Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ5233

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
105.007.579/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX0331, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX0331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bevoegdheid ex art. 767 Rv bij exclusieve keuze voor de Russische rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel, kamer 2

Uitspraakdatum : 22 maart 2011

Zaaknummer : 105.007.579

Rolnummer (oud) : 08/0169

Rolnummer Rechtbank: 04/4199

Arrest

in de zaak van:

INGOSSTRAKH INSURANCE COMPANY,

gevestigd te Moskou, Rusland,

appellante,

hierna te noemen: Ingosstrakh,

procesadvocaat: mr. E. Grabandt (’s-Gravenhage),

advocaat: mr. G.J.W. Smallegange,

tegen

A.Y. EN’KOV, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement

van Baltic Shipping Company,

kantoorhoudende te Sint Petersburg, Rusland,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de curator; de failliet: BSC,

procesadvocaat: mr. W.P. den Hertog (’s-Gravenhage),

advocaat: mr. H. Boonk.

Het verdere verloop van het geding

Op 21 april 2009 is een tussenarrest in deze zaak uitgesproken. Daarna is door Ingosstrakh een akte met productie ingediend en door de curator een akte na tussenarrest met bijgevoegd producties. De behandelend advocaten hebben de zaak vervolgens aan de hand van pleitnota’s bepleit. Bij die gelegenheid hebben beide partijen producties in het geding gebracht. Na afloop is een datum voor arrest bepaald.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. De vraag die in deze zaak centraal staat is of de Nederlandse rechter ex art. 767 Rv bevoegd is om kennis te nemen van een geldvordering die de Russische curator in het faillissement van de voormalige Russische Staatsrederij BSC heeft ingesteld tegen de Russische verzekeraar Ingosstrakh.

2. Niet in geschil is dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord indien tussen Ingosstrakh en BSC een exclusief werkend forumkeuzebeding geldt waaraan ook de curator is gebonden . Ingosstrakh meent dat dit geval zich voordoet en beroept zich hierbij op clausule 4.3 van de tussen haar en BSC toepasselijke verzekeringsvoorwaarden (hierna: de Ingosstrakh-rules). Van die clausule zijn diverse vertalingen gepresenteerd. In het tussenarrest is een Engelse vertaling weergegeven. Uit de nadien door de curator ingediende akte wordt de navolgende Nederlandse vertaling overgenomen:

“Geschillen met betrekking tot vorderingen op Ingosstrakh worden beslecht conform de vastgestelde jurisdictie langs gerechtelijke of scheidsgerechtelijke weg in de stad Moskou. [..]”

3. In het tussenarrest is verzocht om nadere informatie over het Russische recht met betrekking tot onder meer de volgende aspecten: is de clausule geldig overeengekomen, werkt zij exclusief, is zij van toepassing op de onderhavige vorderingen van de curator en kan zij aan hem worden tegengeworpen. Deze aspecten betreffen de materiële geldigheid en gelding van het beding. Partijen zijn het erover eens dat de beoordeling daarvan moet plaatsvinden naar Russisch recht. Dat is ook het rechtstelsel dat volgens het conflictenrecht op het beding van toepassing is, zowel op basis van accessoire aanknoping bij het recht dat de hoofdovereenkomst beheerst als volgens de lex fori van het door de clausule aangewezen gerecht.

4. Ingostrakh heeft een legal opinion van Prof. Ivanov Georgiy Georgievich overgelegd en BSC een legal opinion van de Russische advocaat Yury E. Monastyrsky. Op die laatste opinie is weer gereageerd door Prof. Ivanov.

Bestudering van deze opinies en van de relevante Russische regelgeving leidt tot de volgende beoordeling.

5. Art. 4.3 van de Ingosstrakh-rules verwijst voor een dispuut tussen Ingostrakh en BSC naar de gerechtelijke arbitrazh procedure te Moskou. Daarmee volgt deze bepaling de door het Russische rechtssysteem voorgeschreven rechtsgang die ook zonder de clausule geldt voor zakelijke geschillen tussen deze twee vennootschappen waarvan de aangesproken partij in Moskou gevestigd is. Bevoegd is in dat geval het Arbitrazh Court te Moskou (dat is daar het Staatsgerecht voor ‘economic disputes’).

6. Bedoeld art. 4.3 is in Rusland een gebruikelijke jurisdictieclausule in zakelijke contracten. Naar Russisch recht wordt deze clausule als geldig gezien - ook indien zij deel uitmaakt van toepasselijk verklaarde voorwaarden - en bindt zij de curator in het faillissement van een contractspartij.

7. Bij de vraag naar het toepassingsbereik van het beding en die betreffende de exclusiviteit ervan gaat het om kwesties van uitleg, waarop eveneens Russisch recht van toepassing is.

Ten aanzien van het toepassingsbereik valt op dat het beding ruim is geformuleerd; het wijst een forum aan voor geschillen over vorderingen van BSC op Ingosstrakh met wie een verzekeringsovereenkomst bestond. Daaronder vallen de door de curator ingestelde vorderingen, die ook in zijn optiek een verzekeringsrechtelijke achtergrond hebben. De opvatting van de curator dat geen sprake is van een geschil kan niet als juist worden aanvaard; het geschil bestaat kort gezegd hieruit dat de curator / BSC vorderingen pretendeert op verzekeraar Ingosstrakh en dat Ingosstrakh haar verplichting tot betaling betwist. Indien al Ingosstrakh in een eerder stadium de claim(s) heeft erkend, neemt dat niet weg dat haar gehoudenheid tot betaling thans in geschil is. Het gaat om een ‘economic dispute’. Aanwijzingen dat Ingosstrakh en BSC, in weerwil van de ruime bewoordingen van het beding, een beperkte strekking hebben beoogd, in die zin dat het niet geldt voor ‘economic disputes’ als het onderhavige, ontbreken.

Een en ander geldt evenzeer ten aanzien van de exclusieve werking van het beding. Naar Russisch recht ziet het beding op alle vorderingen van BSC op Ingosstrakh en wijst het daarvoor bij uitsluiting de arbitrazh procedure in Rusland aan. Ook hier geldt dat er, bij gebreke aan aanwijzingen voor het tegendeel, vanuit mag worden gegaan dat aansluiting is gezocht bij deze naar Russisch recht voorgeschreven rechtsgang en dat BSC en Ingosstrakh bedoeld hebben het Arbitrazh Court te Moskou exclusieve bevoegdheid toe te kennen voor vorderingen van BSC op Ingosstrakh. Overigens heeft de curator in een eerder stadium ook een procedure bij “the Arbitration Court” in het vooruitzicht gesteld. Opgemerkt wordt verder nog, eveneens ten overvloede, dat een uitleg naar Nederlands recht niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid.

8. Aangaande de toelaatbaarheid en de gevolgen van het beding wordt het volgende overwogen. Het gaat hierbij om de procesrechtelijke aspecten. Die worden beheerst door de lex fori, dat wil zeggen de lex fori van de rechter wiens bevoegdheid wordt uitgesloten wat de derogerende werking betreft; in casu dus Nederlands recht.

9. Naar Nederlands, evenals naar Russisch recht geldt dat het BSC en Ingosstrakh vrij stond om de bevoegdheid van het door de Russische regelgeving voorgeschreven gerecht - in casu het Arbitrazh Court te Moskou - overeen te komen. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Wel heeft de curator betoogd dat art. 4.3 van de Ingosstrakh-rules dermate ruim is geredigeerd dat niet voldaan is aan de eis die art. 8, lid 2, Rv stelt ten aanzien van de bepaaldheid van de rechtsbetrekking waarvoor de forumkeuze geldt. Dit betoog wordt verworpen.

Art. 8, lid 2, Rv biedt geen ruimte voor algemene forumkeuzes voor een onbeperkt aantal van alle soorten zaken. Daarvan is hier echter geen sprake. Tussen BSC en Ingosstrakh bestond een verzekeringsrechtelijke verhouding. In dat kader hebben zij afgesproken dat voor vorderingen van BSC op Ingosstrakh het aangewezen gerecht te Moskou bevoegd zou zijn. De onderhavige vorderingen hebben bedoelde verzekeringsrechtelijke verhouding als achtergrond; Ingosstrakh wordt in haar hoedanigheid van verzekeraar aangesproken tot uitkering van verzekeringspenningen. In die hoedanigheid is zij volgens de curator gehouden om door haar (deels) erkende claims op overeengekomen of toegezegde wijze te voldoen. De verweren waarvan Ingosstrakh zich vervolgens bedient – onder meer het beroep op verrekening – maken niet dat er een totaal andersoortig geschil ontstaat en dat de band met de verzekeringsrechtelijke achtergrond wordt doorbroken.

10. Hieronder wordt ingegaan op de overige verweren van de curator.

11. Allereerst het verweer dat door verwijzing in de verzekeringscertificaten naar de “terms and conditions of the United Kingdom Mutual Steam Ship Assurance Association (Bermuda)” de in rule 40 daarvan opgenomen arbitrageclausule (Londen) geldt. Dit verweer faalt, reeds omdat het in deze zaak gaat om claims die voortspruiten uit de verzekeringsovereenkomst met Ingosstrakh en die tegen haar zijn gericht en niet tegen de UK Club als herverzekeraar. Voor zover het standpunt van de curator inhoudt dat de verwijzing naar de UK Club-rules zo moet of mag worden uitgelegd dat het arbitraal beding ook geldt met betrekking tot vorderingen van BSC op Ingosstrakh en - over de gehele linie of in het specifieke geval van de afspraken over de rechtstreekse betaling van UK Club-aandeel - als soort voorrangsregel de forumkeuze opzij zet, heeft hij dit onvoldoende onderbouwd. Daarnaast geldt dat de arbitrageclausule uit de UK Club-rules, die afwijkt van de zonder die clausule voorgeschreven rechtsgang, niet rechtsgeldig is geïncorporeerd in de verzekeringsovereenkomst tussen Ingosstrakh en BSC. Dit geldt in het algemeen en in het onderhavige geval te meer nu volgens de niet weersproken opmerking van Ingosstrakh de verwijzing naar de UK Club-rules slechts ziet op bepaalde onderdelen daarvan, waaronder niet het arbitraal beding. Bovendien helpt het beroep op de arbitrageclausule de curator niet verder, aangezien bij een geslaagd beroep eveneens een onbevoegdverklaring zou moeten volgen.

12. Een volgend verweer van de curator is dat art. 4.3 van de Ingosstrakh-rules niet kan worden gezien als een derogerende forumkeuze als bedoeld in art. 8, lid 2, Rv omdat het Russische procesrecht dwingend het Arbitrazh Court te Moskou als exclusief forum voorschrijft. Ook dit verweer faalt.

Dat de forumkeuze aansluit bij de door het Russische procesrecht voorgeschreven jurisdictie is op zichzelf geen aanwijzing dat het beding niet rechtsgeldig is overeengekomen, noch betekent dit dat de contractspartijen hun keuze niet in vrijheid hebben gemaakt. Het laatste alleen al niet omdat gesteld noch gebleken is dat opname in het contract van het forumkeuze beding verplicht was. Die keuze had ook achterwege kunnen worden gelaten, in welk geval zij niet met succes aan de curator had kunnen worden tegengeworpen.

Overigens ondergraaft de curator zelf dit verweer met een ander verweer inhoudende dat een onmogelijkheid om een buitenlandse rechter als bevoegde rechter aan te wijzen in strijd is met de Russische constitutie en met voor Rusland geldende verdragen. Ook dit andere verweer faalt, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat BSC en Ingosstrakh iets anders hebben gewenst dan het bevoegde gerecht te Moskou als forum te kiezen. De vraag of zich inderdaad een onmogelijkheid voordoet om te kiezen voor een buitenlands forum en wat hiervan de consequenties zijn kan daarom blijven rusten.

13. Weer een ander verweer is dat art. 4.3 van de Ingosstrakh-rules naar een niet meer bestaande instantie verwijst. Dit verweer berust op een misverstand aangezien art. 4.3 niet een specifieke instantie noemt maar bevoegd verklaart het door de jurisdictieregels aangewezen gerecht te Moskou. Bovendien wordt voorbijgezien aan de overgangsregeling.

14. Het subsidiaire standpunt van de curator, dat voor hem de Nederlandse rechter een forum necessitatis is - onder meer vanwege de volgens de curator te verwachten oneerlijke en niet objectieve berechting - wordt verworpen, reeds omdat de stellingen die hij daaraan ten grondslag heeft gelegd, te weten dat Ingosstrakh een Russisch staatsbedrijf is en dat (om die reden) nog nooit een vorderingen tegen Ingosstrakh is toegewezen, door Ingosstrakh gemotiveerd zijn weersproken en vervolgens door de curator niet nader zijn onderbouwd. Ook los hiervan blijkt uit hetgeen de curator heeft gesteld en aan producties heeft overgelegd onvoldoende dat het door de Ingosstrakh-rules aangewezen forum niet voorziet in een behoorlijke rechtsgang in een zakelijk geschil als het onderhavige (waarin het niet gaat om aanzienlijke belangen die de Russische overheid als de hare beschouwt) en dat om die of een andere reden van de curator niet kan worden gevergd dat hij het geschil aan het oordeel van dat gerecht onderwerpt. Overigens heeft de curator dit subsidiaire standpunt eerst in hoger beroep ingenomen en heeft hij in een eerder stadium zelf aangekondigd om zich bij verder uitblijven van betaling, behalve tot het Arbtration Court, rechtstreeks tot “the administration of the President of Russian Federation” te zullen wenden.

15. Voor zover in de door BSC geproduceerde legal opinion van het voorgaande afwijkende opvattingen zijn vermeld wordt daaraan voorbijgegaan, omdat die opvattingen onvoldoende zijn onderbouwd en de juistheid ervan niet is gebleken.

16. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat sprake is van een geldig forumkeuzebeding dat het gerecht van een vreemde staat bij uitsluiting aanwijst voor vorderingen als die door de curator zijn ingesteld. Erkenning ervan is niet kennelijk onrechtvaardig of in strijd met de openbare orde en het beroep erop is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De Nederlandse rechter heeft derhalve geen rechtsmacht. Met vernietiging van het bestreden vonnis, waarin partijen slechts in overweging werd gegeven om zich tot de bevoegde Russische rechter te wenden, volgt daarom alsnog een onbevoegdverklaring. De curator is de in het ongelijk gestelde partij en moet om die reden de proceskosten van beide instanties dragen.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

- vernietigt het bestreden vonnis;

- verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd tot kennisneming van de vordering in de hoofdzaak;

- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van Ingosstrakh tot aan deze uitspraak bepaald op € 4.631,88 aan verschotten (waarvan € 4.067,- voor de eerste aanleg) en op € 3.224,-- aan salaris voor de advocaat (waarvan € 452,- voor de eerste aanleg).

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, A.A. Rijperman en A.J. Berends en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2011 in aanwezigheid van de griffier.