Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ8920

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
200.072.445-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Draagkracht vanwege vermogen in box 3, ook vermogen dat is gevormd door een smartegelduitkering. Verzet verknochtheid van deze uitkering zich ertegen dat dit vermogen bijdraagt aan de draagkracht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 11 mei 2011

Zaaknummer : 200.072.445/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 09-1467 en F1 RK 10-454

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R.A. Remport Urban te Bergen op Zoom,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.D. van Velthoven te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 19 augustus 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 mei 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 7 oktober 2010 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 16 september 2010 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 10 februari 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 9 maart 2011 een faxbrief met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 24 februari 2010 een faxbrief met bijlagen.

De zaak is op 10 maart 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

Ter terechtzitting heeft de vader zijn verzoek deels gewijzigd in die zin dat hij thans verzoekt te vernietigen de bestreden beschikking uitsluitend voor wat betreft de bepaling dat de vader aan de moeder met ingang van 8 oktober 2009 als kinderalimentatie zal uitkeren € 161,66 per maand alsmede de bepaling dat genoemde bijdrage jaarlijks met ingang van 1 januari 2010 wordt gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering en, opnieuw beschikkende, primair te bepalen dat het inleidend verzoek van de moeder met betrekking tot de kinderalimentatie wordt afgewezen, en secundair te bepalen dat de vader is gehouden een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige te voldoen, als het hof vermeent te behoren, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 8 oktober 2009 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren €161,66 per maand, welke bijdrage jaarlijks, met ingang van 1 januari 2010, wordt gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 3 februari 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren [in] 1998 te [geboorteplaats], hierna verder: de minderjarige.

2. De vader verzoekt het hof thans, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen de bestreden beschikking uitsluitend voor wat betreft de bepaling dat de vader aan de moeder met ingang van 8 oktober 2009 als kinderalimentatie zal uitkeren € 161,66 per maand alsmede de bepaling dat genoemde bijdrage jaarlijks met ingang van 1 januari 2010 wordt gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering en, opnieuw beschikkende;

(i) het inleidend verzoek van de moeder met betrekking tot de kinderalimentatie af te wijzen;

(ii) te bepalen dat de vader is gehouden een zodanig bedrag als kinderalimentatie te betalen als het hof vermeent te behoren, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

(iii) de beslissing in onderhavige zaak aan te houden totdat door de rechtbank Rotterdam onherroepelijk beslist is over de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen alsmede de zaak aan te houden totdat er een nieuwe AWBZ-bijdrage is bepaald.

3. De moeder bestrijdt het beroep van de vader en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

Eigen aandeel in de kosten van de minderjarige (behoefte)

4. In zijn eerste twee grieven betwist de vader dat de behoefte van de minderjarige gebaseerd kan worden op een netto gezinsinkomen van € 2.109,-- per maand. De vader stelt dat hij ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen geen inkomen genoot, zodat in dit kader enkel rekening dient te worden gehouden met het inkomen van de moeder. Het inkomen van de moeder is door de rechtbank onjuist vastgesteld nu de rechtbank de incidentele meeruren van januari 2005 alsmede de reiskostenvergoeding voor het openbaar vervoer ten onrechte heeft meegenomen. De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Het hof overweegt als volgt. Bij de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige hanteert het hof de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen van het NIBUD.

6. Daarbij geldt als uitgangspunt het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk. De vader heeft weliswaar gesteld dat ten tijde van het uiteengaan van partijen hij feitelijk geen inkomen genoot, maar uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de vader gedurende het huwelijk vanaf 2004 en - voor de periode ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen - een inkomen heeft genoten van rond de € 905,-- netto per maand. Onder deze omstandigheden zal het hof de behoefte van de minderjarige vaststellen op de door de rechtbank aan het netto gezinsinkomen van € 2.109,-- per maand gekoppelde behoefte van € 162,- per maand. Hetgeen de vader overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Draagkracht van de vader

7. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij draagkracht heeft om maandelijks € 161,66 aan kinderalimentatie te voldoen. Bij de bepaling van zijn draagkracht heeft de rechtbank ten onrechte rekening gehouden met een rendement van 2,4% op zijn vermogen groot € 78.000,--, nu dit vermogen een smartengeldvergoeding betreft die is bedoeld als compensatie voor het door de vader geleden leed. Deze vergoeding vormt vermogen dat dermate verknocht is dat niet van de vader verwacht kan worden dat hij daarvan of van het rendement daarop kinderalimentatie moet voldoen. Bovendien bedraagt het werkelijke behaalde rendement op het vermogen slechts 1,25%. Daarnaast stelt de vader maandelijks een bedrag van € 389,95 over te houden, waarvan hij al zijn persoonlijke uitgaven moet betalen. Redelijk is dat, gelet op zijn situatie, hij dit bedrag geheel aan zichzelf besteedt, nu hij onder meer de volgende maandelijkse kosten heeft; eten: € 156,--, kleding wassen: € 56,59, douchegel: € 8,--, deodorant: € 8,--, kapper: € 20, -, sigaretten: € 14,--, jenever: € 30,-- en overige uitgaven. Daarnaast heeft de vader van zijn bewindvoerder vernomen dat de door hem te betalen AWBZ-bijdrage (na de echtscheiding) waarschijnlijk verhoogd zal worden naar € 478,74 per maand.

8. De moeder stelt zich op het standpunt dat, gelet op het belang van kinderalimentatie, van de vader verwacht mag worden dat hij inteert op zijn vermogen. Vorenstaande daargelaten betoogt de moeder dat de vader alleen al met het rendement dat hij op zijn vermogen maakt, de vastgestelde kinderalimentatie kan voldoen. Zij weerspreekt uitdrukkelijk dat bedoelde renten verknocht zijn. Voorts betwist de moeder de door de vader opgevoerde kosten en dat dit lasten zijn die op zijn draagkracht behoren te drukken. Ten aanzien van de door de vader te betalen AWBZ-bijdrage, die in de toekomst mogelijk verhoogd wordt, stelt de moeder dat voor zover de bijdrage al verhoogd zal worden, deze bijdrage wordt vastgesteld met eerbiediging van rechterlijke alimentatiebeslissingen.

9. Het hof overweegt als volgt. Uit het door de vader als productie 2 bij brief van 10 februari 2011 overgelegde budgetformulier blijkt dat de vader € 96.683,-- aan vermogen in box 3 heeft. Hoewel dit vermogen in de toekomst als gevolg van de uitvoering van de in de beschikking van 16 februari 2011 van de rechtbank Rotterdam vastgestelde verdeling, de toescheiding van schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen, naar alle waarschijnlijkheid enigszins zal verminderen, is het hof van oordeel dat de vader uit het rendement (op het resterende vermogen) de vastgestelde kinderalimentatie volledig kan voldoen.

10. Hier doet niet aan af dat dit vermogen ten dele, voor een bedrag van € 78.000,-- is opgebouwd uit een smartengeldvergoeding, die in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap door de rechtbank Rotterdam is aangemerkt als geheel verknocht om welke reden deze buiten de verdeling valt. De onderhoudsverplichting van de vader jegens de minderjarige heeft voorrang boven een mogelijke verknochtheid van (een deel van) het rendement op het vermogen van de vader.

11. Het hof gaat voorts voorbij aan de stelling van de vader inhoudende dat het rendement slechts 1,25% in plaats van de door de rechtbank overwogen 2,4% bedraagt, nu de wijze van belegging van zijn vermogen een keuze is van de vader, die voor zijn eigen rekening en risico dient te blijven.

12. Tot slot hof houdt geen rekening met de door de vader opgevoerde (extra) maandelijkse kosten, nu deze lasten in de voor de vader geldende bijstandsnorm zijn vervat.

13. Gelet op het voorgaande, het huidige inkomen en het box 3 vermogen van de vader, is het hof van oordeel dat de vader voldoende draagkracht heeft om de vastgestelde kinderalimentatie aan de moeder te voldoen.

Ingangsdatum

14. Het hof acht het redelijk om de ingangsdatum van de kinderalimentatie te stellen op de datum van indiening van het zelfstandig verzoek daartoe van de moeder, te weten 8 oktober 2009. Vanaf deze datum heeft de vader er rekening mee kunnen houden dat van hem een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige wordt verlangd.

15. Het verzoek van de vader tot aanhouding van de zaak totdat (i) door de rechtbank Rotterdam onherroepelijk beslist is over de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen en (ii) een nieuwe AWBZ-bijdrage is bepaald, wordt afgewezen. Het hof overweegt daartoe dat voor de vader in het geval zijn draagkracht in de toekomst wijzigt, een verzoek zoals bedoeld in artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek open staat.

16. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft geen bespreking nu dat niet tot een ander oordeel leidt. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Husson en Van Veen, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2011.