Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ8296

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
200.068.445
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geschil inzake hoofdverblijf minderjarige, opkomend na verhuizing van de moeder. Gelijkwaardig ouderschap. Gevolgen van de verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 februari 2011

Zaaknummer : 200.068.445/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-8061

[de vader]

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R.S. Knegtmans te Westerhoven,

procesadvocaat mr. E. Grabandt te ’s-Gravenhage,

tegen

[de moeder]

wonende te [wooplaats]

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.J.C.W. van de Ven te ‘s-Hertogenbosch.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 11 juni 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 april 2010 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De moeder heeft op 30 juli 2010 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 6 juli 2010 een brief d.d. 6 juli 2010 met bijlage;

- op 24 december 2010 een brief d.d. 24 december 2010 met bijlagen,

van de zijde van de moeder:

- op 13 januari 2011 een brief d.d. 13 januari 2011 met bijlagen.

De zaak is op 26 januari 2011, tezamen met de zaak met nummer: 200.079.952, mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 15 juli 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage en de bestreden beschikking.

Bij beschikking van 15 juli 2009 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat na te noemen minderjarige met ingang van 1 juli 2009 in het kader van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de ene week gedurende zeven dagen bij de vader en de andere week gedurende zeven dagen bij de moeder zal zijn. De behandeling van het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats, een definitieve regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie is aangehouden tot 1 juli 2010 pro forma om partijen in de gelegenheid te stellen stukken in het geding te brengen en overleg met elkaar te voeren. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de minderjarige met ingang van 1 september 2010 haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder, het verzoek van de vader inzake de hoofdverblijfplaats van de minderjarige afgewezen en bepaald dat de behandeling van het verzoek tot vaststelling van een definitieve regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en tot vaststelling van kinderalimentatie wordt aangehouden tot 1 augustus 2010 pro forma om partijen in de gelegenheid te stellen deze regelingen in onderling overleg vast te stellen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts het volgende komen vast te staan:

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij beschikking van 27 oktober 2010 de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en voorts de door partijen getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na de scheiding opgenomen, zoals neergelegd in het (in fotokopie) aan die beschikking gehechte ouderschapsplan. Daarnaast heeft de rechtbank haar beschikking, voor zover het de getroffen onderlinge regelingen omtrent de kinderalimentatie, de hoofdverblijfplaats, de informatie en raadpleging met betrekking tot de minderjarige en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige: [naam], geboren [in] 2006 te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige.

2. De vader verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de minderjarige haar hoofdverblijf zal hebben bij de vader, primair per 1 september 2010, subsidiair per in goede justitie te bepalen datum en de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, het namens de vader ingediende appelrekest niet-ontvankelijk te verklaren, althans het in het petitum verzochte af te wijzen als zijnde rechtens onbewezen en of ongegrond en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. In zijn brief van 24 december 2010 heeft de vader, gelet op de inmiddels gewezen eindbeschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 oktober 2010, zijn verzoek gewijzigd. Hij verzoekt thans de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, alsmede de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 oktober 2010 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij hem zal hebben en de door de partijen getroffen regeling, vastgelegd in het door de vader als bijlage 9 overgelegde ouderschapsplan, op te nemen in de ten deze te wijzen beschikking en die beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5. De moeder heeft daarop, in haar brief van 13 januari 2011, verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de namens de vader ingediende appelrekesten niet ontvankelijk te verklaren, althans het in de petita verzochte af te wijzen als zijnde rechtens onbewezen en of ongegrond en de bestreden beschikking, alsmede de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 oktober 2010 te bekrachtigen.

6. De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder heeft bepaald. Hij voert daartoe, zakelijk weergegeven en kort gezegd, het navolgende aan. De moeder is, zonder de vader hiervan op de hoogte te stellen, met de minderjarige verhuisd van [plaats] naar [plaats] en heeft daarmee niet in het belang van de minderjarige gehandeld. De co-ouderschapsregeling die tussen partijen bestond, is thans niet langer uitvoerbaar. De moeder heeft er bij herhaling blijk van gegeven haar eigen belangen voorop te stellen en de vader niet te betrekken bij belangrijke keuzes aangaande de minderjarige.

De vader is degene geweest die de minderjarige in het verleden feitelijk heeft verzorgd en opgevoed. Hij was daartoe als zelfstandig ondernemer, met flexibele werktijden, ook in staat. De vader stelt dat het in het belang van de minderjarige is dat zij haar hoofdverblijf bij de vader heeft, zodat zij in staat wordt gesteld haar leventje in [plaats] voort te zetten. De vader benadrukt daarbij dat hij bereid is, en er alles aan zal doen, om de moeder zoveel mogelijk bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige te betrekken en haar alle ruimte zal bieden voor een zo ruim mogelijke zorgverdeling in het belang van de minderjarige.

7. De moeder is van mening dat de rechtbank het belang van de minderjarige voorop heeft gesteld en op juiste gronden haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft bepaald. Zij voert daartoe, zakelijk weergegeven en kort gezegd, het navolgende aan. De moeder is destijds naar [plaats] verhuisd, vanwege haar werk. De grote reisafstand woon-verkeer, in combinatie met de intensieve zorg voor de minderjarige was voor haar niet langer houdbaar. De moeder heeft de vader melding gemaakt van de inschrijving van de minderjarige in [plaats], hem geïnformeerd over de inschrijving bij de nieuwe huisarts en hem betrokken bij de schoolkeuze van de minderjarige. De moeder stelt dat zij het belang van de minderjarige vooropstelt en verwijst in dit verband naar het door haar uitgewerkte ouderschapsplan, waarin zij veel ruimte voor de rol van de vader heeft gelaten. De moeder heeft derhalve aantoonbaar nagedacht over de wijze van invulling van de dagelijkse zorg voor de minderjarige, mede in aanmerking genomen haar werktijden. De moeder heeft een zeer stevige basis voor haarzelf en de minderjarige in [plaats] opgebouwd en is niet van plan dat te veranderen. De moeder is dan ook van mening dat de bestreden beschikking bekrachtigd moet worden.

8. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, welke regeling blijkens lid 2 sub b van voormeld artikel, kan omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

9. Het hof is van oordeel dat, in aanmerking genomen het belang van de minderjarige, het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen voor toewijzing in aanmerking komt en overweegt daartoe als volgt.

10. Het hof stelt voorop dat beide ouders gelijkwaardige opvoeders van de minderjarige zijn en dat zij beiden zeer betrokken zijn op de minderjarige. De moeder is echter zonder de vader hiervan op de hoogte te stellen, met de minderjarige verhuisd van [plaats] naar [plaats]. Door zonder overleg met de vader te verhuizen, heeft de moeder, naar het oordeel van het hof, haar eigen belang boven dat van de minderjarige gesteld en de vader daarbij voor een voldongen feit geplaatst. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de moeder de noodzaak van de verhuizing, op ruime afstand van [plaats], niet aannemelijk heeft gemaakt, anders dan te verwijzen naar de reisafstand. Daarbij is van belang dat de moeder ook al heen en weer reisde van [plaats] naar [plaats] gedurende de tijd dat zij nog in [plaats] woonden.

11. De minderjarige is door de verhuizing naar [plaats] ver(der) van de vader komen te wonen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg gehad dat de contactregeling tussen de minderjarige en de vader ingrijpend is gewijzigd. Voorheen was er sprake van een ‘co-ouderschapsregeling’, waarbij de minderjarige de ene week gedurende zeven dagen bij de vader en de andere week gedurende zeven dagen bij de moeder verbleef. Die regeling functioneerde reeds geruime tijd en niet in geschil is dat de minderjarige goed gedijde bij deze regeling.

12. Thans is er - nu de minderjarige naar school gaat gecombineerd met de reisafstand - slechts een beperkte contactregeling met de vader mogelijk, die eruit bestaat dat de minderjarige gedurende één weekend per veertien dagen contact heeft met de vader.

13. Ter zitting in hoger beroep is onbestreden aangevoerd dat de minderjarige lijdt onder die nieuwe situatie, in die zin dat zij de vader intens mist. Het telkens afscheid nemen van de vader (en de moeder), valt haar zwaar. De moeder is zich hiervan bewust, maar volhardt niettemin in haar standpunt dat zij ook als dat lijden van de minderjarige voort zou duren niet voornemens is met de minderjarige in de richting van [plaats], te verhuizen.

14. Het hof acht het niet in het belang van de minderjarige deze belastende situatie te laten voortduren. Het hof heeft bij zijn oordeel meegewogen dat de minderjarige nog zeer jong is in haar ontwikkeling, zodat verwacht mag worden dat zij zich, na enige tijd, kan aanpassen aan haar ‘nieuwe’ situatie. De minderjarige gaat bovendien nog maar kort naar school in [plaats], zodat die omgeving voor haar nog niet volledig vertrouwd zal zijn. Het hof heeft neemt bij zijn oordeel voorts in aanmerking dat de minderjarige bij de vader in haar oude vertrouwde (woon)omgeving zal terugkeren, waar zij reeds vriendjes en vriendinnetjes heeft. De minderjarige kan bovendien terecht op een school in [plaats], die de vader en de moeder destijds in onderling overleg hebben gekozen. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat de vader er in het verleden blijk van heeft gegeven in staat te zijn zijn werk op goede wijze te combineren met de intensieve zorg voor de minderjarige. Onbestreden is daarenboven dat de vader in affectieve zin de minderjarige kan geven wat zij nodig heeft en dat hij bereid en in staat is de verantwoordelijkheid voor de minderjarige te nemen en daarbij de moeder, als mede verzorger en opvoeder van de minderjarige, ten volle te respecteren.

16. Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de verdere invulling van de zorgregeling met betrekking tot de minderjarige zal geschieden overeenkomstig het door de rechtbank ’s-Gravenhage in haar beschikking van 27 oktober 2010 aangehechte kindconvenant, dat van toepassing is op de situatie dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben.

17. Het hof zal, gelet op het vorenstaande, de bestreden beschikking vernietigen en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader bepalen met ingang van heden zodat de minderjarige zo mogelijk in aansluiting op dan wel kort na de Krokusvakantie naar school in [plaats] kan gaan.

18. Het hof geeft partijen in overweging om, gelet op de nog zeer jonge leeftijd van de minderjarige, niet tegenstaande de overeengekomen zorgregeling, de contacten met de moeder waar mogelijk in frequentie te intensiveren. Op die wijze wordt de emotionele belasting voor de minderjarige zo dragelijk mogelijk.

19. Het hof beslist als navolgend.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige met ingang van heden bij de vader;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Van den Wildenberg en Mos-Verstraten, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2011.