Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ4970

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
105.003.564-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wijze van berekenen verbruik gas, water en elektriciteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 105.003.564/01

Rolnummer (oud) : C05/01184

Rolnummer rechtbank : 231433/KG ZA 05-33

Arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 26 april 2011

inzake

Robert Johannes Pleisier,

wonende te Rotterdam,

appellant,

hierna te noemen: Pleisier,

advocaat: mr. F.L. van der Eerden te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Eneco Energie Service B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Eneco,

advocaat: mr. G.E. Toxopeus te Rotterdam.

Het geding

1.1 Op 27 oktober 2009 heeft het hof een tussenarrest gewezen. Vervolgens heeft Eneco een akte genomen en heeft Pleisier een antwoordakte genomen.

1.2 Op 28 februari 2011 heeft Pleisier de stukken gefourneerd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1 In het tussenarrest van 27 oktober 2009 is, kort gezegd, overwogen dat Pleisier een betalingsverplichting heeft voor de aan hem geleverde elektriciteit, gas en water op het adres Diergaardesingel 62A te Rotterdam. Ten aanzien van de hoogte van haar vordering heeft Eneco gesteld dat zij haar vordering heeft gerelateerd aan het verschil tussen de eindmeterstanden van degene die de woning aan de Diergaardesingel vóór Pleisier heeft bewoond en de meterstanden zoals die op 19 januari 2005 bij de afsluiting van gas en elektriciteit door Eneco zijn opgenomen. Tevens heeft Eneco gesteld dat in rekening gebrachte termijnbedragen met het geregistreerde verbruik door Pleisier zijn verrekend. Het hof heeft Eneco in de gelegenheid gesteld om de berekening van haar vordering te preciseren bij akte.

2.2 Bij akte na tussenarrest heeft Eneco vervolgens gesteld dat – hoewel de voorganger van Pleisier de woning per 1 april 2001 heeft verlaten – zij na herberekening haar vordering wil beperken tot de periode vanaf 1 april 2003 tot en met de datum van afsluiting, 19 januari 2005. Alle in 2003 en 2004 in rekening gebrachte incassokosten komen te vervallen. De vordering in hoofdsom komt uit op een bedrag van € 2.835,10.

2.3 Pleisier wordt door Eneco niet langer gehouden geacht tot betaling van een bedrag van € 5.311,09 met € 663,- wegens buitengerechtelijke incassokosten en betaling van termijnbedragen. De grief van Pleisier tegen de bekrachtiging van de veroordeling tot betaling van deze bedragen slaagt dus in zoverre en voor dit deel dient het vonnis van 19 april 2005 te worden vernietigd.

Ten einde het geschil tussen partijen te beslechten wordt het volgende overwogen.

2.4 Eneco stelt ter onderbouwing van haar verminderde vordering tot betaling van € 2.835,14 bij akte na tussenarrest dat zij op 26 augustus 2003 de meterstanden heeft opgenomen en deze op basis van de (graad)dagenmethode heeft teruggerekend tot 1 april 2003 (de begindatum van de jaarnota). Vervolgens heeft zij deze meterstanden vergeleken met de gespecificeerde meterstanden die zijn opgenomen bij de afsluiting van gas en elektriciteit op 19 januari 2005.

2.5 Pleisier heeft de door Eneco gehanteerde meterstanden van 26 augustus 2003 en 19 januari 2005 niet betwist. Derhalve gaat het hof uit van de juistheid van de door Eneco gehanteerde meterstanden. Eneco heeft de meterstanden van augustus 2003 vervolgens teruggerekend naar 1 april 2003. Naar het hof begrijpt, is Pleisier het met de berekening niet eens. Hij stelt voor om aan te sluiten bij het door hem ingevulde verhuisformulier. Het hof ziet echter geen reden om de door Eneco gemaakte berekening voor onjuist te houden, omdat Eneco slechts over een relatief korte periode tot 1 april 2003 het verbruik heeft teruggerekend en Pleisier niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarbij fouten zijn gemaakt.

2.6 In reactie op de akte van Eneco heeft Pleisier een eigen berekening gemaakt van het verbruik. Door zich te beperken tot het verbruik miskent hij dat hij ook betaling verschuldigd is voor onder meer vastrecht, transport, aansluiting en belastingen die samenhangen met de geleverde elektriciteit, gas en water. Reeds om deze reden kan aan de berekening van Pleisier geen doorslaggevende betekenis worden gehecht.

2.7 Nu op Pleisier een betalingsverplichting rust voor de aan hem geleverde elektriciteit, gas en water en Eneco de geleverde eenheden elektriciteit, gas en water bij akte voldoende heeft gespecificeerd, zal het hof Pleisier veroordelen tot betaling van het gevorderde bedrag van € 2.835,10. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 juli 2004 heeft Pleisier geen verweer gevoerd, zodat ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

2.8 Pleisier heeft geen afzonderlijke grieven gericht tegen de bekrachtiging van het bevel om personeel van Eneco toegang te verlenen tot de woning en de machtiging om dit eventueel te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie. De bekrachtiging van dit bevel en deze machtiging in eerste aanleg zal derhalve ook in hoger beroep in stand blijven.

2.9 Ten aanzien van de proceskosten wordt het volgende overwogen.

Hoewel de bekrachtiging van de veroordeling tot betaling van Pleisier in eerste aanleg wordt vernietigd, zal de veroordeling van Pleisier in de kosten van het geding in eerste aanleg worden bekrachtigd omdat Pleisier in eerste aanleg (waar hij de gehele vordering betwiste) overwegend in het ongelijk is gesteld. Ook in hoger beroep wordt Pleisier veroordeeld tot betaling van een geldsom en in die zin is hij nog steeds te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij.

Het hoger beroep van Pleisier is echter wel succesvol in die zin dat het te betalen bedrag lager is dan het bedrag dat de rechtbank heeft toegewezen. Omdat partijen aldus in hoger beroep ieder deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten in hoger beroep tussen partijen worden gecompenseerd. Zij dienen elk de eigen kosten van het hoger beroep te betalen.

Beslissing

Het Gerechtshof:

vernietigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2005 voor zover daarbij is bekrachtigd het verstekvonnis van 25 november 2004, doch uitsluitend met betrekking tot de veroordeling van Pleisier tot betaling van:

a. een bedrag van € 5.311,09, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten en

b. termijnbedragen;

veroordeelt Pleisier om aan Eneco tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.835,10 (zegge: tweeduizendachthonderdvijendertig euro en tien cent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 juli 2004;

bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2005 voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, G. Dulek-Schermers en H.J.H. van Meegen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2011 in aanwezigheid van de griffier.