Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6582

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
105.005.796-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vervolg op 21 juli 2010, bewijslevering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2012/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.005.796/01

Rolnummer (oud) : 06/1585

Rolnummer rechtbank : 05-736

arrest van de achtste civiele kamer d.d. 15 maart 2011

inzake

[de chauffeur],

wonende te [Woonplaats], gemeente [X],

appellant in het principaal beroep,

verweerder in het (voorwaardelijk) incidenteel beroep van geïntimeerde sub 2,

hierna te noemen: [de chauffeur],

advocaat: mr. M.L. Kleyn te ’s-Gravenhage,

tegen

1. Zeelandia H.J. Doeleman B.V.

gevestigd te Zierikzee,gemeente Schouwen-Duiveland,

geïntimeerde in het principaal beroep ,

hierna te noemen: Zeelandia,

advocaat: mr. A.E. Versteegh te Rotterdam,

2. [E] Hallum B.V.,

gevestigd te Hallum, gemeente Ferwerderadiel,

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellante in het (voorwaardelijk) incidenteel beroep,

hierna te noemen: [E],

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij tussenarrest van 21 juli 2009 is een comparitie van partijen gelast tussen [de chauffeur] en [E]. Die comparitie heeft op 19 oktober 2009 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Bij gelegenheid van de comparitie is aan [de chauffeur] een bewijsopdracht verstrekt. Op 22 februari 2010, 13 april 2010 en 8 juni 2010 hebben getuigenverhoren plaatsgevonden. [de chauffeur] heeft aansluitend een memorie na enquête genomen (met producties), waarop [E] heeft gereageerd bij antwoordmemorie na enquête (met producties). Vervolgens hebben partijen de stukken gefourneerd en arrest gevraagd. De antwoordmemorie na enquête ontbreekt in het dossier van [de chauffeur].

Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep (vervolg)

1. [de chauffeur] is toegelaten te bewijzen: (i) dat hij op 3 oktober 2000 bij zijn bezoek aan [E] zich heeft verstapt in de laadkuil van [E], en (ii) dat aan de kant van de vrachtwagen waar [de chauffeur] is uitgestapt zich klinkers en/of stelconplaten bevonden die in een voor de veiligheid relevante mate waren verzakt.

2. Als getuigen zijn gehoord [de chauffeur] zelve, de heer [A] (oud-collega van [de chauffeur]), de heer [de zoon] (zoon van [de chauffeur]), de heer [B] (voormalig (waarnemend) planner bij Zeelandia), de heer [C] (oud-collega van [de chauffeur]), de heer [D] (magazijnbeheerder bij voorheen De Graafs Bakkerij te Bunschoten), de heer [E] (directeur van [E]), de heer [F] (magazijnmedewerker bij [E]), de heer S. [G] (heftruckchauffeur bij [E]).

3. Het hof acht bewezen dat [de chauffeur] zich op 3 oktober 2000 bij zijn bezoek aan [E] letsel heeft opgelopen aan een voet, en baseert dit oordeel op het volgende.

3.1 Niet in geschil is dat [de chauffeur] op 3 oktober 2000 een bezoek heeft gebracht aan [E] en zich op diezelfde dag bij achtereenvolgens De Graafs Bakkerij te Bunschoten, een huisarts te Bunschoten en een ziekenhuis te Baarn heeft vervoegd.

3.2 Getuige [D] heeft verklaard dat [de chauffeur] bij De Graafs Bakkerij een levering kwam brengen en toen strompelend binnenkwam. Volgens [D] zei [de chauffeur] toen dat hij gestruikeld was of zich had verstapt over een oneffenheid. [D] verklaarde voorts dat hij de wagen van [de chauffeur] samen met hem heeft gelost, dat het op een gegeven moment niet meer ging en dat hij [de chauffeur] toen met de auto van zijn leidinggevende (bij De Graafs Bakkerij) naar een huisarts te Bunschoten heeft gebracht en vervolgens naar een ziekenhuis in Baarn alwaar foto’s zijn gemaakt. Deze door [D] verklaarde gang van zaken is in overeenstemming met wat [de chauffeur] daarover heeft verklaard.

3.3 Dat [de chauffeur] letsel aan zijn voet had toen hij zich bij De Graafs Bakkerij te Bunschoten bevond, vindt tevens steun in de verklaring van getuige [C], die door Zeelandia was gestuurd om de wagen van [de chauffeur] op te halen. Deze verklaarde dat hij [de chauffeur] aantrof met een hele dikke voet en het hem toen duidelijk was dat [de chauffeur] niet meer kon rijden.

3.4 Het hof leidt uit het voorgaande af dat [de chauffeur] op 3 oktober 2000 letsel heeft opgelopen aan een voet.

3.5 Getuige [B] heeft verklaard dat hij op 3 oktober 2000 als planner bij Zeelandia inviel. Volgens [B] heeft hij die dag twee of drie keer gebeld met [de chauffeur], die vertelde dat hem een ongeval was overkomen bij [E]. [B] kan zich niet precies herinneren wat [de chauffeur] over het ongeval heeft gezegd; het was iets met zijn been of enkel. [B] heeft voorts verklaard dat hij dat hij zich goed kan herinneren dat de eerste keer dat hij [de chauffeur] die dag telefonisch sprak, deze bij [E] was. Het hof ziet geen reden om aan de geloofwaardigheid van getuige [B] te twijfelen.

3.6 Dat [de chauffeur] voorafgaand aan het bezoek aan [E] letsel aan een voet had, is gesteld noch gebleken.

3.7 Getuigen [de zoon], [C]en [D] verklaren allen dat [de chauffeur] hen die dag heeft gezegd dat hij bij [E] ten val was gekomen.

3.8 Het hof leidt uit het voorgaande af dat [de chauffeur] op 3 oktober 2000 bij [E] (op enigerlei wijze) letsel heeft opgelopen aan een voet. Daaraan doet niet af dat geen der getuigen heeft verklaard te hebben gezien dat [de chauffeur] bij [E] ten val is gekomen.

4. Ondanks het voorgaande is het hof van oordeel dat [de chauffeur] er niet in is geslaagd het opgedragen bewijs te leveren, nu niet is komen vast te staan dat aan de kant van de vrachtwagen waar [de chauffeur] is uitgestapt zich klinkers bevonden die in een voor de veiligheid relevante mate waren verzakt. Dit geldt ook als het ervoor wordt gehouden dat [de chauffeur] uit de vrachtwagen is gestapt en in de laadkuil is gevallen, op de wijze zoals door hem is verklaard en gesteld, en door [E] gemotiveerd is betwist. Het hof baseert dit oordeel op het navolgende.

4.1. [de chauffeur] stelt de door hem bestuurde vrachtwagen te hebben geparkeerd voor “deur 2”, dat wil zeggen op de tweede rijstrook van rechts, als zichtbaar op de foto, overgelegd als productie 4 bij conclusie van dupliek. Volgens [de chauffeur] is hij uitgestapt aan de bestuurderszijde van de vrachtwagen (dus aan de rechterzijde van de strook), en is hij ook aan die kant van de vrachtwagen gebleven. [de chauffeur] heeft verklaard één hooguit twee stappen richting laadperron te hebben gezet toen hij in de (afwaterings)goot van de laadkuil is gevallen. Te beoordelen is dan of ter plaatse sprake is van een verzakking van klinkers en/of stelconplaten die in een voor de veiligheid relevante mate waren verzakt.

4.2. [de chauffeur] handhaaft zijn stelling dat hij in de goot is gestruikeld over ongelijk liggende klinkers. Daarmee is voor de beoordeling niet (langer) relevant of hij mogelijk over ongelijkliggende stelconplaten is gestruikeld.

4.3. Uit de overgelegde foto’s is niet af te leiden dat er zich klinkers in de goot bevonden op het gedeelte van de laadkuil waar [de chauffeur] zich heeft begeven. [E] heeft bij conclusie van dupliek onderbouwd dat de door [de chauffeur] op 5 augustus 2005 gemaakte foto’s van verzakte klinkers zien op andere plekken dan die waar [de chauffeur] zich heeft begeven. Dit is door [de chauffeur] (in eerste aanleg) bij akte erkend.

4.4. Dat de goot ten tijde van de gestelde valpartij wel was gevuld met klinkers is niet gebleken. Volgens [de chauffeur] is de goot na 3 oktober 2000 aangepast zodat de foto’s van 5 augustus 2005 een ander beeld geven dan ten tijde van de val feitelijk het geval was. [E] heeft betwist dat de goot op de relevante plek op enig moment was gevuld met klinkers en evenzeer dat de goot voor 5 augustus 2005 is aangepast; [E] stelt dat er niet eerder dan in 2009 enkele aanpassingen van de goot hebben plaatsgevonden. Die betwisting vindt steun in de verklaringen van de getuigen [E] en [F]. Enige contra-indicatie is niet gebleken. Overigens, ook als de goot op 3 oktober 2000 was gevuld met ongelijk liggende klinkers, is niet aangetoond dat er alstoen sprake was een voor de veiligheid relevante mate van verzakking.

5. [de chauffeur] heeft ook nog een beroep gedaan op de schriftelijke verklaring

d.d. 29 juli 2010 van zijn advocaat, mr. R.A.A. Maat, die (eerst) is overgelegd bij memorie na enquête. Die verklaring leidt echter niet tot een ander oordeel. Mr Maat zegt in zijn verklaring dat hij op 5 augustus 2005 zelf heeft waargenomen dat er “ter hoogte van het laagst gelegen deel in de laadkuil, kleinere stelconplaten lagen, klinkers en een goot en dat er ter plekke oneffenheden bestonden in de te belopen oppervlakten” en dat er door hem “oneffenheden zijn geconstateerd tot maximaal circa acht centimeter, zowel tussen de stelconplaten onderling, als tussen de stelconplaten en de aanliggende klinkers”. Mr. Maat verklaart voorts dat van genoemde ongelijkheden de foto’s zijn gemaakt welke als productie 10 bij conclusie van repliek in het geding zijn gebracht. Echter, laatstbedoelde foto’s zien niet op de kant van de vrachtwagen waar [de chauffeur] volgens eigen zeggen is uitgestapt en gevallen (zie hiervoor sub 4.1 en 4.2).

6. Uit het voorgaande volgt dat de principale grieven falen, althans niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het principaal hoger beroep faalt en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De incidentele grief van [E] behoeft om die reden geen verdere behandeling. Bij deze stand van zaken past dat [de chauffeur] in de kosten van het principaal hoger beroep, gevallen aan de zijde van Zeelandia en [E], wordt veroordeeld. Het hof ziet geen aanleiding een veroordeling in de kosten van het incidenteel hoger beroep uit te spreken. De proceskostenveroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard nu dit is gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Zierikzee van 12 september 2006;

- veroordeelt [de chauffeur] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van Zeelandia tot op heden begroot op € 248,-- aan griffierecht en € 3.263,-- aan salaris advocaat ;

- veroordeelt [de chauffeur] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van [E] tot op heden begroot op € 248,-- aan griffierecht en € 14.683,50 aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, M.J. van der Ven en J.W. van Rijkom en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2011 in aanwezigheid van de griffier.