Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6330

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
22-003812-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX6903, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX6903
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een vriend, haar dochter en dier vriend schuldig gemaakt aan de moord op haar echtgenoot, door hem, na een zorgvuldige planning en voorbereiding, in zijn eigen huis, in zijn eigen bed, met een hakbijltje de hals door te slaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003812-08

Parketnummer: 09-754007-07

Datum uitspraak: 26 mei 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juli 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[medeverdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] (Vietnam) op [geboortedag] 1962,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Amerswiel te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 26 oktober 2009, 1 februari 2010, 22 februari 2010, 1 maart 2010, 12 april 2010, 31 mei 2010, 10 juni 2010, 12 augustus 2010, 28 oktober 2010, 11 november 2010,

8 december 2010, 24 februari 2011, 28 april 2011, 2 mei 2011 en 12 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de [medeverdachte 1] naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de [medeverdachte 1] ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren, met aftrek van voorarrest; voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de [medeverdachte 1] is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de [medeverdachte 1] is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 06 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben [medeverdachte 1] en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s), althans één of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), op/tegen de hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en/of een klievende verwonding in de hals/keel van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 06 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s), althans één of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), op/tegen de hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en/of een klievende verwonding in de hals/keel van die [slachtoffer]aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer]is overleden,

welk bovenomschreven strafbaar feit [medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 6 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente] en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of elders in Nederland door gift(en)/belofte(n)/misbruik van gezag/geweld/bedreiging of misleiding/het verschaffen van gelegenheid-middelen-inlichten, opzettelijk heeft uitgelokt, door

- die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] (meermalen) te zeggen dat zij, [medeverdachte 1], door die [slachtoffer]mishandeld werd en/of dat die [slachtoffer]gedood moest worden omdat zij, [medeverdachte 1] anders zelf dood zou gaan, althans dat zij [medeverdachte 1] bang was om door die [slachtoffer] gedood te worden en/of - die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] te vragen om haar, [medeverdachte 1] te helpen en/of die [slachtoffer] voor haar, [medeverdachte 1], te doden en/of

- tijdens één of meer bijeenkomst(en) met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] het doden van die [slachtoffer] te beramen en/of

- die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] uit te leggen doe die [slachtoffer] gedood kon worden en/of tegen die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] te zeggen dat de gedragen kleding bij het doden van die [slachtoffer] weggegooid moest worden en/of dat bij het doden van die [slachtoffer] handschoenen gedragen moesten worden en/of dat geen DNA achtergelaten mocht worden en/of

- met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] naar Toko/winkel te gaan, teneinde een of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s) aan te schaffen, althans die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] een of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s) ter beschikking te stellen, wetende van het voornemen om die [slachtoffer](daarmee) te doden;

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 06 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s), althans één of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), op/tegen de hals/keel van die [slachtoffer]geslagen en/of een klievende verwonding in de hals/keel van die [slachtoffer]aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer]is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf [medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 6 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente] en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door

- die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] te vragen om haar, [medeverdachte 1] te helpen en/of die [slachtoffer]voor haar, [medeverdachte 1], te doden en/of

- tegen die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] te zeggen dat [slachtoffer] dood moest omdat zij, [medeverdachte 1], anders zelf dood zou gaan en/of die [medeverdachte 2] uit te leggen hoe [slachtoffer] gedood kon worden en/of tegen die [medeverdachte 2] te zeggen dat de gedragen kleding bij het doden van die [slachtoffer] weggegooid moest worden en/of dat bij het doden van die [slachtoffer] handschoenen gedragen moesten worden en/of dat geen DNA achtergelaten mocht worden

- tijdens één of meer bijeenkomst(en) met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] het doden van die [slachtoffer]te beramen en/of

- met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] naar Toko/winkel te gaan, teneinde een of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s) aan te schaffen, althans die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] een of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s) ter beschikking te stellen, wetende van het voornemen om die [slachtoffer] (daarmee) te doden en/of

- met een mes, althans een scherp voorwerp, in/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestoken/geprikt/geslagen en/of

- een tas/zak met daarin de mes(sen) en/of hakbijltje(s) en/of kleding (die bij het doden van [slachtoffer] gedragen/gebruikt was/waren) van de plaats van het misdrijf naar elders te vervoeren en/of weg te maken door deze in/nabij een kanaal, althans in/nabij een hoeveelheid water, te gooien en/of

- na te laten die [slachtoffer] en/of de politie en/of een of meer ander(en) op de hoogte te brengen en/of te waarschuwen voor het voornemen om die [slachtoffer] te doden en/of

- niet te beletten dat die [slachtoffer] gedood werd;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet in alle opzichten verenigt.

Verweren van de verdediging

De raadsman van de [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 april 2011 aangevoerd dat - kort gezegd - alle door de [medeverdachte 1] ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu de [medeverdachte 1] bij het afleggen van deze verklaringen niet is bijgestaan door een tolk in de Vietnamese taal en zij de Nederlandse taal niet voldoende beheerst. Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat de toenmalige raadsman van de [medeverdachte 1] in de gelegenheid had moeten worden gesteld om bij de politieverhoren van zijn cliënte aanwezig te zijn. Nu dit niet is gebeurd, is er sprake van een ernstig vormverzuim.

Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat de door de [medeverdachte 2] op 8 februari 2007 en 15 februari 2007 tegenover de politie afgelegde verklaringen dermate leugenachtig zijn dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Verklaringen van de [medeverdachte 1]

Gelet op de ten tijde van bedoelde verhoren vigerende Richtlijn tolkenbijstand opsporings-onderzoek strafzaken van het College van procureurs-generaal, d.d. 11 juni 1996, in werking getreden op 1 september 1996 (Staatscourant 1196, nr. 168 / pag. 8), beoordeelt in eerste instantie de verbaliserende ambtenaar of de [medeverdachte 1] de Nederlandse taal al dan niet (voldoende) beheerst. Zo niet, dan beslist hij of het verhoor in een andere taal of met behulp van een tolk wordt afgenomen. Bij twijfel of verschil van mening met de [medeverdachte 1], neemt de opsporingsambtenaar contact op met de (hulp)officier van justitie, die dan ter zake beslist.

De [medeverdachte 1] verblijft blijkens de zich in het dossier bevindende stukken sinds 1988 in Nederland. Op grond van de zich in het dossier bevindende verbatim uitgewerkte verhoren van de door de [medeverdachte 1] tegenover de politie op 7 februari 2007, 8 februari 2007, 13 februari 2007 en 20 maart 2007 afgelegde verklaringen kan geconstateerd worden dat de [medeverdachte 1] tijdens die verhoren gebroken, doch voldoende begrijpelijk Nederlands sprak. Bovendien heeft de [medeverdachte 1] tijdens bedoelde verhoren steeds aangegeven dat zij de verbalisanten begreep en heeft zij na duidelijke voorlezing volhard in haar verklaringen en deze telkens ondertekend. Dat zij de gestelde vragen dan wel de door de verbalisanten gegeven samenvattingen van haar verklaringen niet of onvoldoende begreep, is gebleken noch aannemelijk geworden.

Het hof acht het kennelijk oordeel van de verbalisanten dat de [medeverdachte 1] de Nederlandse taal voldoende beheerst dan ook niet ongegrond of onbegrijpelijk. Aldus is er dan ook geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor de desbetreffende verklaringen van het (eventuele) bewijs zouden dienen te worden uitgesloten; ook overigens is er geen grond voor eventuele bewijsuitsluiting van deze verklaringen.

De stelling van de verdediging dat er door de desbetreffende verbalisanten aan de [medeverdachte 1] 'sturende vragen' zouden zijn gesteld, mist naar 's hofs oordeel feitelijke grondslag en vindt zijn weerlegging in de verbatim neerslag van de verhoren, waaruit blijkt dat de [medeverdachte 1] herhaaldelijk uitgebreid en spontaan heeft verklaard. De stelling van de raadsman dat de op pagina 88 van het uitgewerkte verhoor van de [medeverdachte 1] van 7 februari 2007 weergegeven samenvatting geen directe bevestiging vindt in de eerdere antwoorden van de [medeverdachte 1], snijdt naar 's hofs oordeel geen hout; zij vindt haar weerlegging in hetgeen staat vermeld op de voorafgaande 87 pagina's en in de omstandigheid dat de [medeverdachte 1] met het antwoord 'ja' de juistheid van de haar voorgehouden samenvatting heeft bevestigd.

Voorts merkt het hof op dat hoewel de zin 'Daarna hebben wij afgesproken om op 05 januari 2007 [slachtoffer] geprobeerd dood te maken' (pagina 3734-3735 van het dossier) niet te horen is geweest op de ter terechtzitting afgespeelde CD-rom, dit niet betekent dat deze verklaring van de [medeverdachte 1] voor de betreffende verbalisanten niet duidelijk danwel verstaanbaar is geweest. Overigens valt genoemde verklaring van de [medeverdachte 1] wel als zodanig af te leiden uit de verbatim uitwerking van bedoeld verhoor.

Tenslotte benadrukt het hof als hiervoor al overwogen dat de [medeverdachte 1] steeds na duidelijke voorlezing van haar verklaringen, zoals neergelegd in de niet verbatim opgemaakte processen-verbaal van verhoor, bij die verklaringen heeft volhard en deze heeft ondertekend.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en beslist dat alle door de [medeverdachte 1] tegenover de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebezigd, evenals de verbatim uitwerking van een aantal van die verhoren.

Het hof stelt vast dat ook overigens niet is gebleken van een naar de strekking onjuiste weergave van de politieverhoren van de [medeverdachte 1] in de processen-verbaal van verhoor.

Rechtsbijstand bij politieverhoor

De stelling van de raadsman dat de verdediging geïnformeerd diende te worden over de plaats en tijdstippen van de politieverhoren van de [medeverdachte 1], vindt naar 's hofs oordeel geen steun in het recht.

Het hof wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 30 juni 2009, waarin is bepaald dat uit de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008 (Salduz/Turkije), niet kan worden afgeleid dat een [medeverdachte 1] recht heeft op aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.

Het hof verwerpt dan ook dit verweer.

Verklaringen van de [medeverdachte 2]

Het hof is op grond van de zich in het dossier bevindende stukken alsmede het verhandelde ter terechtzittingen in hoger beroep, van oordeel dat de door de mede[medeverdachte 1] M. [medeverdachte 2] op 8 februari 2007 en 15 februari 2007 bij de politie afgelegde verklaringen kunnen worden aangemerkt als op hoofdlijnen consistent en op essentiële punten strokend met de overige bewijsmiddelen, zodat het hof deze betrouwbaar acht. Deze verklaringen kunnen naar

's hofs oordeel dan ook voor het bewijs worden gebezigd.

Het hof verwerpt het verweer.

Vaststelling van de feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 10 juli 2008 ten aanzien van het primair tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld, waarbij het hof zich op basis van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep als onder weergegeven grotendeels aansluit:

De [medeverdachte 1] is in 2004 met het slachtoffer in deze zaak, in het huwelijk getreden. Beiden hadden op dat moment al kinderen uit een eerder huwelijk. Aan de zijde van [medeverdachte 1] waren dat de [medeverdachte 3], haar dochter [dochter medeverdachte 1] en haar zoon [zoon medeverdachte 1]. Aan de zijde van [slachtoffer] waren dat zijn dochter [dochter slachtoffer] en zijn zoon [zoon slachtoffer]. In mei 2006 hebben [medeverdachte 1] en [slachtoffer] gezamenlijk een kind gekregen, [zoon medeverdachte 1 en slachtoffer]. Eind 2005 hebben [medeverdachte 1] en [slachtoffer] met hun kinderen de woning aan [adres] in [plaatsnaam] betrokken. In november 2006 is de Poolse vriend van [medeverdachte 3] - [medeverdachte 2] - bij het gezin ingetrokken.

Enkele weken voor het einde van 2006 heeft [medeverdachte 1] besloten om van [slachtoffer] te scheiden. Zij heeft toen met hun zoontje de echtelijke woning verlaten en is in Amsterdam gaan wonen. [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [zoon van medeverdachte 1] zijn bij [slachtoffer] in [plaatsnaam] blijven wonen. De jongste dochter van [medeverdachte 1], [dochter van medeverdachte 1], is rond die tijd in een studentenwoning in Hoofddorp gaan wonen.

[medeverdachte 1] was ervan overtuigd dat [slachtoffer] alles in het werk zou stellen om ervoor te zorgen dat zij niet zonder problemen het ouderlijke gezag over [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer] zou kunnen uitoefenen.

Op 31 december 2006 is [medeverdachte 1] naar [plaatsnaam] gekomen om daar met haar kinderen oud en nieuw te vieren. Kort na haar aankomst is een ruzie met [slachtoffer] ontstaan. Later die avond heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Tijdens dit gesprek heeft [medeverdachte 1] gezegd dat [slachtoffer] dood moest. Zij heeft daarbij aan [medeverdachte 2] om hulp gevraagd. [medeverdachte 2] heeft meteen te kennen gegeven haar hiermee te willen helpen. Dit gesprek is door [medeverdachte 3] vertaald, omdat [medeverdachte 2], behalve Pools, alleen Engels sprak. Afgesproken is toen dat [slachtoffer] op vrijdag 5 januari 2007 om het leven zou worden gebracht.

Op 1 januari 2007 heeft [medeverdachte 1] met de [medeverdachte 4] besproken dat [medeverdachte 2] haar wilde helpen [slachtoffer] van het leven te beroven. [medeverdachte 4] heeft toen gezegd dat het goed was, dat zij een keuze moest maken tussen zij dood of [slachtoffer] dood en dat ook hij haar zou helpen. [medeverdachte 1] heeft vervolgens met [medeverdachte 4] besproken hoe zij haar man zouden kunnen ombrengen. [medeverdachte 4] heeft toen geadviseerd dit met een pistool of een mes te doen. [medeverdachte 1] vond een pistool echter geen optie, aangezien zij daarvoor geen geld had en ook niet wist hoe zij aan een pistool zou kunnen komen. [medeverdachte 4] wist precies hoe het gedaan moest worden en hoe de politie met DNA zou omgaan. [medeverdachte 1] heeft hierna aan [medeverdachte 3] verteld dat [medeverdachte 4] bereid was haar te helpen.

Op 2 januari 2007 zijn [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] naar een toko in Amsterdam gegaan. In deze toko heeft [medeverdachte 1] twee messen gekocht met het doel [slachtoffer] hiermee te doden. De verkoopster heeft verklaard dat [medeverdachte 1] bij die gelegenheid vertelde dat ze door haar man werd mishandeld en zich met de messen tegen hem wilde verdedigen. [medeverdachte 4] is buiten in zijn auto blijven wachten en toen [medeverdachte 1] weer bij de auto terug was, heeft zij tegen [medeverdachte 4] gezegd dat zij een mes had gekocht. [medeverdachte 4] heeft toen gezegd dat het goed was en dat hij haar zou helpen.

Na het bezoek aan de toko is het gezelschap naar de woning van [dochter van medeverdachte 1] in Hoofddorp gegaan. [medeverdachte 4] heeft in die woning het grootste van de twee messen (een Chinees hakmes/bijltje) vastgehouden en tegen [medeverdachte 1] gezegd dat zij dit mes aan [medeverdachte 2] moest geven. In de woning is vervolgens het plan om [slachtoffer] te doden nader vormgegeven; het plan zou zoals eerder besproken op vrijdag 5 januari 2007 worden uitgevoerd. Met betrekking tot de vraag hoe en op welk moment [slachtoffer] het beste gedood kon worden, verschilden de meningen. [medeverdachte 1] wilde dat [slachtoffer] zou worden gedood terwijl hij in de woonkamer achter de computer zat. [medeverdachte 2] zou [slachtoffer] dan van achteren links en rechts in de nek/hals moeten slaan. [medeverdachte 2] vond dit geen goed idee en wilde het liever doen als [slachtoffer] in bed lag. [medeverdachte 1] heeft bij deze gelegenheid midden in de kamer in het bijzijn van alle aanwezigen voorgedaan hoe met het Chinese hakmes om te gaan en hoe [slachtoffer] daarmee te doden. [medeverdachte 3] heeft alles vertaald zodat [medeverdachte 2] begreep wat er werd besproken. [medeverdachte 1] sprak al die tijd Nederlands. Omdat [medeverdachte 3] het mes, waarmee ze kennelijk het hakmes bedoelde, niet in huis wilde hebben, is besloten dit in Hoofddorp achter te laten. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] het hakmes verstopt. Het tweede mes, een Japans keukenmes, heeft [medeverdachte 1] onder zich gehouden en mee naar huis genomen.

Op 4 januari 2007 is [medeverdachte 1] naar de woning in [plaatsnaam] gekomen om de haren van haar zoon [zoon van medeverdachte 1] te knippen. [medeverdachte 4] heeft haar toen gereden. [slachtoffer] was op dat moment niet thuis. Bij deze gelegenheid heeft zij het tweede mes - het Japanse keukenmes dat zij op 2 januari bij zich had gehouden - in de woning verstopt. Toen zij vervolgens alleen met [medeverdachte 2] in de keuken was heeft zij voor de tweede keer voorgedaan op welke wijze hij het hakmes moest hanteren om [slachtoffer] te doden.

Op 5 januari 2007 hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] het hakmes opgehaald in Hoofddorp in de wetenschap dat [slachtoffer] die avond zou worden gedood. Zij hebben het hakmes vervoerd in de bruine tas van [medeverdachte 3]. Tevens hebben zij die dag goedkope kleren gekocht met de bedoeling dat [medeverdachte 2] deze kleren zou dragen bij het uitvoeren van het plan. Deze kleren zouden dan na het doden van [slachtoffer] weggegooid worden. Ze hebben toen een joggingbroek en een blauw T-shirt gekocht. [medeverdachte 3] heeft deze kleren betaald.

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn die avond omstreeks 21:30 uur vanuit Hoofddorp teruggekeerd in de woning aan de [adres] in [plaatsnaam]. [slachtoffer] zat op dat moment met zijn kinderen [dochter slachtoffer] en [zoon slachtoffer] achter de computer een filmpje te bekijken. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bekeken ondertussen op de bank een dvd.

Vlak na middernacht, rond 00:15 uur, is [slachtoffer] naar boven gegaan. Nadat hij gedoucht had, is hij gaan slapen. Rond die tijd heeft [medeverdachte 2] volgens plan de in Hoofddorp gekochte kleding aangetrokken. [medeverdachte 1] was inmiddels in Amsterdam opgehaald door [medeverdachte 4] en onderweg naar [plaatsnaam]. Zij gingen daarheen omdat [medeverdachte 4] had gezegd dat de zak met de bij de moord te gebruiken kleding en mes direct weg moest. [medeverdachte 3] heeft in de loop van de avond meerdere malen met haar mobiele telefoon contact opgenomen met [medeverdachte 1] om te vragen waar ze bleef, aangezien [medeverdachte 1] volgens het plan al voor middernacht in [plaatsnaam] had moeten zijn. [medeverdachte 3] was hier erg boos over en heeft toen door de telefoon tegen [medeverdachte 1] gezegd, dat zij het plan niet zouden uitvoeren en naar bed zouden gaan. Omdat [medeverdachte 1] te laat was en [slachtoffer] al naar bed was, kon het oorspronkelijke plan om [slachtoffer] te doden als hij achter de computer zat, geen doorgang vinden. Het plan werd veranderd, [slachtoffer] zou vermoord worden terwijl hij sliep. [medeverdachte 2] heeft dat doorgezet.

Uit de door de politie opgevraagde zendmastgegevens valt af te leiden dat [medeverdachte 1] op 6 januari 2007 rond 01:17 uur bij de woning aan [adres] is aangekomen. Op dat tijdstip had namelijk een laatste, slechts enkele seconden durend telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] plaats, waarbij de telefoon van [medeverdachte 1] een zendmast in de directe nabijheid van de woning aanstraalde.

Op enig moment hierna is [medeverdachte 1] de woning binnengekomen. Zij had een vuilniszak en plastic keukenhandschoenen bij zich. [medeverdachte 1] is naar de kamer van [medeverdachte 3] op de eerste verdieping gegaan, waar zij tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd dat het moest gebeuren: [slachtoffer] moest vermoord worden. Hoewel [medeverdachte 3] zei 'we gaan het toch niet echt doen', heeft [medeverdachte 2] vervolgens de handschoenen aangetrokken, waarna hij met het hakmes in de hand naar de naastgelegen slaapkamer van [slachtoffer] is gelopen. Toen [medeverdachte 2] naast het bed stond, werd [slachtoffer] wakker. Om geen argwaan te wekken, heeft [medeverdachte 2] toen tegen de slaapdronken [slachtoffer] gezegd dat hij een probleem met de computer had en [slachtoffer] gevraagd of hij hem daarmee wilde helpen. Terwijl [slachtoffer] langzaam wakker werd en opstond om zich aan te kleden, heeft [medeverdachte 2] snel het hakmes en de handschoenen naar de kamer van [medeverdachte 3] - waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zich nog steeds bevonden - gebracht. Vervolgens is hij naar beneden gegaan, waar hij de computer heeft uitgezet en weer aangezet, zodat het inlogscherm verscheen. Kort hierna kwam ook [slachtoffer] naar beneden. [slachtoffer] heeft opnieuw voor [medeverdachte 2] ingelogd en is aansluitend weer naar bed gegaan. [medeverdachte 2] is kort hierna weer naar de kamer van [medeverdachte 3] gegaan.

Dit laatste wordt bevestigd door [medeverdachte 1], die heeft verklaard dat zij, toen zij in de slaapkamer bij [medeverdachte 3] zat, de stemmen van [slachtoffer] en [medeverdachte 2] heeft gehoord. Ook heeft zij gehoord dat beiden de trap afliepen en na verloop van tijd weer boven kwamen.

Nadat [slachtoffer] weer naar bed was gegaan, heeft [medeverdachte 1] voorgesteld om een half uurtje te wachten. [medeverdachte 2] moest van haar zolang weer naar beneden gaan. [medeverdachte 3] heeft dit voor [medeverdachte 2] vertaald. [medeverdachte 3] was erg bang; zij is de hele tijd op het bed blijven zitten. [medeverdachte 3] stelde voor om het op te geven en zei tegen [medeverdachte 2] dat hij moest stoppen. [medeverdachte 1] heeft toen echter gezegd dat het nu of nooit voor haar was en dat [medeverdachte 2] het moest doen.

Na enige tijd is [medeverdachte 2] weer naar boven gekomen. In de kamer van [medeverdachte 3], waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] nog steeds aanwezig waren, heeft hij opnieuw handschoenen aangetrokken en het hakmes gepakt. Vervolgens is hij voor de tweede keer naar de slaapkamer van [slachtoffer] gegaan. Hier heeft hij [slachtoffer] met het hakmes in één keer de hals doorgeslagen, als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden.

[medeverdachte 2] is hierna teruggelopen naar de kamer van [medeverdachte 3], waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] nog waren. In de kamer van [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 2] gezegd dat hij [slachtoffer] had doodgemaakt. Hij maakte daarbij een slaande hak- beweging met de woorden 'one time'.

In de kamer van [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 2] de handschoenen, het hakmes/bijltje en de door hem gedragen kleding in de door [medeverdachte 1] meegenomen vuilniszak gestopt. [medeverdachte 1] is vervolgens met deze zak in de hand naar de auto van [medeverdachte 4] gelopen. [medeverdachte 4] heeft deze zak hier van haar aangepakt en in de auto gezet. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn vervolgens weer naar Amsterdam gereden; onderweg heeft [medeverdachte 4] de zak met een vogelbad dat in zijn auto lag verzwaard en in het water gegooid. [medeverdachte 4] wist al die tijd wat er gaande was. Hij heeft tijdens het verhoor bij de politie ook gezegd dat het moordwapen in het water ligt, 'als het goed is'. Hij zegt meegeholpen te hebben.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op haar echtgenoot.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de [medeverdachte 1] het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 06 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft een van haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een hakbijltje, op/tegen de hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en een klievende verwonding in de hals/keel van die [slachtoffer]aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De [medeverdachte 1] moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de [medeverdachte 1] daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de [medeverdachte 1] het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van moord.

Strafbaarheid van de [medeverdachte 1]

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de [medeverdachte 1] betoogd dat de [medeverdachte 1] dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu haar een beroep op psychische overmacht toekomt. De raadsman van de [medeverdachte 1] heeft hiertoe aangevoerd dat de [medeverdachte 1] niet alleen bang was om - gelet op de op handen zijnde echtscheiding - het gezag over haar jongste zoon [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer] te verliezen, maar dat zij tevens, gelet op haar door geweld en misbruik gekenmerkte relatie met het slachtoffer, voor haar leven vreesde.

De verdediging heeft aangevoerd dat de [medeverdachte 1] zich niet kon verzetten tegen het plan van haar [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] om [slachtoffer] te doden.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat indien het beroep op psychische overmacht door het hof niet wordt gehonoreerd, er twee gedragsdeskundigen benoemd dienen te worden voor het uitvoeren van een contra-expertise naar de geestvermogens van de [medeverdachte 1] met inachtneming van [medeverdachte 1] beroep op psychische overmacht.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Psychische overmacht?

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Vooropgesteld moet worden dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen enig al dan niet acuut, van de zijde van [slachtoffer] afkomstig, gevaar voor het leven van de [medeverdachte 1] op geen enkele wijze is komen vast te staan of aannemelijk geworden.

Waarom [slachtoffer] dood moest, heeft de [medeverdachte 1] - kort gezegd - als volgt uiteengezet:

Zij was ervan overtuigd dat [slachtoffer] zijn eerste vrouw om het leven heeft gebracht en dat haar eenzelfde lot wachtte, als [slachtoffer] zijn kinderen eens elders liet logeren. Bovendien heeft [slachtoffer] gezegd dat [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer] een [achternaam slachtoffer] is en dat hij en de [medeverdachte 1] waren getrouwd tot de dood hen zou scheiden. Ervan overtuigd dat [slachtoffer] alles in het werk zou stellen om ervoor te zorgen dat zij niet zonder problemen het ouderlijk gezag over [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer] zou kunnen uitoefenen, betekende dat voor haar dat ofwel [slachtoffer], ofwel zij dood moest. Zij heeft voor de dood van [slachtoffer] gekozen.

De gang van zaken rond de voorbereiding en uitvoering van het plan [slachtoffer] te vermoorden is hiervoor door het hof al weergegeven. Het hof heeft niet aangenomen dat de beslissing dat [slachtoffer] dood moest, aanvankelijk van [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] afkomstig is. Integendeel: het hof heeft vastgesteld dat later op de avond van 31 december 2006 een gesprek tussen de [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft plaatsgevonden in welk gesprek de [medeverdachte 1] zelf heeft aangegeven dat [slachtoffer] dood moest, waarbij zij [medeverdachte 2] om hulp heeft gevraagd.

Op geen enkele wijze is zelfs maar aannemelijk geworden, dat de [medeverdachte 1] bij de beraming van het plan om [slachtoffer] te vermoorden heeft gehandeld onder een wezenlijke en buitennormale psychische druk, die haar wilsvrijheid zodanig heeft ingeperkt, dat zij voor haar handelen niet strafbaar is. De door haar gemaakte keuze was evenmin acuut en onontkoombaar.

Het hof is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan of aannemelijk geworden dat de [medeverdachte 1] redelijkerwijze onder de gegeven omstandigheden geen andere keuze kon maken dan (samen met anderen) haar echtgenoot om het leven te brengen.

Het hof wijst in dit verband op de eerder in dit arrest vastgestelde feiten en omstandigheden, waaruit onder meer de voorbereiding in de week voorafgaand aan de moord en de initiatieven van de [medeverdachte 1] blijken, alsmede op de omstandigheid dat de [medeverdachte 1] niet langer met de [medeverdachte 1] aan de [adres] in [plaatsnaam] woonde, maar al enige tijd met [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer] in Amsterdam verbleef. Escalatie kon simpelweg voorkomen worden door de confrontatie met [slachtoffer] niet op te zoeken.

Voorts wijst het hof op het rapport van J.M. Oudejans, psycholoog, en A.E. Ederveen-Grochowska, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, d.d.

28 maart 2008, waaruit naar voren komt dat de [medeverdachte 1] ten tijde van het tenlastegelegde niet werd ingeperkt in haar wilsvrijheid om zelfstandige gedragskeuzes te maken.

Ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, hebben voornoemden nog verklaard in hun onderzoeken de vraag of er bij de [medeverdachte 1] sprake was van het zogenaamde 'battered wife syndrome' te hebben betrokken en daarvoor geen aanwijzingen te hebben gevonden.

Het hof verwerpt dan ook het beroep op psychische overmacht.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de [medeverdachte 1] uitsluit. De [medeverdachte 1] is dus strafbaar.

Verzoek om contra-expertise

Nu het hof [medeverdachte 1]s beroep op psychische overmacht niet honoreert, is het verzoek van de raadsman tot het laten uitvoeren van een contra-expertise omtrent de geestvermogens van de [medeverdachte 1] met inachtneming van dat beroep, aan de orde.

Het hof acht een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk.

Op 28 maart 2008 - het is hierboven al vermeld - is er door J.M. Oudejans, psycholoog, en A.E. Ederveen-Grochowska, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, een uitgebreid rapport opgesteld naar aanleiding van het onderzoek naar de geestvermogens van de [medeverdachte 1].

Genoemde deskundigen zijn ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2010 uitvoerig - en in aanwezigheid van de verdediging - gehoord over hun in het rapport genoemde bevindingen omtrent de persoon van de [medeverdachte 1], waarbij zij hebben gepersisteerd bij de eerdere conclusies.

Weliswaar hebben de deskundigen bij hun onderzoek naar de persoon van de [medeverdachte 1] geen kennis kunnen nemen van de verbatim uitwerkingen van de politieverhoren van de [medeverdachte 1], nu deze eerst in juli 2010 bij het hof zijn binnengekomen, maar naar het oordeel van het hof komt de woordelijke uitwerking van de politieverhoren van de [medeverdachte 1] overeen met de strekking van de zich in het dossier bevindende processen-verbaal van verhoor, waarover de deskundigen bij hun onderzoek de beschikking hadden. Waarom, zoals de raadsman bij dupliek heeft aangevoerd, het onderzoek niet compleet is geweest zonder inachtneming van die verbatimverslagen, vermag het hof dan ook niet in te zien. Het hof is van oordeel dat de deskundigen bij het opstellen van genoemde rapportage over voldoende informatie omtrent de persoon van de [medeverdachte 1] beschikten, nu zij niet alleen over het gehele tot dan actuele dossier beschikten, maar er ook sprake is geweest van een uitvoerig milieuonderzoek (waarbij ook [dochter van medeverdachte 1] is gehoord) en er door hen bovendien informatie is ingewonnen bij een cultureel antropoloog over de mogelijke culturele invloeden.

Dat naar de mening van de raadsman in weerwil van de conclusies van het Pieter Baan Centrum de [medeverdachte 1] niet toerekeningsvatbaar was ten tijde van het delict, althans in verminderde mate, maakt een nader onderzoek naar de toerekenbaarheid van de [medeverdachte 1] evenmin noodzakelijk.

Het hof wijst het verzoek van de raadsman tot het laten opmaken van een contra-expertise door twee andere gedragsdeskundigen dan ook af.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de [medeverdachte 1], zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De [medeverdachte 1] heeft zich samen met een vriend, haar dochter en dier vriend schuldig gemaakt aan de moord op haar echtgenoot, door hem, na een zorgvuldige planning en voorbereiding, in zijn eigen huis, in zijn eigen bed, met een hakbijltje de hals door te slaan.

Met het plegen van dit feit heeft de [medeverdachte 1] zich schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent. De gevolgen zijn op geen enkele wijze meer ongedaan te maken. Het slachtoffer is door de [medeverdachte 1] en haar mededaders het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. De [medeverdachte 1] heeft de nabestaanden ernstig leed toegebracht. Dit geldt niet alleen voor de moeder, broer en zuster van het slachtoffer, maar in het bijzonder ook voor [dochter slachtoffer] en [zoon slachtoffer], de twee nog minderjarige kinderen van het slachtoffer uit diens eerste huwelijk. Datzelfde kan gezegd worden van [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer], die mede door toedoen van zijn moeder moet opgroeien zonder vader. Niets kan deze daad rechtvaardigen, ook niet als wordt aangenomen dat de [medeverdachte 1] binnen haar huwelijk slachtoffer is geweest van seksueel misbruik danwel huiselijk geweld of bang was het gezag over haar jongste zoon door de echtscheidingsprocedure te verliezen. Het dossier bevat voor genoemd misbruik noch voor de door de [medeverdachte 1] naar voren gebrachte angst om door haar echtgenoot te worden gedood of om het gezag over [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer] te verliezen overigens objectieve aanknopingspunten.

Bij de bepaling van de op te leggen straf houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de [medeverdachte 1] als initiatiefnemer van deze moord moet worden gezien. Immers, zij heeft besloten dat haar echtgenoot dood moest en heeft hierbij anderen, onder wie haar eigen dochter, betrokken. Tevens heeft zij een coördinerende rol gespeeld bij de uitvoering van het plan. Zo heeft zij de voor de moord benodigde messen gekocht en haar mededaders specifieke aanwijzingen gegeven. Op het moment dat haar mededader [medeverdachte 3] het plan niet meer wilde doorzetten, heeft de [medeverdachte 1] er bij [medeverdachte 2] op aangedrongen het toch te doen. Het hof acht de invloed van de [medeverdachte 1] en haar rol in de groep essentieel voor de moord en is van oordeel dat zonder de aanwezigheid van de [medeverdachte 1] in de groep de moord waarschijnlijk niet gepleegd zou zijn. De [medeverdachte 1] heeft in de kleine week, gelegen tussen de beslissing dat haar echtgenoot dood moest en de daadwerkelijke moord voldoende tijd gehad om het verwerpelijke van het plan in te zien, maar het plan niettemin uitgevoerd.

Gelet op de aard en ernst van dit misdrijf en mede gelet op de persoon van de [medeverdachte 1] is een straf van aanzienlijke duur naar het oordeel van het hof zonder meer gerechtvaardigd. De omstandigheid dat de [medeverdachte 1] blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie van 20 januari 2010 niet eerder voor levensdelicten is veroordeeld doet hieraan niet af.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf in aanmerking genomen de inhoud van het eerdergenoemde rapport van J.M. Oudejans, psycholoog, en A.E. Ederveen-Grochowska, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, d.d. 28 maart 2008, waarin - kort samengevat - het volgende wordt geconcludeerd.

Bij de [medeverdachte 1] kan worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. De persoonlijkheidsproblematiek is echter niet zo ernstig dat een pathologisch niveau van een persoonlijkheidsstoornis bereikt wordt. De bij [medeverdachte 1] waargenomen opportunistische (antisociale) gedragskenmerken worden gezien als een uiting van haar pragmatisme, passend bij haar sociale en culturele achtergrond en zijn te beschouwen als een mix van overlevingsstijl en egocentrisme. De [medeverdachte 1] komt naar voren als een op zichzelf gerichte vrouw die bewust is van haar verantwoordelijkheden tegenover anderen, zoals haar eigen kinderen, maar die onder omstandigheden geneigd is om opportunistische en antisociale gedragskeuzes te maken. Hoewel de [medeverdachte 1] onder relationele stress agressief gedrag kan vertonen, is er geen sprake van een structurele (organische) kwetsbaarheid op het gebied van de agressieregulatie.

Bij de [medeverdachte 1] zijn geen aanwijzingen gevonden voor een (acute noch doorgemaakte) psychiatrische stoornis in engere zin zoals een psychotische stoornis, depressie of angststoornis. Evenmin werden bij de [medeverdachte 1] klachten passend bij een posttraumatische stressstoornis geconstateerd. In het bijzonder werden geen (rest)symptomen gevonden die zouden wijzen op een chronische psychische traumatisering binnen haar relatie met het slachtoffer. Ondanks de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling kan niet worden geconcludeerd dat [medeverdachte 1] ten tijde van het tenlastegelegde werd ingeperkt door haar antisociale persoonlijkheids-problematiek in haar wilsvrijheid om zelfstandige keuzes te maken. Omdat er geen aanwijzingen zijn voor een doorwerking van een eventuele pathologie in het tenlastegelegde wordt de [medeverdachte 1] voor het tenlastegelegde volledig toerekeningsvatbaar geacht.

Het hof kan zich verenigen met voormelde bevindingen en komt op grond daarvan tot het oordeel dat het bewezenverklaarde de [medeverdachte 1] kan worden toegerekend.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeventien jaren in beginsel een passende en geboden reactie vormt.

Redelijke termijn van berechting

De raadsman van de [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 april 2011 aangevoerd dat er in de appelfase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), hetgeen zou moeten leiden tot strafvermindering.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt vast dat er in de appelfase sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, nu de zaak niet binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep op 11 juli 2008 is afgedaan, maar eerst op 26 mei 2011, en er derhalve sprake is van een overschrijding van meer dan twaalf maanden.

Het hof is van oordeel dat bedoelde overschrijding mede is veroorzaakt door de tijd die met het ten verzoeke van de [medeverdachte 1] en/of haar medeverdachten horen van een aantal deskundigen, alsmede het doen van nader en aanvullend onderzoek, gemoeid is geweest. Niettemin zal het hof aan de overschrijding van de redelijke termijn consequenties verbinden, in die zin dat het hof de overschrijding van de bedoelde termijn zal verdisconteren in de strafmaat, zodat de door het hof overwogen gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren met één jaar zal worden verminderd.

In plaats van een gevangenisstraf van zeventien jaren, zal het hof dan ook een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren opleggen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de [medeverdachte 1] primair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.439,25.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 3.439,25.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de [medeverdachte 1] niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de [medeverdachte 1] tot een bedrag van

€ 3.439,25 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de [medeverdachte 1] de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer]

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat [medeverdachte 1] het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor overwogen.

Verklaart niet bewezen hetgeen [medeverdachte 1] meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt [medeverdachte 1] daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar en verklaart [medeverdachte 1] strafbaar.

Veroordeelt de [medeverdachte 1] tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de [medeverdachte 1] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, en/of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij], ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.439,25 (drieduizend vierhonderdnegenendertig euro en vijfentwintig cent) aan materiële schade en veroordeelt de [medeverdachte 1] die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de [medeverdachte 1] in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 3.439,25 (drieduizend vierhonderdnegenendertig euro en vijfentwintig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 (zevenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de [medeverdachte 1] komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat te zijnen behoeve.

Bepaalt dat, indien [medeverdachte 1] heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien [medeverdachte 1] heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voorzover de mededaders van [medeverdachte 1] voormeld bedrag hebben betaald, [medeverdachte 1] in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. A.H. de Wild en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. M. Wegter.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 mei 2011.