Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ8697

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
22-000454-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt zich uit over de onwenselijkheid van het weigeren van een Verklaring Omtrent het Gedrag in verband met een veroordeling wegens een zedendelict op zeer jeugdige leeftijd gepleegd in het geval de verdachte later een VOG aanvraagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Integraal jeugdbeleid 2011/241
NJFS 2011/179
RFR 2011/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000454-10

Parketnummer: 09-420091-09

Datum uitspraak: 21 juni 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 december 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [plaats] op [dag] 1995,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 7 juni 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie, alsmede tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde als weergegeven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [dag] te [plaats] tezamen en in vereniging, althans alleen, met [slachtoffer], geboren op [dag] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- (meermalen) die [slachtoffer] vragen haar (onder)broek naar beneden te doen en/of

- (meermalen) aaien en/of kietelen en/of betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- (meermalen) aaien en/of kietelen en/of betasten van de billen van die [slachtoffer].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, nu de beginselen van een behoorlijke procesorde en de artikelen 3 en 40 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (het hof begrijpt: het Verdrag inzake de Rechten van het Kind) zijn geschonden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de beslissing tot vervolging van de verdachte onzorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat de behandeling van de zaak vertraging heeft opgelopen. Het eerste punt heeft zij - kort gezegd - als volgt toegelicht.

Er is sprake van leeftijdsconform seksueel experimenteergedrag. De verdachte heeft direct na het delict zijn excuses aan de ouders van het meisje aangeboden en heeft zich vrijwillig aangemeld bij De Waag voor een behandeling. Door de verdachte te vervolgen zonder eerst een deskundigenrapport van bijvoorbeeld De Waag af te wachten, heeft de officier van justitie de beslissing tot vervolging van de verdachte niet - zoals de genoemde verdragsbepalingen eisen - met de grootst mogelijke zorgvuldigheid genomen. De gevolgen van een strafrechtelijke veroordeling zullen dermate verstrekkend zijn dat de verdachte hierdoor langdurig in zijn ontwikkeling zal worden belemmerd bij het volgen van een opleiding en het vinden van een baan. Dit had moeten worden meegewogen door de officier van justitie bij de vervolgingsbeslissing.

De raadsvrouw stelde uit ervaring te weten dat het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: COVOG) bij de beoordeling van de aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag (hierna ook te noemen: VOG) geen contact opneemt met hulpverlenende instanties en dat de registratie in het uittreksel Justitiële Documentatie derhalve allesbepalend is. Het vervolgen van de verdachte vormt volgens de raadsvrouw een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij de belangen van de verdachte met grove veronachtzaming tekort zijn gedaan. Zij is van mening dat voor het nemen van de vervolgingsbeslissing eerst gedegen had moeten worden onderzocht of het handelen van de verdachte valt te kwalificeren als seksueel experimenteergedrag en of strafrechtelijke vervolging in dit geval enig redelijk doel dient.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Naar het oordeel van het hof is de vervolgingsbeslissing niet onzorgvuldig genomen en heeft het openbaar ministerie redelijkerwijs tot deze beslissing kunnen komen. Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat het de voorkeur had verdiend dat de officier van justitie voorafgaand aan de vervolgingsbeslissing een deskundige zou hebben geraadpleegd. Het achterwege laten hiervan levert echter niet per definitie een onzorgvuldige vervolgingsbeslis-sing op, terwijl in het onderhavige geval niet is gebleken van een onzorgvuldige belangenafweging terzake. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van leeftijdsconform seksueel experimenteergedrag, gezien het grote verschil in leeftijd tussen de verdachte en [slachtoffer] en de geringe weerbaarheid van [slachtoffer].

Ten aanzien van de vertraging van de behandeling van de zaak overweegt het hof het volgende. Tussen het tenlastegelegde feit en de behandeling in eerste aanleg lag een periode van acht maanden. Deze periode is naar het oordeel van het hof niet onredelijk lang. Het feit dat de dagvaarding in eerste aanleg vóórdien tot tweemaal toe was ingetrokken doet hier niet aan af. Het tijdsverloop van 17 maanden tussen het instellen van hoger beroep en de behandeling in hoger beroep is weliswaar onwenselijk lang geweest, maar leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof merkt hierbij op, dat overschrijding van de redelijke termijn nimmer tot de niet-ontvankelijkheid van

het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Het hof verwerpt het verweer. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op [dag] te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander met [slachtoffer], geboren op [dag] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het meermalen die [slachtoffer] vragen haar onderbroek naar beneden te doen en

- het betasten van de vagina van die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair

30 dagen jeugddetentie.

Verweer ten aanzien van de strafmaat

De raadvrouw van de verdachte heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de door haar gestelde schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde en van de artikelen 3 en 40 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind zoals hierboven aangegeven, op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering in de strafmaat dient te worden verdisconteerd.

Gelet op de navolgende beslissing behoeft dit verweer geen bespreking.

Geen straf of maatregel

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de psychische integriteit van het slachtoffer.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte het kwalijke van zijn handelen inziet en er veel spijt van heeft. De verdachte heeft een excuusbrief geschreven aan het slachtoffer en heeft daarnaast andere wegen gezocht om het slachtoffer tegemoet te komen. De verdachte is een periode depressief geweest en heeft vrijwillig hulpverlening gezocht bij De Waag. Blijkens het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 6 mei 2011 en de verklaring van deskundige Van Outsem ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in de periode van 15 juni 2009 tot 12 augustus 2010 een geprotocolleerd individueel terugvalpreventieprogramma voor jeugdige zedendelinquenten gevolgd. De verdachte heeft zeer gemotiveerd aan deze behandeling deelgenomen. De behandeling is met wederzijdse instemming afgesloten omdat de gestelde behandeldoelen zijn behaald. Bij de verdachte is geen psychopathologie vastgesteld. Er zijn geen problemen waargenomen op de gebieden van impulscon-trole, empathie, realiteitstoetsing en gewetensfunctie. Ook zijn er geen aanwijzingen gevonden voor een zich ontwikkelende parafilie, noch voor een antisociale persoonlijkheidsontwikkeling. Het door de verdachte gepleegde zedendelict kan geduid worden als een (ernstige) seksuele experimenteerfout van een jongen in de doorbraak van zijn puberteit. De verdachte toonde zich gedurende de behandeling doordrongen van het leed dat een slachtoffer wordt aangedaan bij het plegen van een zedendelict. Genoemde deskundige heeft ter terechtzitting in hoger beroep tevens uitdrukkelijk verklaard dat de kans op recidive bij de verdachte - mede doordat er in zijn geval sprake is van een groot aantal beschermende factoren, waaronder een goed ontwikkelde gewetensfunctie - verwaarloosbaar is. De deskundige beroept zich hierbij op onderzoek van onder anderen Th.A.H. Doreleijers, R.A.R. Bullens en R. Vermeieren.

Gelet op het bovenstaande, alsmede op het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2011 niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, acht het hof het raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Vanuit speciaal preventief oogpunt heeft het opleggen van een straf of maatregel naar het oordeel van het hof geen meerwaarde.

Volledigheidshalve stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, nu het dossier niet binnen 6 maanden na het instellen van hoger beroep ter griffie bij het hof is binnengekomen. Gezien voornoemde beslissing ziet het hof echter geen reden aan dit verzuim gevolgen te verbinden.

Verklaring Omtrent het Gedrag

Blijkens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het genoemde rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is de voornaamste reden voor het instellen van het hoger beroep namens de verdachte gelegen in het feit dat een veroordeling voor een zedendelict een registratie in de justitiële documentatie oplevert, waardoor de verdachte in de toekomst bij het vinden van een baan de nodige belemmering zal kunnen ondervinden. De verdachte en zijn ouders vrezen dat een VOG na een dergelijke veroordeling niet meer zal worden afgegeven.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Op basis van het thans geldende beleid wordt door het COVOG bij de beoordeling van een verzoek tot afgifte van een VOG in het geval van zedendelicten een onbeperkte zogenoemde terugkijktermijn gehanteerd.1 Een veroordeling voor een zedendelict kan daarom in theorie levenslang een reden vormen voor de weigering tot afgifte van een VOG. Dit in tegenstelling tot veroordelingen voor andersoortige feiten; daarbij wordt in beginsel een terugkijktermijn van vier jaar gehanteerd. Indien de registratie naar het oordeel van het COVOG een belemmering vormt voor het doel waarvoor de VOG is aangevraagd, kan de aanvraag van een VOG worden afgewezen.

Naar het oordeel van het hof zou onderhavige schuldigverklaring geen reden mogen zijn om de afgifte van een VOG te weigeren, nu de verdachte zich op een nog zeer jonge leeftijd, bij het doorbreken van de puberteit, schuldig heeft gemaakt aan een zeer lichte vorm van aanranding. Bovendien heeft de verdachte - zoals hierboven is aangegeven - vrijwillig hulp gezocht en is de kans op recidive volgens de ter zitting gehoorde deskundige verwaarloosbaar. Het weigeren van de afgifte van een VOG aan de verdachte op grond van - uitsluitend - de onderhavige strafzaak zou, gezien het voorgaande, een dermate grote inbreuk opleveren op het privéleven van de verdachte, dat een dergelijke beslissing naar het oordeel van het hof strijdig zou zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Met het oog hierop adviseert het hof de verdachte om - mocht het hierboven beschreven beleid van het COVOG tegen die tijd niet gewijzigd zijn - in de toekomst bij een eventuele aanvraag van een VOG een kopie van dit arrest mee te zenden, zodat het COVOG bij de beoordeling rekening kan houden met het oordeel van het hof omtrent de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd, en de persoon alsmede de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ten aanzien van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien, mr. M.C.R. Derkx en mr. A.P. van der Linden, in bijzijn van de griffier mr. N. van der Velden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 juni 2011.

Mr. A.P. van der Linden is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Beleidsregels 2010 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een verklaring omtrent het gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen en de integriteitsverklaring beroepsvervoer, Staatscourant 2010, nr. 14312, 15 september 2010.