Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6689

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
200.043.311-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX9020, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX9020
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

periode van verbeurden dwangsommen na opdracht van rechtbank om beslissing op bezwaar te nemen en na wederom vernietigde beslissing op bezwaar; schadevergoeding wegens schending redelijke termijn in vreemdelingenzaak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.043.311/01

Zaaknummer rechtbank : 322726 / HA ZA 08-3512

Arrest d.d. 24 mei 2011

inzake

[appellant],

wonende te [Woonplaats],

appellant in het principale hoger beroep,

geïntimeerde in het incidentele hoger beroep,

eiser in het incident,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.E. Groenenberg te Hoofddorp,

tegen

de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde in het principale hoger beroep,

appellant in het incidentele hoger beroep,

verweerder in het incident,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. J.P. Heinrich te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 8 september 2009 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 5 augustus 2009. Bij memorie van grieven met producties heeft hij vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft de Staat de grieven bestreden en zijnerzijds twee incidentele grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [appellant] deze grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen op 11 april 2011 de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat te Hoofddorp, en de Staat door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's Gravenhage, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] een incidentele conclusie inzake verzoek om toepassing artikel 843a Rv ingediend en heeft de Staat hierop bij een memorie van antwoord in het incident gereageerd. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 De door de rechtbank in het vonnis van 5 augustus 2009 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:

1.2 [appellant] is op [geboortedatum] geboren in het toenmalige Tsjecho-Slowakijke. In de jaren negentig is hij Nederland binnengekomen. Aanvankelijk had hij de Tsjechoslowaakse nationaliteit. Later is onduidelijkheid ontstaan over zijn nationaliteit.

1.3 Op 16 juli 2001 heeft [appellant] een verblijfsvergunning aangevraagd op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Daarna heeft hij verzocht om deze aanvraag tevens te beschouwen als een aanvraag voor verblijf als vreemdeling die Nederland buiten zijn schuld niet kan verlaten.

1.4 Na een klacht en bezwaar van [appellant] over het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag, heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) de aanvraag op 5 december 2003 afgewezen.

1.5 Op 16 december 2003 heeft [appellant] tegen de afwijzing bezwaar gemaakt.

1.6 Op 22 juni 2004 heeft de minister het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld.

1.7 Bij uitspraak van 21 juni 2005 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, (hierna: de rechtbank Haarlem) het beroep van [appellant] gegrond verklaard en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 16 december 2003.

1.8 Aangezien het nieuwe besluit uitbleef, heeft de rechtbank Haarlem bij uitspraak van 2 november 2005, verzonden op 4 november 2005, de minister opgedragen om binnen vier weken na de verzending van die uitspraak alsnog een besluit te nemen, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor elke dag dat de hiervoor bepaalde termijn wordt overschreden, tot en met de dag van bekendmaking van het besluit.

1.9 Bij beslissing op bezwaar van 28 november 2005 heeft de minister het bezwaarschrift wederom ongegrond verklaard. Deze beslissing heeft de minister echter op 20 januari 2006 weer ingetrokken.

1.10 Op 23 januari 2006 heeft [appellant] de onder 1.8 genoemde uitspraak van 2 november 2005 aan de minister doen betekenen een aanspraak gemaakt op onder meer een bedrag van € 13.000,- aan (volgens hem) verbeurde dwangsommen.

1.11 Bij beslissing op bezwaar van 7 april 2006 heeft de minister het bezwaarschrift van 16 december 2003 opnieuw ongegrond verklaard. Ook hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.12 Bij uitspraak van 13 april 2006 heeft de rechtbank Haarlem, die blijkbaar niet op de hoogte was van de zojuist genoemde beslissing op bezwaar van 7 april 2006, een beroep van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 16 december 2003 gegrond verklaard. Daarnaast heeft deze rechtbank bepaald dat indien de minister niet binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een beslissing op bezwaar heeft genomen, hij een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, tot en met de dag van bekendmaking van het besluit.

1.13 Op of omstreeks 14 april 2006 heeft de Staat € 20.018,71 aan [appellant] betaald, zijnde € 19.500,- (78 x € 250,-) aan verbeurde dwangsommen voor de periode van 78 dagen vanaf 23 januari 2006 (de dag waarop de uitspraak van 2 november 2005 is betekend) tot en met 10 april 2006 (de dag van bekendmaking van de beschikking van 7 april 2006), plus kosten.

1.14 Op 21 april 2006 heeft [appellant] de onder 1.12 genoemde uitspraak van 13 april 2006 aan de Staat doen betekenen.

1.15 Op 13 juni 2006 hebben de bevoegde autoriteiten van Slowakijke te kennen gegeven dat [appellant] de Slowaakse nationaliteit heeft.

1.16 Bij uitspraak van 5 juli 2007 heeft de rechtbank Haarlem het beroep van [appellant] tegen de beslissing op bezwaar van 7 april 2006 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] geen procesbelang meer zou hebben nu hij als Slowaaks onderdaan geen verblijfsvergunning nodig heeft. [appellant] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de ABRvS).

1.17 Bij uitspraak van 15 november 2007 heeft de ABRvS het hoger beroep gegrond verklaard en de zaak naar de rechtbank teruggewezen, omdat [appellant] belang zou kunnen hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep in verband met zijn (eventuele) naturalisatie.

1.18 Bij uitspraak van 15 mei 2008 heeft de rechtbank Haarlem het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 april 2006 vernietigd en de staatssecretaris van Justitie opgedragen een nieuw besluit te nemen op (blijkbaar) het bezwaarschrift van 16 december 2003.

1.19 Bij deurwaardersexploot van 29 mei 2008 heeft [appellant] de uitspraak van 15 mei 2008 aan de Staat doen betekenen en aanspraak gemaakt op onder meer een bedrag van € 387.500,- wegens (volgens hem) verbeurde dwangsommen.

1.20 Bij beslissing op bezwaar van 27 juni 2008 is het bezwaarschrift van 16 december 2003 opnieuw ongegrond verklaard. [appellant] heeft ook hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 28 januari 2009 heeft de rechtbank Haarlem het beroep afgewezen. Hiertegen heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij de ABRvS.

1.21 [appellant] is een bestuursrechtelijke procedure begonnen om een vergoeding te verkrijgen voor de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de lange duur van de hiervoor bedoelde procedures inzake de door hem gewenste verblijfsvergunning. Hij heeft die bestuursrechtelijke procedure echter ingetrokken. De bestuursrechter heeft zich niet inhoudelijk over het geschil uitgesproken.

2.1 In het onderhavige civiele geding heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd dat de Staat schadeplichtig is wegens onrechtmatig handelen jegens [appellant] en tevens dat de Staat gehouden is de verbeurde dwangsommen aan [appellant] te voldoen. [appellant] heeft aangevoerd dat de gevorderde schadevergoeding ziet op de immateriële schade als gevolg van de zeer lange duur van de onderhavige procedures (pas vierenhalf jaar na het indienen van bezwaar is een beslissing op bezwaar genomen, die ook daarna nog ter discussie stond). Ter zake van de dwangsommen geldt dat zij over de periode van 23 januari 2006 tot en met 10 april 2006 zijn voldaan, maar dat opnieuw een verplichting tot betaling van dwangsommen ontstond vanaf 10 april 2006, omdat de beslissing op bezwaar van 7 april 2006 door de uitspraak van 15 mei 2008 is vernietigd, aldus [appellant].

2.2 De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie gevorderd [appellant] te veroordelen tot (terug)betaling aan de Staat van € 7.000,-. Volgens de Staat heeft hij dit deel van de hiervoor onder 1.13 bedoelde dwangsommen onverschuldigd betaald, omdat de dwangsommen pas verschuldigd waren vanaf vier weken na de betekening van de uitspraak van 2 november 2005.

2.3 De rechtbank heeft in conventie de Staat veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 2.500,-, met rente, als vergoeding van de door [appellant] geleden immateriële schade in de periode van 16 december 2003 tot en met 28 januari 2009. De rechtbank overwoog hiertoe dat de redelijke termijn waarbinnen het geschil over de aanvraag van de verblijfsvergunning door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht diende te worden behandeld (in dit geval: drie jaar vanaf 16 december 2003) op het moment van de uitspraak van de rechtbank van 28 januari 2009 was overschreden met ruim twee jaar en één maand. De rechtbank heeft dit (ondanks dat de vordering slechts een verklaring voor recht inhield) doen leiden tot toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 2.500,- voor de periode van 16 december 2003 tot en met 28 januari 2009.

Ten aanzien van de gevorderde dwangsommen overwoog de rechtbank dat de minister met de beslissing op bezwaar van 7 april 2006 een besluit heeft genomen zoals de rechtbank Haarlem bij de uitspraak van 2 november 2005 had opgedragen en dat dit niet anders wordt doordat deze beslissing op bezwaar later is vernietigd, nu zowel naar de letter als in redelijkheid de gegeven opdracht niet inhield dat er een besluit moest worden genomen dat onvernietigbaar zou blijken te zijn. De rechtbank heeft overwogen dat dit onder zeer bijzondere omstandigheden anders zou kunnen zijn, waarbij te denken valt aan de situatie waarin een bestuursorgaan uitsluitend om het verbeuren van dwangsommen te voorkomen een inhoudelijk niet serieus te nemen besluit neemt, welke situatie zich hier volgens de rechtbank niet heeft voorgedaan.

2.4 De rechtbank heeft in reconventie de vordering van de Staat afgewezen. Hiertoe overwoog de rechtbank dat de termijn is gaan lopen vanaf de dag van verzending van het vonnis van 2 november 2005, omdat de rechtbank Haarlem had opgedragen om “binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit te nemen” en vonnissen van rechtswege werken.

3.1 Met zijn eerste en tweede grief komt [appellant] in hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staat geen dwangsommen verschuldigd is over de periode vanaf 10 april 2006 omdat hij met de beslissing op bezwaar van 7 april 2006 een besluit heeft genomen en dus heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank Haarlem in de uitspraak van 2 november 2005. [appellant] heeft in de toelichting op zijn eerste grief aangevoerd dat de beschikking op bezwaar van 7 april 2006 is vernietigd, zodat de rechtsgevolgen daarvan vernietigd zijn en de beschikking ingevolge artikel 8:72 Awb wordt geacht nooit te hebben bestaan. Hij heeft in de toelichting op zijn tweede grief betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat vanaf verzending van de uitspraak van 15 mei 2008 van de rechtbank Haarlem op 19 mei 2008, er geen sprake meer was van een beschikking op het bezwaarschrift, zodat in ieder geval over de periode van 19 mei 2008 tot en met 27 juni 2008 opnieuw dwangsommen verschuldigd werden.

3.2 Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat wanneer in een uitspraak op een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar de opdracht wordt gegeven tot het nemen van een besluit, aan deze opdracht is voldaan zodra de beslissing op het bezwaarschrift is genomen – behoudens zeer bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien een bestuursorgaan een inhoudelijk niet serieus te nemen besluit neemt uitsluitend om het verbeuren van dwangsommen te voorkomen (zie hieromtrent 4.1 t/m 4.11). – De inhoudelijke juistheid van de beslissing is voor de vraag of het besluit is genomen, niet van belang. Dat de rechtsgevolgen van het besluit later worden vernietigd, betekent evenmin dat het nemen van een besluit niet heeft plaatsgevonden of dat de dwangsommen alsnog weer verbeuren omdat ervan uitgegaan zou moeten worden dat nooit aan de opdracht in het vonnis is voldaan. Het blote feit van besluiten heeft immers wel plaatsgevonden. Net zoals bij intrekking van een besluit (vergelijk het arrest van dit hof van 24 augustus 2006, LJN: AY7014), leidt vernietiging van een besluit er dus in elk geval niet toe dat de dwangsommen alsnog met terugwerkende kracht over het verleden verbeurd zijn vanaf het moment van het nemen van het ingetrokken/vernietigde besluit tot aan de intrekking/vernietiging. Voor de toekomst, dat wil zeggen de periode vanaf de intrekking/vernietiging, bestaat er wel een verschil. Intrekking van een besluit door het bestuursorgaan zelf leidt ertoe dat het besluit vanaf dat moment niet meer bestaat zodat vanaf dan alsnog dwangsommen verbeurd worden totdat een nieuw besluit wordt genomen (vergelijk wederom voormeld arrest van 24 augustus 2006). Bij vernietiging van een besluit door de rechter is het echter ook aan die rechter om te bepalen of op straffe van verbeurte van een dwangsom binnen een bepaalde termijn een nieuw besluit moet worden genomen. De rechtbank Haarlem heeft in dit geval bij uitspraak van 15 mei 2008 aan de Staat opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift, met in achtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, en daaraan geen dwangsomverbeuring verbonden. Er is door die uitspraak dus niet opnieuw een termijn gaan lopen waarna wederom dwangsommen werden verbeurd. De eerste twee grieven zijn dus ongegrond.

4.1 Met zijn derde grief heeft [appellant] aangevoerd – kort gezegd – dat de rechtbank heeft miskend dat de Staat op 7 april 2006 niet een (serieus te nemen) besluit op het bezwaar heeft genomen. Volgens [appellant] heeft de Staat enkel ter voorkoming van het verbeuren van dwangsommen een besluit genomen, in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij gewezen op een telefoonnotitie van 14 maart 2006 waarin staat dat mevrouw [X], die 14 april terug is van vakantie, een zorgvuldige beslissing wil nemen op de aanvraag en dat het daarvoor noodzakelijk is om de uitkomsten van het onderzoek bij de Slowaakse autoriteiten af te wachten. Vast staat dat de uitkomsten van bedoeld onderzoek niet zijn afgewacht voordat de beslissing van 7 april 2006 is genomen. Bovendien is er een telefoonnotitie van een dag eerder, 6 april 2006, naar aanleiding van een zitting, in welke notitie is vermeld dat het dossier erg mager is. Nu de Staat zelf het noodzakelijk heeft gevonden om het onderzoek af te wachten alvorens een besluit te kunnen nemen, doch dit niet heeft afgewacht, is het besluit niet serieus te nemen, zo heeft [appellant] aangevoerd.

4.2 [appellant] heeft in de toelichting op zijn derde grief voorts aangevoerd dat hij de minuut behorend bij de beschikking van 7 april 2006 heeft opgevraagd teneinde inzicht te krijgen in de beweegredenen van de Staat om niet op de uitkomst van het onderzoek bij de Slowaakse ambassade te wachten. Hij heeft aangevoerd dat volgens hem in de minuut staat dat gewacht moet worden met het nemen van een beschikking op het bezwaarschrift totdat de uitkomst van het onderzoek van de Slowaakse ambassade bekend is en voorts dat de Staat vanwege de dreigende dwangsommen er voor heeft gekozen deze uitkomst niet af te wachten. Vervolgens heeft hij bij incidentele vordering een verzoek ingediend om de Staat te gelasten de minuut behorende bij de beschikking in de procedure in te brengen met toepassing van artikel 843a Rv en geconcludeerd dat het in de procedure brengen van de minuut van wezenlijk belang is voor het verdere verloop en de uitkomst van de onderhavige procedure.

De Staat heeft hiertegen ingebracht dat de incidentele vordering in deze procedure te laat is ingediend en ook op inhoudelijke gronden moet worden afgewezen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat in de minuut staat dat gewacht moet worden op de uitkomst van voornoemd onderzoek bij de Slowaakse ambassade. De inhoud van de minuut, zoals door [appellant] aangegeven, is dus bekend en staat tussen partijen niet ter discussie. De Staat heeft ook niet betwist dat desondanks op 7 april 2006 een besluit is genomen, omdat dit (op een andere grond) mogelijk was en daarmee het verbeuren van dwangsommen kon worden voorkomen. Dit betekent dat hetgeen [appellant] omtrent de vermoedelijke inhoud van de minuut heeft aangevoerd, tussen partijen vaststaat en niet (meer) met de minuut aangetoond hoeft te worden. Het hof gaat er daarom vanuit dat in de minuut staat dat op de uitkomst van het Slowaakse onderzoek moet worden gewacht en dat dit niet is gebeurd omdat de Staat eerder een beslissing wilde nemen. [appellant] heeft daarom geen rechtens te beschermen belang bij het in de procedure doen brengen van de minuut. De incidentele vordering zal worden afgewezen en [appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.

4.4 Gelet op het voorgaande kan het hof in het midden laten of de incidentele vordering te laat is ingesteld, zoals de Staat heeft aangevoerd.

4.5 Aangaande de met de derde grief opgeworpen vraag of in het kader van de in rechtsoverweging 3.2 weergegeven uitzondering sprake is van een al dan niet serieus te nemen besluit op bezwaar van 7 april 2006, overweegt het hof het volgende.

4.6 Het hof stelt dienaangaande voorop dat de Staat verplicht was om binnen vier weken na verzending van de uitspraak een besluit te nemen, nu de rechtbank dit op 2 november 2005 aan de Staat had opgedragen. De Staat mocht en moest er dus alles aan doen om binnen de door de rechtbank gestelde termijn – en als dat niet zou lukken: zo snel mogelijk – een besluit te nemen. De Staat behoorde te voorkomen dat hij (onnodig) dwangsommen zou verbeuren. De Staat was dan ook niet verplicht te wachten tot de behandelaar terug was van vakantie. Gelet op de opdracht van de rechtbank om binnen vier weken, althans zo snel mogelijk, te beslissen, lag het juist in de rede dat de unitmanager, die daartoe bevoegd was, zelf het bezwaar ging behandelen, te meer nu ook de advocaat van [appellant] (in een telefoongesprek van 15 november 2005) te kennen had gegeven dat hij niet wilde wachten maar snel een beschikking wilde hebben. Bovendien had [appellant] hangende het onderzoek van de Slowaakse autoriteiten een klacht ingediend bij de Nationale Ombudsman over het uitblijven van een beslissing op bezwaar, waarop de Staat aan de Nationale Ombudsman had toegezegd uiterlijk op 10 april 2006 een beslissing te nemen.

4.7 Tussen partijen is niet in geschil dat het onderzoek bij de Slowaakse autoriteiten niet op zodanig korte termijn zou zijn afgerond dat de Staat dit kon afwachten zonder de door de rechtbank gestelde termijn (verder) te overschrijden en dwangsommen te verbeuren en zonder afbreuk te doen aan voornoemde toezegging aan de Nationale Ombudsman. Reeds daarom mocht de Staat onderzoeken of er niet andere gronden waren waarop het besluit op bezwaar kon worden genomen, zodat het wellicht niet (meer) noodzakelijk was om het Slowaakse onderzoek af te wachten. Toen de Staat bemerkte dat [appellant] niet in aanmerking kon komen voor een verblijfsvergunning vanwege een grond die geheel onafhankelijk was van de uitkomst van het door de Slowaakse autoriteiten ingestelde onderzoek naar zijn nationaliteit, mocht de Staat de beslissing op bezwaar nemen (op die andere grond) zonder het Slowaakse onderzoek af te wachten.

Uit het besluit van 7 april 2006 blijkt dat de aangevraagde vergunning tot verblijf bij dat besluit is afgewezen vanwege het feit dat [appellant] bij vonnis van 23 november 2005 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete ter zake van een misdrijf. Deze veroordeling is niet betwist. De beslissing is, volgens het besluit zelf, genomen ingevolge hoofdstuk C2/8.4 van de Vreemdelingencirculaire in onderlinge samenhang met hoofdstuk B1/2.2.4.1 van de Vreemdelingencirculaire. Deze beslissing staat los van de nationaliteit waarnaar de Slowaakse autoriteiten onderzoek deden en voor dit besluit was het dus niet nodig of zinvol het door de Slowaakse autoriteiten ingesteld onderzoek af te wachten.

Omdat het besluit is genomen op een andere grond dan waartoe het onderzoek bij de Slowaakse autoriteiten kon dienen, hoefde de Staat ook niet in het besluit aan te geven waarom het niet meer nodig was de resultaten van dat onderzoek af te wachten; dit volgt immers uit het nemen van het besluit op de ander grond.

4.8 Anders dan [appellant] heeft aangevoerd heeft de Staat op 7 april 2006 niet een beschikking genomen welke slechts een standaardmotivering bevat zonder dat inhoudelijk op de feitelijke situatie van [appellant] is ingegaan. In het besluit heeft de Staat concreet aangegeven door welke rechter, wanneer en waarvoor [appellant] is veroordeeld en welke geldboete hem is opgelegd. Daarnaast is aangegeven op grond van welke regelgeving dit tot de conclusie leidt dat [appellant] niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Dat het besluit later is vernietigd omdat [appellant] niet de gelegenheid heeft gekregen tot wederhoor op het punt van de strafrechtelijke veroordeling als grond voor afwijzing, is geen grond te oordelen dat de Staat geen serieus te nemen besluit heeft genomen. Evenmin is dat laatste af te leiden uit de vaststelling van de rechtbank Haarlem op 13 april 2006 in overweging 2.7 dat de Staat in strijd heeft gehandeld met de uitspraak van 2 november 2005, nu de laatste behandeling van de zaak vóór die uitspraak, op 6 april 2006, plaatsvond en de rechtbank de beslissing op bezwaar van 7 april 2006 dus niet kon betrekken in de beoordeling. Ook de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 juni 2005, waarnaar [appellant] verwijst, duidt niet op een niet serieus te nemen besluit van 7 april 2006. Het besluit van 7 april 2006 berust immers op een grond die zich na de uitspraak van 21 juni 2005 heeft voorgedaan (een veroordeling op 23 november 2005).

4.9 Het hof volgt [appellant] evenmin in zijn betoog dat het in de rede lag om de dwangsom te laten opheffen of de termijn te laten opschorten, of om contact op te nemen met (de gemachtigde van) [appellant] om een regeling tegen (verder) verbeuren van dwangsommen te treffen. Dit lag niet in de rede, omdat de Staat voor het besluit van 7 april 2006 het Slowaakse onderzoek niet hoefde af te wachten en dus geen langere termijn nodig had.

4.10 [appellant] heeft voorts aangevoerd dat de Staat geen reëel besluit heeft genomen omdat hij eerder ook beslissingen heeft genomen enkel ter voorkoming van het verbeuren van dwangsommen. [appellant] heeft daartoe gewezen op de, later ingetrokken, beslissing van 28 november 2005 en op zijn bekendheid met andere gevallen waarin de Staat in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld teneinde het verbeuren van dwangsommen te voorkomen. Naar het oordeel van het hof kunnen andere besluiten – wat er ook zij van de stelling dat deze in strijd met het détournement de pouvoir beginsel zijn genomen – niet tot het oordeel leiden dat de Staat op 7 april 2006 geen besluit heeft genomen zoals hem was opgedragen in het vonnis van 2 november 2005. De Staat neemt immers vele besluiten. Dat daar mogelijk ook niet serieus te nemen besluiten tussen zitten, brengt niet met zich dat daarom ook het onderhavige besluit van 7 april 2006 niet serieus was.

4.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de derde grief ongegrond is.

5.1 De vierde grief van [appellant] is gericht tegen het toekennen van een bedrag aan schadevergoeding in plaats van de gevraagde verklaring voor recht te geven. Ter onderbouwing van zijn grief heeft [appellant] aangevoerd dat zijn doel weliswaar is om schadevergoeding te verkrijgen, maar dat hij toch door de toekenning van het bedrag is benadeeld, omdat de hoogte van het bedrag niet juist is. Volgens [appellant] is de rechtbank ten onrechte – in navolging van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) – uitgegaan van € 500,- per half jaar (€ 1.000,- per jaar), terwijl aanleiding is om aan [appellant] € 1.500,- per jaar toe te kennen – in navolging van onder meer het EHRM dat tussen de € 1.000,- en € 1.500,- per jaar toekent. Volgens [appellant] had hem minimaal € 3.750,- aan immateriële schadevergoeding moeten worden toegekend.

5.2 Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht aansluiting heeft gezocht bij de door de ABRvS voor de onderhavige immateriële schade toegekende bedragen. Het betreft hier immers een vreemdelingenprocedure, waarvoor de ABRvS de hoogste instantie is. Deze instantie heeft geoordeeld dat in het algemeen in dergelijke procedures een bedrag van € 500,- per half jaar als vergoeding voor de spanning en frustratie redelijk is. Bijzondere omstandigheden waardoor [appellant] meer (of minder) immateriële schade heeft geleden, zijn niet aangevoerd.

6.1 De vijfde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen in conventie over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld en daarom ieder de eigen kosten moeten dragen. Volgens [appellant] is hij geheel in het gelijk gesteld, omdat de vordering tot verklaring voor recht wegens onrechtmatig handelen wegens termijn overschrijding impliciet is toegewezen.

6.2 De grief is ongegrond. [appellant] heeft in eerste aanleg (en in hoger beroep) niet slechts geprocedeerd over een verklaring voor recht aangaande de termijnoverschrijding, maar hij heeft tevens geprocedeerd over het volgens [appellant] verbeurd zijn van dwangsommen die de Staat – blijkens de vordering in eerste aanleg – nog zou moeten voldoen. Voor dit deel van de procedure is [appellant] in het ongelijk gesteld.

7. Conclusie is dat alle grieven van [appellant] ongegrond zijn, zodat het principale hoger beroep faalt. [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten hiervan.

8.1 De eerste grief van de Staat in het incidenteel appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de termijn van vier weken die de rechtbank Haarlem in het vonnis van 2 november 2005 heeft gesteld om een besluit te nemen, waarna dwangsommen worden verbeurd, begint te lopen op de dag van verzending van de uitspraak en niet pas na de betekening van dat vonnis. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

8.2 De dwangsom die de rechtbank Haarlem heeft opgelegd is geregeld in de artikelen 611a tot en met 611i Rv (de regeling voor de door de rechter opgelegde dwangsom). Deze regeling berust op de Benelux-Overeenkomst houdende Eenvormige Wet betreffende de dwangsom van 26 november 1973 (Trb 1974, 6). Om een uniforme interpretatie van de regeling te waarborgen kan het Benelux Gerechtshof kennis nemen van vragen inzake de uitleg. Bij arrest van 25 juni 2002 (LJN: AG7754) heeft het Benelux Gerechtshof geoordeeld dat wanneer de rechter heeft bepaald dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal verbeuren, deze termijn pas ingaat op het moment van betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald. Dit betekent dat de Staat het vonnis van de rechtbank Haarlem weliswaar direct na bekend worden kon en behoorde uit te voeren, maar dat de dwangsom pas is verbeurd vanaf vier weken na betekening van het vonnis.

8.3 Tussen partijen is niet in geschil dat de uitspraak van 2 november 2005 op 23 januari 2006 aan de Staat is betekend en dat dus vanaf 20 februari 2004 dwangsommen zijn verbeurd tot en met 10 april 2006 (de datum waarop de beslissing op bezwaar van 7 april 2006 is verzonden). Evenmin is in geschil dat aldus € 12.500,- aan dwangsommen zijn verbeurd, terwijl de Staat € 19.500,- aan [appellant] heeft betaald. Dit betekent dat € 7.000,- onverschuldigd is betaald. Anders dan [appellant] naar voren heeft gebracht, betreft deze betaling geen besluit dat formele rechtskracht heeft gekregen en van de juistheid waarvan [appellant] mocht uitgaan. De Staat heeft het bedrag tijdig teruggevorderd. [appellant] is hierover de wettelijke rente verschuldigd met ingang van 17 december 2008, de datum waarop terugbetaling van dat bedrag in rechte is gevorderd.

De eerste incidentele grief is dus gegrond.

9. De tweede grief van de staat in het incidenteel hoger beroep is gericht tegen de afwijzing van de vordering van de Staat en de proceskostenveroordeling en volgt de eerste grief. Gelet op hetgeen ter zake van de eerste incidentele grief is overwogen, is ook deze grief gegrond.

10. De conclusie is dat het vonnis zal worden vernietigd voor zover in reconventie gewezen. [appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg voor zover in reconventie gemaakt. Hij moet tevens als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het incidentele hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

in de hoofdzaak:

- bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen;

- vernietigt het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan de Staat tegen kwijting te betalen € 7.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2008 tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot aan 5 augustus 2009 aan de zijde van de Staat begroot op nihil aan verschotten en € 904,- aan salaris van de advocaat, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de hoofdzaak , tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 313,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris van de advocaat, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

in het incident:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 894,- aan salaris;

in de hoofdzaak en in het incident:

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, A.E.A.M. van Waesberghe en E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2011 in aanwezigheid van de griffier.