Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ7873

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
200.080.814-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van een zorg- en opvoedingsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 4 mei 2011

Zaaknummer : 200.080.814/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-8227

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. I. Aardoom-Fuchs te Gouda,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E.V.S. van Baarle te Utrecht.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

gevestigd te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 20 januari 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 november 2010 van de rechtbank 's-Gravenhage, bij het hof bekend onder zaaknummer 200.080.811/01, en heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 12 november 2010 ingediend.

De vader heeft op 31 maart 2011 een verweerschrift tegen het schorsingsverzoek ingediend.

Jeugdzorg heeft op 5 april 2011 een verweerschrift tegen het schorsingsverzoek ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 10 februari 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 16 februari 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 30 maart 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 5 april 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen,

van de zijde van de vader:

- op 8 april 2011 een brief van 6 april 2011 met bijlagen.

De zaak is op 13 april 2011 mondeling behandeld, doch uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw R. Bergsma en de heer M.A. Menzo, namens Jeugdzorg.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de minderjarige [minderjarige], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), na afronding van de begeleide omgangscontacten bij de vader zal zijn:

- om het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;

- elke woensdag na schooltijd tot 19.00 uur;

- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN

DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN

BESCHIKKING

1. In geschil is thans de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

2. De moeder verzoekt het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen in afwachting van de behandeling in hoger beroep.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het hof (naar het hof begrijpt:) het verzoek af te wijzen en de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4. Jeugdzorg bestrijdt het beroep eveneens en verzoekt het hof (naar het hof begrijpt:) het schorsingsverzoek van de moeder af te wijzen.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij niet bereid is mee te werken aan de zorg- en opvoedingsregeling, zoals deze thans is vastgesteld door de rechtbank. STEK heeft aangegeven de begeleiding van de contacten te stoppen waardoor de moeder geconfronteerd wordt met een situatie waarin er onbegeleid contact zal plaatsvinden tussen de vader en de minderjarige. De moeder is van mening dat hierdoor een noodtoestand ontstaat voor de minderjarige en dat zijn veiligheid dan niet kan worden gegarandeerd. De moeder stelt voorts dat de bestreden beschikking klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag nu er in het geheel geen psychiatrisch of psychologisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar de opvoedingskwaliteiten van de vader. Ook is onduidelijk - zo stelt de moeder - waar de vader thans verblijft.

6. De vader betwist uitdrukkelijk de noodzaak van de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. De door de moeder gestelde noodtoestand wordt door haar op geen enkele wijze onderbouwd. De moeder verwijst naar oude gegevens, welke niet ter zake doen. De moeder frustreert bewust de zorg- en opvoedingsregeling. Volgens de deskundigen is thans geen sprake van gedragsproblematiek bij de minderjarige en levert het contact met de vader geen gevaar op voor de minderjarige. Daarnaast is geen sprake van een juridische of feitelijke misslag nu er geen enkele aanleiding bestaat om aan te nemen dat de vader niet over de benodigde opvoedkwaliteiten of het pedagogisch inzicht zou beschikken of dat hij de lichamelijke of geestelijke integriteit van de minderjarige zou schaden. Hoewel de verblijfplaats van de vader in deze niet relevant is, stelt hij tijdelijk met zijn partner en hun beider kind bij zijn ouders in te wonen, waarvan de moeder op de hoogte is. De begeleide contacten hebben ook in de woning van de grootouders vaderszijde plaatsgevonden.

7. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een noodtoestand bij onbegeleide contacten tussen de minderjarige en de vader. Er zijn geen geobjectiveerde contra-indicaties voor onbegeleide contacten waargenomen. Voorts is geen sprake van een juridische of feitelijke misslag omdat geen psychologisch of psychiatrisch onderzoek is gedaan naar de opvoedkwaliteiten van de vader. Voor Jeugdzorg bestaat op dit moment geen enkele aanleiding om een dergelijk onderzoek van de vader te vragen. De contacten tussen de vader en de minderjarige verlopen goed en positief. De situatie ten aanzien van de verblijfplaats van de vader is bij Jeugdzorg bekend. De vader en zijn nieuwe partner zijn in afwachting van een eigen huis en wonen tijdelijk bij de ouders van de vader in. Op 4 maart 2011 is aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin de moeder is aangezegd dat Jeugdzorg verwacht dat de moeder de aanwijzingen van de gezinsvoogd naleeft en zij zich houdt aan de bezoekregeling zoals deze in de bestreden beschikking is vastgesteld.

8. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd

(i) de verzoeker moet belang hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging;

(ii) bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van de degene die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de door hem verkregen veroordeling direct ten uitvoer te leggen, en

(iii) bij deze belangenafweging dient de kans van slagen van het aangewende

rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing als hier bedoeld geldt ook, dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring.

9. Het belang van de moeder ligt hierin besloten dat zij, door geen uitvoering te geven aan de zorg- en opvoedingsregeling, de minderjarige beoogt te beschermen tegen de noodtoestand die voor de minderjarige zal ontstaan indien onbegeleide contacten tussen de vader en de minderjarige plaatsvinden. Het belang van de vader is daarin gelegen dat hij, in afwachting van de behandeling en de beslissing in de hoofdzaak in hoger beroep, het contact met de minderjarige behoudt.

10. De moeder heeft niet gesteld dat na de bestreden beslissing feiten en/of omstandigheden zijn opgekomen die rechtvaardigen dat van de bestreden beslissing ten aanzien van de uitvoerbaar bij vooraadverklaring wordt afgeweken.

11. Ook overigens is geen belang van de moeder bij schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking gesteld of gebleken dat zwaarder weegt dan het belang van de vader bij de uitvoerbaarheid daarvan. Jeugdzorg heeft in hoger beroep de problematiek van de minderjarige, mede bestaande uit een loyaliteitsconflict, erkend, doch heeft verklaard dat de oorzaak daarvan veeleer gezocht moet worden aan de zijde van de moeder. De moeder heeft daartoe een hulpaanbod gekregen, waarvan het hof onduidelijk is in hoeverre de moeder de door haar in dat kader gemaakte afspraken nakomt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de contacten tussen de minderjarige en de vader goed en positief verlopen en dat de minderjarige zelf ook om meer contact vraagt. Van de door de moeder gestelde noodtoestand is het hof niet gebleken. Mede gelet op de jonge leeftijd van de minderjarige is het voor een succesvolle zorg- en opvoedingsregeling van groot belang dat op een regelmatige basis contact blijft plaatsvinden tussen de vader en de minderjarige. Wanneer in afwachting van de behandeling en de beslissing in de hoofdzaak in hoger beroep dit contact wordt stopgezet, wordt het proces van contactherstel doorbroken, waardoor - indien in de hoofdzaak de contactregeling zou worden gehandhaafd - de uitvoering hiervan verder wordt bemoeilijkt.

12. Het hof is van oordeel dat het verzoek van de moeder daarom dient te worden afgewezen.

13. Het hof zal de beslissing over de proceskosten aanhouden tot in de bodemprocedure wordt beslist.

14. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING

Het hof:

wijst het verzoek van de moeder af;

houdt de beslissing omtrent de kosten aan tot de beslissing daarover in de bodemprocedure;

wijst af hetgeen terzake meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Mink en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

4 mei 2011.