk verzoek in te dienen bij het belastingkantoor om het bedrag van de vermindering te wijzigen.

3.3. Aan belanghebbende is bij het formulier ‘Mededeling Verrekening of terugbetaling’, met dagtekening 27 juni 2007, medegedeeld dat de rentevergoeding ter zake van de vermindering van de (voorlopige) aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2006, berekend over de periode 1 januari 2007 tot en met 29 juni 2007, € 485 bedraagt. Ook is op het formulier vermeld dat tegen het bedrag van de invorderingsrente binnen zes weken na dagtekening van het formulier bezwaar kan worden gemaakt bij de Belastingdienst.

In de zaak met nummer BK-10/00402

3.4. De voorlopige aanslag voor het jaar 2007 is op 31 januari 2007 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 19.976. Er is overeenkomstig artikel 30f, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de AWR geen heffingsrente in rekening gebracht.

3.5. De voorlopige aanslag voor het jaar 2007 is op 27 juni 2008 ambtshalve verminderd. Op de verminderingsbeschikking staat hetzelfde vermeld als op het formulier voor het jaar 2006 (zie hiervoor onder 3.2).

3.6. Aan belanghebbende is bij het formulier ‘Mededeling Verrekening of terugbetaling’ met dagtekening 25 juni 2008, medegedeeld dat de rentevergoeding ter zake van de vermindering van de (voorlopige) aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2007, berekend over de periode 1 januari 2008 tot en met 29 juni 2008, € 494 bedraagt. Op het formulier is voorts hetzelfde vermeld als op het formulier voor het jaar 2006 (zie hiervoor onder 3.3).

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

In de zaken met nummers BK-10/00401 en 10/00402

4.1. Tussen partijen is in geschil of de bezwaarschriften terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard door de Inspecteur. Bij ontkennende beantwoording van deze vraag is in geschil of het de Inspecteur vrijstond de verminderingen van de voorlopige aanslagen te bewerkstelligen door middel van het verlenen van ambtshalve vermindering, hetgeen tot gevolg heeft dat belanghebbende door de werking van het stelstel van de invorderingsrente een lagere rentevergoeding krijgt dan wanneer de Inspecteur de vermindering bewerkstelligt door het opleggen van een nadere voorlopige aanslag, in welk geval belanghebbende een rentevergoeding krijgt op basis van het stelsel van de heffingsrente.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

In de zaken met nummers BK-10/00401 en 10/00402

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, en de uitspraken op bezwaar, tot vergoeding van heffingsrente over de periode 1 juli 2006 tot en met 31 december 2006 ten bedrage van € 414 en over de periode 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 ten bedrage van € 532 en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

In de zaken met nummers BK-10/00401 en 10/00402

6.1.Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2006 en 2007 voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd. Daarop betaalde bedragen zijn naderhand ambtshalve verminderd. Daarbij is invorderingsrente vergoed ingevolge de desbetreffende rentebeschikkingen.

6.2. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur in plaats van ambtshalve vermindering te verlenen, nadere negatieve voorlopige aanslagen had moeten vaststellen tot terugbetaling van het bedrag met vergoeding van heffingsrente. Het belang daarvan is dat over de desbetreffende jaren te vergoeden heffingsrente wordt berekend vanaf 1 juli van het jaar van oplegging van de voorlopige aanslagen (2006 respectievelijk 2007), terwijl in casu te vergoeden invorderingsrente is berekend vanaf 1 januari van het volgende jaar.

6.3. Aan de Inspecteur stond op grond van de wet twee mogelijkheden open om de vermindering van de voorlopige aanslagen te bewerkstelligen, namelijk door toepassing van eerdervermelde ambtshalve verminderingen dan wel door oplegging van negatieve nadere voorlopige aanslagen met toepassing van artikel 13 AWR. Als uitgangspunt geldt in een geval als dit, waarbij de ene weg ten gevolge heeft dat de belastingplichtige een lagere rentevergoeding krijgt dan het geval is bij het volgen van de andere weg, dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel vereisen dat de Inspecteur de voor de belastingplichtige meest gunstige weg kiest.

6.4. Door in het onderhavige geval niet te kiezen voor de voor belanghebbende meest gunstige weg, heeft de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel geschonden. Onzorgvuldig handelen van de Inspecteur jegens een belastingplichtige vormt een onrechtmatige overheidsdaad welke tot schadevergoeding kan verplichten. Rechtsherstel kan worden geboden door de belastingrechter op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de AWB en door de civiele rechter op grond van artikel 6:162 BW. Voor een veroordeling door de belastingrechter gelden als voorwaarden dat de belanghebbende om een vergoeding in de belastingprocedure heeft verzocht en dat zijn (hoger) beroep gegrond is.

6.5. Aan de voorwaarde dat belanghebbende om een vergoeding heeft verzocht is in het onderhavige geval voldaan. Beantwoord dient vervolgens te worden de vraag of het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.

6.6.1. Tegen de beschikkingen tot ambtshalve vermindering staan – gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – geen rechtsmiddelen open. De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar waarbij de Inspecteur de bezwaarschriften van belanghebbende voor zover gericht tegen de ambtshalve verminderingsbeschikkingen niet-ontvankelijk heeft verklaard, derhalve terecht ongegrond verklaard, wat er zij van de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden.

6.6.2. Wel staan rechtsmiddelen open tegen de beschikkingen invorderingsrente van 27 juni 2007 respectievelijk 25 juni 2008. Blijkens de inhoud van de bezwaarschriften kunnen deze geacht worden mede tegen deze beschikkingen te zijn gericht. Niet in geschil is dat de bezwaarschriften buiten de wettelijke termijn van zes weken zijn ingediend. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van de AWB niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Belanghebbende stelt dat hij zo spoedig als mogelijk nadat hij bekend is geworden met de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 juli 2008, LJN 8906, welke op 20 augustus 2008 is gepubliceerd, bezwaar heeft gemaakt. Belanghebbende, die gelet op zijn beroep van belastingadviseur wordt geacht te beschikken over meer dan gemiddelde kennis op het gebied van het belastingrecht, heeft de bezwaarschriften, naar tussen partijen niet in geschil is, pas op 1 augustus 2009 ingediend. Op grond hiervan kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest bij het tijdig indienen van de bezwaarschriften. Ook in zoverre zijn de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond.

6.7. Nu de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn, en derhalve niet aan beide voorwaarden voor toekenning van schadevergoeding door de belastingrechter is voldaan, rest belanghebbende de burgerlijke rechter te adieren.

6.8. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 17 mei 2011 in het openbaar uitgesproken. Wegens ontstentenis van de griffier is de uitspraak alleen door de voorzitter ondertekend.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.