Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6587

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-05-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
105.005.426/02, C06/1214 (oud)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geldvordering; gebrek aan onderbouwing door verweerder van de gestelde nadere afspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 105.005.426/02

Rolnummer (oud) : C06/1214

Zaak-/rolnummer rechtbank : 556878/06-2354

Arrest d.d. 10 mei 2011

inzake

1. BOKO HOLDING B.V., en

2. BOKO VASTGOED B.V.,

beide gevestigd te 's-Gravenhage,

appellanten,

hierna te noemen: Boko (vrouwelijk enkelvoud),

advocaat: mr. L.M. Bruins te 's-Gravenhage,

tegen

1. [huurder sub 1],

wonende te [Woonplaats], en

2. huurder sub 2,

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerden,

hierna te noemen: [de huurders],

advocaat: mr. M.D. Winter te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van dagvaarding van 29 augustus 2006 is Boko in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank 's Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 30 mei 2006. Op 28 september 2006 is de zaak aangebracht, waarna uiteindelijk op 28 april 2009 een memorie van grieven (met een grief) is genomen. Hierna is de zaak op 7 september 2010 ambtshalve geroyeerd. Later is de zaak is hervat. De memorie van antwoord is niet genomen. Terzake is akte niet-dienen verleend. Vervolgens heeft Boko de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het volgende staat tussen partijen vast.

(1.1) [de huurders] hebben als huurders/pachters met ingang van 12 juli 2002 van Boko als verhuurder/verpachter een huur/pacht-overeenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten ter zake van het – van een horecabestemming voorziene – pand aan [straatnaam] te [plaatsnaam].

(1.2) Op grond van artikel 25 van de overeenkomst hebben [de huurders] een waarborgsom van € 9.075,60 aan Boko betaald. Overeengekomen was dat Boko gehouden was deze waarborgsom bij beëindiging van de overeenkomst terug te betalen indien [de huurders] op dat moment ten volle aan hun uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen hadden voldaan.

(1.3) Met instemming van Boko is met ingang van 9 april 2004 [huurder 2] (hierna: huurder 2 of [huurder 2]) als huurder in de plaats getreden van [de huurders]. Hiervan is een akte van indeplaatsstelling en allonge (hierna ook: de akte) opgemaakt, die door Boko, [de huurders] en huurder 2 is ondertekend (productie 1 bij conclusie van repliek). In deze akte is in artikel 3, eerste zin, opgenomen:

“Uiterlijk op de datum van overdracht, te weten 9 april 2004, zal huurder 2 een waarborgsom ten bedrage van € 10.000,-- in handen van verhuurder stellen.”

2. [de huurders] hebben de door hen betaalde waarborgsom, met rente, van Boko teruggevorderd. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. De rechtbank heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende overwogen. (a) Door ondertekening van de akte is de overeenkomst tussen partijen beëindigd. (b) Gesteld noch gebleken is dat [de huurders] toen niet ten volle aan hun verplichtingen uit overeenkomst zouden hebben voldaan. (c) Blijkens artikel 3 van de akte zou juist [huurder 2] een waarborgsom van

€ 10.000,-- aan Boko betalen, terwijl [de huurders] geen schriftelijke kwijting hebben verleend, zoals door Boko gesteld. Het enkele feit dat [de huurders] bij de overdracht van de huur niet om terugbetaling van de waarborgsom hebben gevraagd, doet daar niet aan af.

3. Boko klaagt in hoger beroep over deze beslissing. Met name valt zij de hiervoor in rechtsoverweging 2 onder (c) weergegeven overweging van de rechtbank aan. Boko stelt daartoe:

(i) dat er ten tijde van de ondertekening van de akte nog een kwitantie door [de huurders] moest worden getekend inzake de afstand van de borg daar deze zou worden overgedragen aan de heer [huurder 2];

(ii) dat er tussen partijen wel degelijk een overeenkomst bestond over de kwijting met betrekking tot de terugbetaling van de waarborgsom, aangezien deze zou worden overgedragen aan de heer [huurder 2];

(iii) dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gaat dat [huurder 2] de borg niet heeft betaald;

(iv) dat [de huurders] bij het tekenen van de akte niet om de waarborgsom hebben verzocht;

(v) dat bij de huuroverdracht aan [de huurders] is verzocht een kwijting in de vorm van een akte van cessie te tekenen, zodat er geen borg meer zou kunnen worden teruggeëist. De akte van cessie is weliswaar niet getekend, maar dit laat onverlet dat partijen dit mondeling zijn overeengekomen. Boko hebben hier in eerste aanleg ook bewijs van aangeboden, hetgeen ten onrechte door de rechtbank is genegeerd.

Boko biedt in hoger beroep wederom bewijs aan.

4. Het hof stelt het volgende voorop. De overwegingen van de rechtbank, zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 2 onder (a) en (b), zijn niet bestreden, zodat hier thans van zal worden uitgegaan. Dit betekent dat [de huurders] in beginsel, en wel op grond van artikel 25 van de overeenkomst van 12 juli 2002, aanspraak hebben op terugbetaling van de waarborgsom door Boko.

5. Boko stelt echter dat bij de huuroverdracht in 2004 op dit punt een nadere afspraak is gemaakt, die naar het hof begrijpt inhoudt dat de door [de huurders] betaalde waarborgsom zou worden “doorgeschoven” naar [huurder 2], zodat Boko deze niet hoeft terug te betalen aan [de huurders]. [de huurders] hebben het bestaan van deze nadere afspraak, onder meer met verwijzing naar de akte van indeplaatsstelling, gemotiveerd betwist (bij conclusie van repliek).

Boko is niet ingegaan op deze andersluidende bepaling 3 in de akte, waar [de huurders] zich op beroepen en waar de rechtbank consequenties aan heeft verbonden. Ten minste had mogen worden gevergd dat Boko had uitgelegd waarom deze bepaling in de (door alle betrokkenen getekende) akte is opgenomen ondanks de door Boko gestelde afwijkende afspraak. Ook had van haar mogen worden gevergd dat zij had uitgelegd waarom [de huurders] toen niet voor kwijting hebben getekend, hoewel [de huurders] volgens Boko wél mondeling met de door haar gestelde nadere afspraak hadden ingestemd.

Het komt er dus op neer dat Boko haar stelling, dat een nadere afspraak is gemaakt, in het licht van de vaststaande feiten en weren onvoldoende heeft onderbouwd, zodat daaraan voorbij gegaan zal worden. Voor bewijslevering daaromtrent als door Boko aangeboden, is dan ook geen plaats.

6. De slotsom is dat de grief van Boko faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Hierbij past een proceskostenveroordeling ten laste van Boko.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden gewezen vonnis;

- veroordeelt Boko in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde [de huurders] tot op heden begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, A.V. van den Berg en H.J.H. van Meegen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 mei 2011 in aanwezigheid van de griffier.