Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6326

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
22-003680-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een vriendin, haar dochter en dier vriend schuldig gemaakt aan de moord op het slachtoffer, door hem na een zorgvuldige planning en voorbereiding, in zijn eigen huis, in zijn eigen bed, met een hakbijltje de hals door te slaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003680-08

Parketnummer: 09-754009-07

Datum uitspraak: 26 mei 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juli 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[MEDEVERDACHTE 4],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 26 oktober 2009, 1 februari 2010, 22 februari 2010, 1 maart 2010, 12 april 2010, 31 mei 2010, 10 juni 2010, 12 augustus 2010, 28 oktober 2010, 11 november 2010,

8 december 2010, 24 februari 2011, 28 april 2011, 2 mei 2011 en 12 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de [medeverdachte 4] naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de [medeverdachte 4] ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest; voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De [medeverdachte 4] heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de [medeverdachte 4] is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben [medeverdachte 4] en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s), althans één of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), op/tegen de hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en/of een klievende verwonding in de hals/keel van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] op of omstreeks 06 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s), althans één of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), op/tegen de hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en/of een klievende verwonding in de hals/keel van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf [medeverdachte 4] in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 6 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente] en/of Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door

- tegen die [medeverdachte 1] te zeggen dat [slachtoffer] dood moest omdat [medeverdachte 1] anders zelf dood zou gaan en/of die [medeverdachte 2] uit te leggen hoe [slachtoffer] gedood kon worden en/of tegen die [medeverdachte 1] te zeggen dat de gedragen kleding bij het doden van [slachtoffer] weggegooid moest worden en/of dat op/rond de dag van het doden van die [slachtoffer] geen telefonisch contact mocht plaatsvinden tussen die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem [medeverdachte 4] en/of dat bij het doden van die [slachtoffer] handschoenen gedragen moesten worden en/of dat geen DNA achtergelaten mocht worden en/of

- tijdens één of meer bijeenkomst(en) met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] het doden van die [slachtoffer] te beramen en/of

- met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] naar een Toko/winkel te gaan, althans [medeverdachte 1] naar die Toko/winkel te vervoeren, teneinde een of meer mes(sen) en/of hakbijltje(s) aan te schaffen, wetende van het voornemen om die [slachtoffer] te doden en/of

- die [medeverdachte 1] naar de woning van die [slachtoffer] te vervoeren, wetende van het voornemen om die [slachtoffer] te doden en/of

- die [medeverdachte 1] en/of een tas/zak met daarin de mes(sen) en/of hakbijltje(s) en/of de kleding (die bij het doden van [slachtoffer] gedragen was) van de plaats van het misdrijf naar elders te vervoeren en/of

- die tas/zak te verzwaren en/of weg te maken door deze in/nabij een kanaal, althans in een hoeveelheid water te gooien en/of

- na te laten die [slachtoffer] en/of de politie te waarschuwen voor het voornemen om die [slachtoffer] te doden en/of

- niet te beletten dat die [slachtoffer] gedood werd;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 2 januari 2007 tot en met 6 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente] en/of Amsterdam en/of Hoofddorp en/of elders in Nederland kennis dragende van een voornemen van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] tot het plegen van een moord op [slachtoffer]op (een) tijdstip(pen) waarop het plegen van dit misdrijf nog kon worden voorkomen, opzettelijk heeft nagelaten daarvan tijdig voldoende kennis te geven aan de ambtenaren van justitie en/of politie of aan [slachtoffer] zelf, zulks terwijl die [slachtoffer] vervolgens op 6 januari 2007 is vermoord;

en/of

hij op of omstreeks 06 januari 2007 te Amsterdam en/of elders in Nederland nadat er op of omstreeks 6 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], het misdrijf was gepleegd van het vermoorden van [slachtoffer] (artikel 289 Wetboek van Strafrecht), althans nadat er enig misdrijf was gepleegd,met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een of meer voorwerpen waarop of waarmede dat misdrijf was gepleegd of andere sporen van dat misdrijf heeft vernietigd en/of weggemaakt en/of verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken, immers heeft [medeverdachte 4] een zak/tas (met daarin kleding en/of handschoenen en/of hakbijltje(s) en/of mes(sen), althans scherpe en/of puntige voorwerp(en), gedragen en/of gebruikt bij het vermoorden van die [slachtoffer]) verzwaard en/of (vervolgens) in/nabij een hoeveelheid water weggegooid;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet in alle opzichten verenigt.

Vaststelling van de feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 10 juli 2008 ten aanzien van het primair tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld, waarbij het hof zich op basis van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep als onder weergegeven grotendeels aansluit:

De medeverdachte [medeverdachte 1] is in 2004 met het slachtoffer in deze zaak, in het huwelijk getreden. Beiden hadden op dat moment al kinderen uit een eerder huwelijk. Aan de zijde van [medeverdachte 1] waren dat de medeverdachte [medeverdachte 3], haar dochter [dochter van medeverdachte 1] en haar zoon [zoon van medeverdachte 1]. Aan de zijde van [slachtoffer] waren dat zijn dochter [dochter van slachtoffer] en zijn zoon [zoon van slachtoffer]. In mei 2006 hebben [medeverdachte 1] en [slachtoffer] gezamenlijk een kind gekregen, [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer]. Eind 2005 hebben [medeverdachte 1] en [slachtoffer] met hun kinderen de woning aan de [adres] in [plaatsnaam] betrokken. In november 2006 is de Poolse vriend van [medeverdachte 3]

- de [medeverdachte 2] - bij het gezin ingetrokken.

Enkele weken voor het einde van 2006 heeft [medeverdachte 1] besloten om van [slachtoffer] te scheiden. Zij heeft toen met hun zoontje [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer] de echtelijke woning verlaten en is in Amsterdam gaan wonen. [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [zoon van medeverdachte 1] zijn bij [slachtoffer] in [plaatsnaam] blijven wonen. De jongste dochter van [medeverdachte 1], [dochter van medeverdachte 1], is rond die tijd in een studentenwoning in Hoofddorp gaan wonen.

[medeverdachte 1] was ervan overtuigd dat [slachtoffer] alles in het werk zou stellen om ervoor te zorgen dat zij niet zonder problemen het ouderlijk gezag over [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer] zou kunnen uitoefenen.

Op 31 december 2006 is [medeverdachte 1] naar [plaatsnaam] gekomen om daar met haar kinderen oud en nieuw te vieren. Kort na haar aankomst is een ruzie met [slachtoffer] ontstaan. Later die avond heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Tijdens dit gesprek heeft [medeverdachte 1] gezegd dat [slachtoffer] dood moest. Zij heeft daarbij aan [medeverdachte 2] om hulp gevraagd. [medeverdachte 2] heeft meteen te kennen gegeven haar hiermee te willen helpen. Dit gesprek is door [medeverdachte 3] vertaald, omdat [medeverdachte 2], behalve Pools, alleen Engels sprak. Afgesproken is toen dat [slachtoffer] op vrijdag 5 januari 2007 om het leven zou worden gebracht.

Op 1 januari 2007 heeft [medeverdachte 1] met de [medeverdachte 4] besproken dat [medeverdachte 2] haar wilde helpen [slachtoffer] van het leven te beroven. [medeverdachte 4] heeft toen gezegd dat het goed was, dat zij een keuze moest maken tussen zij dood of [slachtoffer] dood en dat ook hij haar zou helpen. [medeverdachte 1] heeft vervolgens met [medeverdachte 4] besproken hoe zij haar man zouden kunnen ombrengen. [medeverdachte 4] heeft toen geadviseerd dit met een pistool of een mes te doen. [medeverdachte 1] vond een pistool echter geen optie, aangezien zij daarvoor geen geld had en ook niet wist hoe zij aan een pistool zou kunnen komen. [medeverdachte 4] wist precies hoe het gedaan moest worden en hoe de politie met DNA zou omgaan. [medeverdachte 1] heeft hierna aan [medeverdachte 3] verteld dat [medeverdachte 4] bereid was haar te helpen.

Op 2 januari 2007 zijn [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] naar een toko in Amsterdam gegaan. In deze toko heeft [medeverdachte 1] twee messen gekocht met het doel [slachtoffer] hiermee te doden. De verkoopster heeft verklaard dat [medeverdachte 1] bij die gelegenheid vertelde dat ze door haar man werd mishandeld en zich met de messen tegen hem wilde verdedigen. [medeverdachte 4] is buiten in zijn auto blijven wachten en toen [medeverdachte 1] weer bij de auto terug was, heeft zij tegen [medeverdachte 4] gezegd dat zij een mes had gekocht. [medeverdachte 4] heeft toen gezegd dat het goed was en dat hij haar zou helpen.

Na het bezoek aan de toko is het gezelschap naar de woning van [dochter van medeverdachte 1] in Hoofddorp gegaan. [medeverdachte 4] heeft in die woning het grootste van de twee messen (een Chinees hakmes/bijltje) vastgehouden en tegen [medeverdachte 1] gezegd dat zij dit mes aan [medeverdachte 2] moest geven. In de woning is vervolgens het plan om [slachtoffer] te doden nader vormgegeven; het plan zou zoals eerder besproken op vrijdag 5 januari 2007 worden uitgevoerd. Met betrekking tot de vraag hoe en op welk moment [slachtoffer] het beste gedood kon worden, verschilden de meningen. [medeverdachte 1] wilde dat [slachtoffer] zou worden gedood terwijl hij in de woonkamer achter de computer zat. [medeverdachte 2] zou [slachtoffer] dan van achteren links en rechts in de nek/hals moeten slaan. [medeverdachte 2] vond dit geen goed idee en wilde het liever doen als [slachtoffer] in bed lag. [medeverdachte 1] heeft bij deze gelegenheid midden in de kamer in het bijzijn van alle aanwezigen voorgedaan hoe met het Chinese hakmes om te gaan en hoe [slachtoffer] daarmee te doden. [medeverdachte 3] heeft alles vertaald zodat [medeverdachte 2] begreep wat er werd besproken. [medeverdachte 1] sprak al die tijd Nederlands. Omdat [medeverdachte 3] het mes, waarmee ze kennelijk het hakmes bedoelde, niet in huis wilde hebben, is besloten dit in Hoofddorp achter te laten. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] het hakmes verstopt. Het tweede mes, een Japans keukenmes, heeft [medeverdachte 1] onder zich gehouden en mee naar huis genomen.

Op 4 januari 2007 is [medeverdachte 1] naar de woning in [plaatsnaam] gekomen om de haren van haar zoon [zoon van medeverdachte 1] te knippen. [medeverdachte 4] heeft haar toen gereden. [slachtoffer] was op dat moment niet thuis. Bij deze gelegenheid heeft zij het tweede mes - het Japanse keukenmes dat zij op 2 januari bij zich had gehouden - in de woning verstopt. Toen zij vervolgens alleen met [medeverdachte 2] in de keuken was heeft zij voor de tweede keer voorgedaan op welke wijze hij het hakmes moest hanteren om [slachtoffer] te doden.

Op 5 januari 2007 hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] het hakmes opgehaald in Hoofddorp in de wetenschap dat [slachtoffer] die avond zou worden gedood. Zij hebben het hakmes vervoerd in de bruine tas van [medeverdachte 3]. Tevens hebben zij die dag goedkope kleren gekocht met de bedoeling dat [medeverdachte 2] deze kleren zou dragen bij het uitvoeren van het plan. Deze kleren zouden dan na het doden van [slachtoffer] weggegooid worden. Ze hebben toen een joggingbroek en een blauw T-shirt gekocht. [medeverdachte 3] heeft deze kleren betaald.

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn die avond omstreeks 21:30 uur vanuit Hoofddorp teruggekeerd in de woning aan de [adres] in [plaatsnaam]. [slachtoffer] zat op dat moment met zijn kinderen [dochter van slachtoffer] en [zoon van slachtoffer] achter de computer een filmpje te bekijken. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bekeken ondertussen op de bank een dvd.

Vlak na middernacht, rond 00:15 uur, is [slachtoffer] naar boven gegaan. Nadat hij gedoucht had, is hij gaan slapen. Rond die tijd heeft [medeverdachte 2] volgens plan de in Hoofddorp gekochte kleding aangetrokken. [medeverdachte 1] was inmiddels in Amsterdam opgehaald door [medeverdachte 4] en onderweg naar [plaatsnaam]. Zij gingen daarheen omdat [medeverdachte 4] had gezegd dat de zak met de bij de moord te gebruiken kleding en mes direct weg moest. [medeverdachte 3] heeft in de loop van de avond meerdere malen met haar mobiele telefoon contact opgenomen met [medeverdachte 1] om te vragen waar ze bleef, aangezien [medeverdachte 1] volgens het plan al voor middernacht in [plaatsnaam] had moeten zijn. [medeverdachte 3] was hier erg boos over en heeft toen door de telefoon tegen [medeverdachte 1] gezegd, dat zij het plan niet zouden uitvoeren en naar bed zouden gaan. Omdat [medeverdachte 1] te laat was en [slachtoffer] al naar bed was, kon het oorspronkelijke plan om [slachtoffer] te doden als hij achter de computer zat, geen doorgang vinden. Het plan werd veranderd, hij zou vermoord worden terwijl hij sliep. [medeverdachte 2] heeft dat doorgezet.

Uit de door de politie opgevraagde zendmastgegevens valt af te leiden dat [medeverdachte 1] op 6 januari 2007 rond 01:17 uur bij de woning aan de [adres] is aangekomen. Op dat tijdstip had namelijk een laatste, slechts enkele seconden durend telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] plaats, waarbij de telefoon van [medeverdachte 1] een zendmast in de directe nabijheid van de woning aanstraalde.

Op enig moment hierna is [medeverdachte 1] de woning binnengekomen. Zij had een vuilniszak en plastic keukenhandschoenen bij zich. [medeverdachte 1] is naar de kamer van [medeverdachte 3] op de eerste verdieping gegaan, waar zij tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd dat het moest gebeuren: [slachtoffer] moest vermoord worden. Hoewel [medeverdachte 3] zei 'we gaan het toch niet echt doen', heeft [medeverdachte 2] vervolgens de handschoenen aangetrokken, waarna hij met het hakmes in de hand naar de naastgelegen slaapkamer van [slachtoffer] is gelopen. Toen [medeverdachte 2] naast het bed stond, werd [slachtoffer] wakker. Om geen argwaan te wekken, heeft [medeverdachte 2] toen tegen de slaapdronken [slachtoffer] gezegd dat hij een probleem met de computer had en [slachtoffer] gevraagd of hij hem daarmee wilde helpen. Terwijl [slachtoffer] langzaam wakker werd en opstond om zich aan te kleden, heeft [medeverdachte 2] snel het hakmes en de handschoenen naar de kamer van [medeverdachte 3] - waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zich nog steeds bevonden - gebracht. Vervolgens is hij naar beneden gegaan, waar hij de computer heeft uitgezet en weer aangezet, zodat het inlogscherm verscheen. Kort hierna kwam ook [slachtoffer] naar beneden. [slachtoffer] heeft opnieuw voor [medeverdachte 2] ingelogd en is aansluitend weer naar bed gegaan. [medeverdachte 2] is kort hierna weer naar de kamer van [medeverdachte 3] gegaan.

Dit laatste wordt bevestigd door [medeverdachte 1], die heeft verklaard dat zij, toen zij in de slaapkamer bij [medeverdachte 3] zat, de stemmen van [slachtoffer] en [medeverdachte 2] heeft gehoord. Ook heeft zij gehoord dat beiden de trap afliepen en na verloop van tijd weer boven kwamen.

Nadat [slachtoffer] weer naar bed was gegaan, heeft [medeverdachte 1] voorgesteld om een half uurtje te wachten. [medeverdachte 2] moest van haar zolang weer naar beneden gaan. [medeverdachte 3] heeft dit voor [medeverdachte 2] vertaald. [medeverdachte 3] was erg bang; zij is de hele tijd op het bed blijven zitten. [medeverdachte 3] stelde voor om het op te geven en zei tegen [medeverdachte 2] dat hij moest stoppen. [medeverdachte 1] heeft toen echter gezegd dat het nu of nooit voor haar was en dat [medeverdachte 2] het moest doen.

Na enige tijd is [medeverdachte 2] weer naar boven gekomen. In de kamer van [medeverdachte 3], waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] nog steeds aanwezig waren, heeft hij opnieuw handschoenen aangetrokken en het hakmes gepakt. Vervolgens is hij voor de tweede keer naar de slaapkamer van [slachtoffer] gegaan. Hier heeft hij [slachtoffer] met het hakmes in één keer de hals doorgeslagen, als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden.

[medeverdachte 2] is hierna teruggelopen naar de kamer van [medeverdachte 3], waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] nog waren. In die kamer heeft [medeverdachte 2] gezegd dat hij [slachtoffer] had doodgemaakt. Hij maakte daarbij een slaande hakbeweging met de woorden 'one time'.

In de kamer van [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 2] de handschoenen, het hakmes/bijltje en de door hem gedragen kleding in de door [medeverdachte 1] meegenomen vuilniszak gestopt. [medeverdachte 1] is vervolgens met deze zak in de hand naar de auto van [medeverdachte 4] gelopen. [medeverdachte 4] heeft deze zak hier van haar aangepakt en in de auto gezet. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn vervolgens weer naar Amsterdam gereden; onderweg heeft [medeverdachte 4] de zak met een vogelbad dat in zijn auto lag verzwaard en in het water gegooid. [medeverdachte 4] wist al die tijd wat er gaande was. Hij heeft tijdens het verhoor bij de politie ook gezegd dat het moordwapen in het water ligt, 'als het goed is'. Hij zegt meegeholpen te hebben.

Verweren van de verdediging

Allereerst meent de raadsman dat niet onaannemelijk is dat de door de medeverdachte [medeverdachte 2] geschetste toedracht van de directe handelingen die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid de juiste is, in welk geval niet van moord, doch van doodslag met voorwaardelijk opzet sprake zou zijn.

De raadsman van de [medeverdachte 4] heeft voorts aangevoerd dat - kort gezegd - de [medeverdachte 4] van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu de verklaringen van [medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn en bovendien onvoldoende steun vinden in de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen zodat niet is voldaan aan het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven bewijsminimum.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende

Toedracht als door [medeverdachte 2] geschetst

De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat het slechts zijn bedoeling was om het slachtoffer bang te maken door hem het hakmes te laten zien. Echter, toen hij dacht dat [slachtoffer] het mes van hem wilde afpakken is hij in paniek geraakt, waarbij hij als gevolg van het verliezen van zijn balans het slachtoffer met het mes onbedoeld in de hals heeft geraakt.

Blijkens het obductieverslag, d.d. 12 april 2007, opgesteld en ondertekend door F.R.W. van de Goot, arts en patholoog, destijds als beëdigd deskundige werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) te 's-Gravenhage, is bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] [slachtoffer] een doorklieving van vrijwel de gehele hals te zien geweest, welke het gevolg was van hevig uitwendig klievend mechanisch geweld.

Genoemde deskundige heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2010 verklaard dat hij het uitgesloten acht dat zo'n doorklieving van de hals als bij het slachtoffer is waargenomen, is ontstaan door een min of meer vallende beweging zoals tijdens die terechtzitting door de medeverdachte [medeverdachte 2] is nagebootst. Voorts heeft hij verklaard dat voor de geconstateerde - uitermate zeldzame - totale horizontale klieving van het tongbeen een zwaar voorwerp nodig is dat met één snelle beweging wordt gehanteerd.

Blijkens het rapport van het NFI, d.d. 8 april 2011, opgemaakt en ondertekend door ing. I. Keereweer, betreffende de resultaten van een kras-, indruk- en vormsporenonderzoek aan wervels naar aanleiding van het aantreffen van een overleden persoon in [plaatsnaam] op

6 januari 2007, is het waarschijnlijker dat het slachtoffer door een gerichte verticale klap met het hakmes om het leven is gebracht dan dat het slachtoffer

- kort gezegd - door een val van [medeverdachte 2] met het mes in zijn hals is geraakt.

Op grond van eerdergenoemde feiten en omstandigheden, alsmede de verklaring van bovengenoemde deskundige en de inhoud van laatstgenoemd rapport - in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat het slachtoffer door een gerichte klap met het hakmes om het leven is gebracht zoals gepland.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman ter zake.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzittingen in hoger beroep is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat de door de medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd. Het hof overweegt hiertoe dat de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen kunnen worden aangemerkt als op hoofdlijnen consistent en op essentiële punten strokend met, dan wel ondersteund door de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, zodat het hof deze betrouwbaar acht. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen in de eerste plaats voor haar zelf, maar zeker ook voor haar dochter [medeverdachte 3] en voor haar 'schoonzoon' [medeverdachte 2] zeer belastend zijn.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Bewijsminimum

Uit het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat het bewijs dat de [medeverdachte 4] het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de bewezenverklaring als geheel; niet is vereist dat elk onderdeel van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. De bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (LJN: BP3747).

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - volgt dat de [medeverdachte 4], anders dan de verdediging heeft betoogd, niet alleen op de hoogte was van het plan om [slachtoffer] [slachtoffer] van het leven te beroven maar hieraan ook een substantiële bijdrage heeft geleverd. Zo heeft de [medeverdachte 4] niet alleen meegedacht over de manier waarop [slachtoffer] kon worden gedood en heeft hij zijn medeverdachten naar een toko in Amsterdam gereden om daar het voor de moord benodigde (hak)mes te kopen, maar heeft hij ook [medeverdachte 1] op de avond van de moord in Amsterdam opgehaald en naar de woning aan de Bloemenschans in [plaatsnaam] gereden, in de wetenschap dat [slachtoffer] die avond gedood zou worden en met het doel het daarbij gebruikte moordwapen en de daarbij gedragen kleding zo snel mogelijk 'weg te maken'. Nadat [slachtoffer] om het leven was gebracht, heeft de [medeverdachte 4] - die al die tijd in de buurt van de woning in zijn auto op [medeverdachte 1] had gewacht - de vuilniszak met daarin de door [medeverdachte 2] bij de moord gedragen kleding en het moordwapen verzwaard met een uit zijn auto afkomstig vogelbad en in het water gegooid.

Bovengenoemde gang van zaken volgt niet slechts uit de verklaringen van [medeverdachte 1]. Zo heeft [medeverdachte 2] niet alleen verklaard dat [medeverdachte 4] hem en zijn medeverdachten naar een toko in Amsterdam heeft gereden, maar heeft hij ook verklaard over [medeverdachte 4]s aanwezigheid in de woning van [dochter van medeverdachte 1] in Hoofddorp. Ook [medeverdachte 3] heeft verklaard over [medeverdachte 4]s aanwezigheid in Hoofddorp en over het feit dat hij [medeverdachte 1] in de nacht van 5 op 6 januari 2007 van Amsterdam naar [plaatsnaam] heeft gereden en daar op haar heeft gewacht. Bovendien heeft de [medeverdachte 4] zelf ook verklaard over het bezoek aan de toko in Amsterdam op 2 januari 2007 en over het feit dat hij in de nacht van 5 op 6 januari 2007 [medeverdachte 1] naar [plaatsnaam] heeft gereden en daar op haar heeft gewacht, terwijl [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer] bij hem in de auto lag te slapen. Ook heeft de [medeverdachte 4] verklaard dat hij de zak met daarin het moordwapen heeft verzwaard en in het water heeft gegooid.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet op zichzelf staan, maar voldoende steun vinden in de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, zodat is voldaan aan het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven bewijsminimum en het verweer dient te worden verworpen.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de [medeverdachte 4] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer] [slachtoffer] en in dat kader bewust en nauw met zijn mededaders heeft samengewerkt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de [medeverdachte 4] het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 06 januari 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft een van zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een hakbijltje, op/tegen de hals/keel van die [slachtoffer] geslagen en een klievende verwonding in de hals/keel van die [slachtoffer] aangebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De [medeverdachte 4] moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de [medeverdachte 4] daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de [medeverdachte 4] het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van moord.

Strafbaarheid van de [medeverdachte 4]

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de [medeverdachte 4] uitsluit. De [medeverdachte 4] is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de [medeverdachte 4], zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De [medeverdachte 4] heeft zich samen met een vriendin, haar dochter en dier vriend schuldig gemaakt aan de moord op het slachtoffer, door hem na een zorgvuldige planning en voorbereiding, in zijn eigen huis, in zijn eigen bed, met een hakbijltje de hals door te slaan.

Met het plegen van dit feit heeft de [medeverdachte 4] zich schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent. De gevolgen zijn op geen enkele wijze meer ongedaan te maken. Het slachtoffer is door de [medeverdachte 4] en zijn mededaders het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. De [medeverdachte 4] heeft de nabestaanden ernstig leed toegebracht. Dit geldt niet alleen voor de moeder, broer en zuster van het slachtoffer, maar in het bijzonder ook voor [dochter van slachtoffer] en [zoon van slachtoffer], de twee nog minderjarige kinderen van het slachtoffer uit diens eerste huwelijk. Datzelfde kan gezegd worden voor [zoon van medeverdachte 1 en slachtoffer], de zoon van het slachtoffer en van [medeverdachte 4] mededader [medeverdachte 1], die mede door toedoen van de [medeverdachte 4] moet opgroeien zonder vader.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de rol van de [medeverdachte 4] weliswaar kleiner is geweest dan die van zijn mededaders [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], maar desalniettemin van essentieel belang is geweest bij de voorbereiding en uitvoering van het moordplan.

Gelet op de aard en ernst van dit misdrijf en mede gelet op de persoon van de [medeverdachte 4] is een straf van aanzienlijke duur naar het oordeel van het hof zonder meer gerechtvaardigd. De omstandigheid dat de [medeverdachte 4] blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie van 20 januari 2010 niet eerder is veroordeeld doet hieraan niet af.

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen de inhoud van het rapport van J.M. Oudejans, psycholoog, en A.E. Ederveen-Grochowska, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, d.d. 28 maart 2008, waarin - kort samengevat - het volgende wordt geconcludeerd.

Het onderzoek naar de persoonlijkheid van de [medeverdachte 4] wijst niet op het bestaan van een bepaalde pathologie. De [medeverdachte 4] staat egocentrisch in het leven en het ontbreekt hem aan concrete levensdoelen en doorzettingsvermogen. Hij is wel in staat zich aan normen en waarden te houden maar gaat daar soms opportunistisch mee om. Zijn aandachtsbehoefte en hulpvaardigheid zijn redelijk in evenwicht en leiden doorgaans niet tot het ontwikkelen van afhankelijkheidsrelaties.

Ten tijde van het tenlastegelegde was de [medeverdachte 4] in staat om in zijn wilsvrijheid zelfstandige gedragskeuzes te maken.

Het hof kan zich verenigen met deze bevindingen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een passende en geboden reactie vormt.

Redelijke termijn van berechting

Het hof stelt vast dat er in de appelfase sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), nu de zaak niet binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep op 11 juli 2008, is afgedaan, maar eerst op 26 mei 2011, en er derhalve sprake is van een overschrijding van meer dan twaalf maanden.

Het hof stelt tevens vast dat bedoelde overschrijding mede is veroorzaakt door de tijd die met het ten verzoeke van een of meer van de medeverdachten horen van een aantal deskundigen, alsmede het doen van nader en aanvullend onderzoek, gemoeid is geweest. Niettemin zal hof aan de overschrijding van de redelijke termijn consequenties verbinden, in die zin dat het hof de overschrijding van de bedoelde termijn zal verdisconteren in de strafmaat, zodat de door het hof overwogen gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met één jaar zal worden verminderd.

In plaats van een gevangenisstraf van twaalf jaren, zal het hof dan ook aan de [medeverdachte 4] een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren opleggen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de [medeverdachte 4] primair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.439,25.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 3.439,25.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de [medeverdachte 4] niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de [medeverdachte 4] tot een bedrag van € 3.439,25 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de [medeverdachte 4] de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat [medeverdachte 4] het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor overwogen.

Verklaart niet bewezen hetgeen [medeverdachte 4] meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt [medeverdachte 4] daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar en verklaart [medeverdachte 4] strafbaar.

Veroordeelt de [medeverdachte 4] tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de [medeverdachte 4] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, en/of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij], ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.439,25 (drieduizend vierhonderdnegenendertig euro en vijfentwintig cent) aan materiële schade en veroordeelt de [medeverdachte 4] die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de [medeverdachte 4] in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 3.439,25 (drieduizend vierhonderdnegenendertig euro en vijfentwintig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47(zevenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de [medeverdachte 4] komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien [medeverdachte 4] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien [medeverdachte 4] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voorzover de mededaders van [medeverdachte 4] voormeld bedrag hebben betaald, [medeverdachte 4] in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. A.H. de Wild en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. M. Wegter.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 mei 2011.