Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ8246

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
105.008.198
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Voortzetting van zaak na getuigenverhoor inzake door de man gesteld en door de vrouw betwist wangedrag (toedienen medicijnen) van de vrouw.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 30 maart 2011

Rekestnummer : 894-H-05

Zaaknummer : 105.008.198/01

Rekestnr. rechtbank : 01-3741

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J. Frissen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat voorheen mr. A. Steutel, thans mr. B.D.W. Martens.

VERDER PROCESVERLOOP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 8 oktober 2008, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft het hof de man toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de vrouw ten tijde van het huwelijk desbewust de artsen van de man heeft misleid, waardoor zij de schijn heeft gewekt dat hij geestelijk achteruit ging, en waardoor de man steeds grotere hoeveelheden medicijnen voorgeschreven heeft gekregen, ten gevolge van welke misleiding door de vrouw bij de man ten onrechte de diagnose dementie werd vastgesteld, door middel van het horen van getuigen.

In de enquête is op 26 mei 2009 één getuige en op 6 juli 2009 één getuige gehoord. In de contra-enquête is op 29 april 2010 één getuige gehoord en is de vrouw als partijgetuige gehoord. Van deze getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt.

Na sluiting van de contra-enquête heeft de raadsheer-commissaris partijen in de gelegenheid gesteld zich binnen twee weken uit te laten over het verdere verloop van de procedure, in die zin of zij al dan niet behoefte hebben aan een zo te noemen conclusie na enquête.

Vervolgens heeft de man op 25 juni 2010 een akte na enquête genomen. De vrouw heeft op 22 juli 2010 een antwoordakte na enquête genomen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De man is van mening dat hij in zijn bewijs is geslaagd.

In zijn akte na enquête heeft de man, zakelijk weergegeven en kort gezegd, het navolgende gesteld:

- De vrouw beschikt door haar jarenlange werkervaring bij de [naam] over veel kennis en ervaring op het gebied van dementie;

- De vrouw is degene geweest die de huisarts heeft gebeld om de man te laten onderzoeken;

- De vrouw is degene geweest die bij de artsen over Alzheimer is begonnen;

- De vrouw heeft bij herhaling, consequent, aangegeven dat de man achteruit ging en dat zijn gedrag veranderde (terwijl vanuit de dagbehandeling berichten kwamen dat het steeds beter ging met de man ging);

- De medicatie is telkenmale bijgesteld/verhoogd na klachten van de vrouw over de veranderingen in het gedrag van de man;

- De medicijnen werden op naam van de vrouw uitgeschreven;

- De vrouw bepaalde zelf de dosis van de medicatie;

- De vrouw diende de medicijnen bij de man toe.

2. Ten aanzien van de getuigenverklaringen heeft de man het navolgende opgemerkt:

- De verklaring van de zus van de vrouw is van zo algemene aard en op punten niet in overeenstemming met de verklaring van de vrouw, zodat aan haar verklaring weinig waarde kan worden gehecht;

- De pyscholoog [naam] heeft verklaard dat hij de door de vrouw gestelde gedrags- en persoonlijkheidsveranderingen niet heeft waargenomen tijdens de dagbehandeling;

- De verpleeghuisarts [naam] heeft verklaard zich niet aan de indruk te hebben kunnen onttrekken dat de vrouw het gedrag van de man heeft geproblematiseerd, als gevolg waarvan de medicatie werd verhoogd.

3. De vrouw acht de man niet geslaagd in het leveren van bewijs van zijn stelling.

In haar antwoord akte na enquête heeft zij, zakelijk weergegeven en kort gezegd, het navolgende gesteld:

- De werkzaamheden van de vrouw in de [naam] bestonden uit het helpen in de keuken bij het rondbrengen en zonodig voeren van eten naar respectievelijk aan dementerende patiënten; bij de behandeling en medicatie was zij niet betrokken;

- Het is dokter [naam] geweest die als eerste de ziekte Alzheimer heeft benoemd;

- Het verhogen van de medicatie gebeurde op voorschrift van dokter [naam];

- Dokter [naam] heeft uit eigen kennis en ervaring geconstateerd dat verhoging van de medicatie noodzakelijk was;

- De vrouw heeft ter zake van de dosis medicijnen enkel uitgevoerd wat haar werd opgedragen en geadviseerd door de artsen.

4. Ten aanzien van de getuigenverklaringen heeft de vrouw gesteld dat de verklaringen van [naam] en [naam] niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de man bewijs heeft geleverd van zijn stelling.

5. Het hof is van oordeel dat de man er niet in is geslaagd bewijs te leveren van zijn stelling dat de vrouw ten tijde van het huwelijk desbewust de artsen van de man heeft misleid, waardoor zij de schijn heeft gewekt dat hij geestelijk achteruit ging, en waardoor de man steeds grotere hoeveelheden medicijnen voorgeschreven heeft gekregen, ten gevolge van welke misleiding door de vrouw bij de man ten onrechte de diagnose dementie werd vastgesteld. Het hof overweegt daartoe als volgt.

6. Het hof acht het aannemelijk dat de vrouw, in haar hoedanigheid van echtgenote van de man, de artsen destijds heeft verteld dat de man ‘gezondheidsproblemen’ en ‘gedragsveranderingen’ vertoonde. Het hof sluit niet uit dat zij daarbij mogelijk ook suggesties heeft gedaan over de oorzaak van die problemen.

7. Het hof stelt vast dat de vrouw ook degene was die het contact met de artsen onderhield en ook buiten de afwezigheid van de man gesprekken voerde met het RIAGG. Het hof stelt voorts vast dat ook de man buiten afwezigheid van de vrouw gesprekken heeft gevoerd met het RIAGG.

8. Het hof heeft echter niet kunnen vaststellen dat de vrouw de artsen desbewust foutief heeft geïnformeerd over de gezondheidstoestand van de man.

9. Het hof stelt voorop dat op de betrokken artsen uit hoofde van hun functie een eigen onderzoeksplicht rust. Het hof is niet gebleken dat de artsen hun verantwoordelijkheid in deze niet in acht hebben genomen noch dat onderzoek naar de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de man op enigerlei wijze onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat meerdere artsen, elk vanuit hun eigen discipline, betrokken zijn geweest bij de behandeling van de man. Dat de artsen zich bij het vaststellen van de diagnose ‘dementie’ (en het voorschrijven van de medicatie) mede hebben gebaseerd op uitlatingen van de vouw, acht het hof niet ongewoon.

10. Ten aanzien van het medicijngebruik door de man, stelt het hof vast dat dit op voorschrift en onder begeleiding van een arts heeft plaatsgevonden. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de vrouw tegen de voorschriften van de artsen in de dosis van de medicatie heeft aangepast.

11. Uit de omstandigheid dat de psycholoog [naam], die door het hof als getuige is gehoord, kennelijk is gaan twijfelen aan de diagnose dementie ten aanzien van de man, aangezien hij de door de vrouw gestelde gedrags- en persoonlijkheidsveranderingen ten aanzien van de man niet heeft waargenomen tijdens de dagbehandeling, kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer geconcludeerd worden dat de vrouw de artsen aldus heeft misleid. Ook de verklaring van de getuige [naam], die heeft verklaard dat naar haar idee de vrouw het gedrag van de man heeft geproblematiseerd, als gevolg waarvan de medicatie werd verhoogd, acht het hof in dit verband onvoldoende.

12. Hoewel opmerkelijk is te achten dat vanaf het moment dat het medicijngebruik bij de man werd afgebouwd, hij gaandeweg beter ging functioneren en uiteindelijk als patiënt in het verpleeghuis is ontslagen, kan dit feit, in het licht bezien van het hiervoor overwogene, evenmin de conclusie rechtvaardigen dat het aldus niet anders kan zijn dan dat de vrouw de artsen heeft misleid en dat zij op eigen initiatief de medicatie van de man heeft gewijzigd.

13. Het hof neemt bij het vorenstaande nog in aanmerking dat de vrouw onder ede verklaard heeft dat zij nooit is afgeweken van de voorschriften van de artsen en dat zij zich steeds strikt heeft gehouden aan hetgeen de arts voorschreef.

14. Uit dit alles volgt dat de rechtbank op het juiste gronden het verzoek van de man om de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw op nihil te stellen, op grond van vermeend wangedrag aan de zijde van de vrouw, heeft afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen. Om redenen als voormeld dient het subsidiaire verzoek van de man in hoger beroep te worden afgewezen.

15. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht vergt naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

16. Thans ligt ter beoordeling aan het hof voor het verzoek van de man om de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) te wijzigen, op grond van een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de vrouw. De man stelt in dit verband dat het inkomen van de vrouw in 2001 is verdubbeld. Voorts stelt hij dat zijn draagkracht geen partneralimentatie (meer) toelaat.

17. De vrouw heeft zijn stellingen gemotiveerd weersproken.

18. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft onbestreden gesteld dat haar inkomen thans bestaat uit:

- AOW-uitkering van € 834,78 netto per maand

- pensioenuitkering van € 22,99 netto per maand

totaal € 857,77 netto per maand

19. Daarnaast verdient de vrouw een bescheiden inkomen uit vrijwilligerswerk van € 1,18 per dag, gedurende acht dagen per maand.

20. De lasten van de vrouw bestaan uit:

- huur € 240,43 per maand

- ziektekosten € 76,27 per maand

21. Nu de vrouw slechts een inkomen op bijstandsniveau geniet, is het hof van oordeel dat aangenomen kan worden dat zij nog steeds behoefte heeft aan een bijdrage ten laste van de man. Een eventueel recht op zorg- en of huurtoeslag aan de zijde van de vrouw maakt dit oordeel niet anders.

22. Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt het hof als volgt. De man heeft een draagkrachtberekening overgelegd, ingekomen bij het hof op 17 februari 2006. De vrouw heeft deze berekening ter zitting gemotiveerd weersproken.

23. Het hof stelt vast dat de draagkrachtberekening van de man betrekking heeft op de periode vanaf 2006. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende inzage heeft gegeven in zijn draagkracht in de periode vóór 2006. Het hof ziet daarin aanleiding de draagkracht van de man beoordelen met ingang van 1 januari 2006. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat de man niet eerder dan in het kader van de onderhavige procedure, en voor het eerst pas in hoger beroep (waarbij zijn appelschrift bij het hof is ingekomen op 29 juli 2005), zich beroept op een gebrek aan de draagkracht. Het hof leidt daaruit af dat de man tot die tijd kennelijk in staat is geweest de partneralimentatie te betalen.

24. Het hof gaat ter zake van het inkomen van de man uit van een AOW-uitkering van € 881,08 netto per maand, te vermeerderen met de vakantietoeslag van € 44,05 per maand, nu de vrouw dit inkomen niet gemotiveerd heeft weersproken. Het hof houdt daarnaast rekening met de omstandigheid dat de man, zo volgt uit de door hem overgelegde stukken, recht heeft op een pensioenuitkering van € 674,30 netto per maand. Het hof stelt het inkomen van de man derhalve vast op totaal € 1.599,43 netto per maand.

25. Met betrekking tot de lasten van de man overweegt het hof als volgt. Het hof acht het redelijk rekening te houden met de kale huur van € 359,41 per maand. De servicekosten laat het hof buiten beschouwing, nu die geacht worden te zijn inbegrepen in de voor de man toepasselijke bijstandsnorm. Hoewel de man daarvan geen bewijsstukken heeft overgelegd, houdt het hof ook rekening met de ziektekosten van € 170,59 per maand, te verminderen met de zorgtoeslag van € 16,38 per maand, nu het hof dit bedrag redelijk voorkomt. De inboedelverzekering van € 12,50 per maand laat het hof buiten beschouwing, aangezien de man deze kosten niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. Met de kosten van thuiszorg van € 55,99 per maand houdt het hof evenmin rekening, nu de man niet heeft aangetoond dat hij deze kosten doorlopend heeft.

26. Uit het vorenstaande volgt dat de draagkracht van de man met ingang van 1 januari 2006 de destijds vastgestelde partneralimentatie onverminderd toelaat. Het hof is van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan deze bijdrage.

27. Het hof zal, gelet op het vorenstaande, hetgeen de man meer subsidiair heeft verzocht, afwijzen.

28. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de man verzoekt, de vrouw ter veroordelen in de proceskosten en zal dit verzoek dan ook afwijzen.

29. Dit alles leidt tot de volgende beslissing

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Dusamos en Labohm, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2011.