Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ3873

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
22-006015-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing van een geldbedrag. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een navigatiesysteem. Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door in een discotheek een bezoeker tegen het gezicht te slaan. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-006015-09

Parketnummers: 13-437676-07, 23-002983-06 (TUL) en 13-412363-07 (TUL)

Datum uitspraak: 9 februari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

meervoudige kamer voor strafzaken

zittinghoudende te 's-Gravenhage

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2008 en de van dat vonnis deeluitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats (Marokko) op [geboortedag] 1983,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Midden Holland - HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het oorspronkelijk onder 3 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het 1, 2 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien de vordering van de benadeelde partij, het beslag en de vorderingen tot tenuitvoerlegging, als in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg oorspronkelijk onder feit 3 primair, subsidiair en meer subsidiair gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Het hof heeft de feiten die in deze dagvaarding zijn opgenomen - rekeninghoudend met voornoemde vrijspraak - van een doorlopende nummering voorzien. Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 december 2007 te Amsterdam op de [straat A], althans op de openbare weg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 5 euro en/of enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte:

- (dicht) naast en/of achter voornoem[aangever 1] is gaan lopen, en/of

- tegen voornoemde [aangever 1] heeft gezegd/geroepen: "Geef me jouw geld", althans woorden van gelijke dreigende strekking, en/of

- vervolgens zijn, verdachtes, jas opende en met zijn hand in (de richting van) de (binnen)zak in/onder voornoemde jas is gegaan, en/of

- vervolgens tegen voornoemde [aangever 1] heeft gezegd/geroepen "ik wil meer geld", althans woorden van gelijke dreigende strekking, terwijl hij, verdachte, achter voornoemde [aangever 1] aan is blijven lopen, en/of

- vervolgens in een aldaar aanwezige taxi is gestapt, terwijl voornoemde [aangever 1] kort daarvoor was ingestapt, en/of

- tegen voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] heeft gezegd/geroepen: "Geef me tien euro, dan laat ik jullie gaan!", altans woorden van gelijke dreigende strekking;

2.

hij op of omstreeks 28 december 2007 te Amsterdam op de [straat B], althans op de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een navigatiesysyteem en/of bijbehorende houder, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- tegen voornoemde [aangever 2] en [aangever 1] heeft gezegd/geroepen: "Geef mij tien euro,dan laat ik jullie gaan", en/of

- voornoemde [aangever 2] met vlakke hand tegen het gezicht, althans het lichaam, heeft geslagen;

3.

hij op of omstreeks 19 mei 2007 te Amsterdam opzettelijk mishandelend een of meermalen heeft gestompt en/of geslagen tegen het gezicht van [aangever 3], waardoor voornoemde [aangever 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerde verweren

Ten aanzien van feit 1 en 2

De verdediging heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de verdachte van het sub 1 en 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, het volgende aangevoerd, zakelijk weergegeven:

a. het door de aangever De [aangever 1] opgegeven signalement komt niet overeen met dat van de verdachte;

b. bij de fouillering van de verdachte is niets relevants aangetroffen;

c. volgens de aangever was er sprake van los geld, de verdachte had briefgeld;

d. het is niet aannemelijk dat voor € 5,- wordt afgeperst als de verdachte € 170,- op zak heeft;

e. de verdachte heeft een, overigens niet onderzochte, verklaring voor zijn aanwezigheid ter plaatse;

f. het alibi van de verdachte klopt;

g. de ene aangever herkent de verdachte niet;

h. de andere aangever stelt de verdachte aan zijn kleding te herkennen, terwijl hij alleen naar zijn gezicht gekeken zou hebben.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ad a, g en h.

- Het onderhavige incident heeft zich voorgedaan op 28 december 2007 tegen 01.40 uur. Tegenover de ter plaatse gekomen verbalisanten hebben de aangevers [aangever 1] en [aangever 2], los van elkaar, eenzelfde signalement van de dader opgegeven. Hierbij is geen melding gemaakt van een jas. De beide aangevers hebben aan de verbalisanten uitgelegd wat er feitelijk gebeurd was.

- De aangever [aangever 1] is 1 uur later via een spiegel geconfronteerd met de intussen aangehouden verdachte. Hij heeft de verdachte voor 100 % herkend als de dader. Hij heeft daarbij aangegeven dat de man dezelfde kleren aanhad als bij de beroving. Door de verbalisant is gerelateerd dat de aangever hem later heeft gezegd dat hij de verdachte had herkend aan zijn gezicht met sikje en zijn jas.

- Op 30 december 2007, dus 2 dagen na het incident, is van de aangever [aangever 1] een schriftelijke aangifte opgenomen. Bij de omschrijving van de dader heeft deze onder meer verklaard: "Zwarte jas, ik denk lang model".

- Op 17 januari 2008 is de aangever [aangever 1] nader gehoord. Toen heeft hij op de vraag wat de dader droeg toen hij achter de spiegel stond geantwoord: "Ik keek naar zijn gezicht".

- Van de aangever [aangever 2] is op 28 december 2007 een schriftelijke aangifte opgenomen. Daarin heeft hij bij de omschrijving van de dader onder meer verklaard: "Korte zwarte lederachtige jas". In een nadere verklaring op 17 januari 2008 heeft de aangever [aangever 2] verklaard: "Hij had een korte leren jas".

- Op 7 maart 2008 heeft de aangever [aangever 2] de verdachte niet herkend uit een fotoselectie.

Het hof hecht betekenis aan de uitkomst van de spiegelconfrontatie die de aangever [aangever 1] met de verdachte heeft gehad 1 uur na het incident. Het korte tijdsverloop tussen incident en confrontatie draagt in belangrijke mate bij aan de betrouwbaarheid van de herkenning in deze confrontatie. Aan deze betrouwbaarheid draagt tevens bij hetgeen de verbalisant heeft gerelateerd, namelijk dat de verbalisant zag dat de aangever, toen hij de verdachte zag, geschrokken naar achteren liep en zijn ogen helemaal geopend had.

Aan deze betrouwbaarheid wordt geen afbreuk gedaan doordat in een 2 dagen later opgenomen verklaring de aangever [aangever 1] heeft gesproken over een lang model jas. De aangever heeft dit niet met grote zekerheid verklaard, blijkens de toevoeging "ik denk". Dat de verdachte bij de omschrijving van de jas van de dader niet gesproken heeft over grijs/blauwe strepen, is niet relevant. Deze strepen waren (zie foto dossier pag.37) niet zo bijzonder opvallend dat aan het niet noemen ervan enige betekenis moet worden toegekend.

Aan deze betrouwbaarheid wordt evenmin afbreuk gedaan doordat de aangever De [aangever 1] op 17 januari 2008, 20 dagen na het incident en de spiegelconfrontatie, in een nader verhoor op de vraag naar de kleding van de dader geen antwoord heeft gegeven en heeft gezegd dat hij naar zijn gezicht had gekeken.

Ook aan de omstandigheid dat de aangever [aangever 2] de verdachte bij een meervoudige fotoconfrontatie niet heeft herkend moet geen grote betekenis worden gehecht gelet op het tijdsverloop (ongeveer 10 weken) tussen incident en fotoconfrontatie. Zeker kan daaruit niet geconcludeerd worden dat de niet-herkenning een belangrijke aanwijzing is dat de verdachte niet de dader van de beroving is geweest.

Ad b.

Dat bij de verdachte niets relevants is aangetroffen is niet van belang. Geen van beide aangevers heeft immers verklaard dat de dader bij de beroving een voorwerp heeft gebruikt. Aangegeven is slechts dat gedacht werd dat de dader iets onder zijn jas had. De aangever [aangever 2] heeft verklaard dat het weggenomen navigatiesysteem tijdens het wegrennen van de dader op de grond is gegooid of gevallen en door hem, [aangever 2], is opgeraapt. De aangever [aangever 1] heeft hem ook met het navigatiesysteem zien terugkomen.

Ad c.

Dat een verbalisant het aangetroffen opgefrommelde 5 euro-biljet in relatie brengt met de beroving is niet relevant. Feit is dat de verdachte dit biljet bij zich had. Hij had echter tevens een bedrag van € 7,95 aan muntgeld bij zich, zoals uit de fouillering van de verdachte is gebleken (proces-verbaal [verbalisant 1] d.d. 31 december 2007). De stelling van de aangever dat er sprake is geweest van muntgeld kan niet op grond van de fouillering van de verdachte als onwaarschijnlijk terzijde worden geschoven, hetgeen wellicht wel mogelijk zou zijn geweest indien de verdachte geen muntgeld bij zich gehad zou hebben.

Ad d.

De stelling dat het niet aannemelijk is dat afgeperst wordt voor € 5,- terwijl men zo'n € 170,- bij zich had, snijdt geen hout. Bij de beroving wist de dader immers niet hoeveel geld het slachtoffer bij zich had. De aangever De [aangever 1] heeft bovendien verklaard dat de dader om meer geld vroeg toen hij de € 5,- had gegeven en ook de aangever [aangever 2] heeft verklaard dat de dader om geld vroeg. Op dat moment had de aangever De [aangever 1] het geld al gegeven.

Ad e en f.

Het is juist dat de verdachte een verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid ter plaatse. De verdachte zou op de plaats van zijn aanhouding zijn geweest nadat hij een bar had bezocht en op weg was naar huis. Onderweg zou hij hebben moeten overgeven. Zijn aanvankelijk gegeven aanduiding van de bar waar hij geweest zou zijn heeft de verdachte daarna gecorrigeerd. Uit nader onderzoek (proces-verbaal d.d. 11 januari 2008) is gebleken dat de door de verdachte bedoelde bar de [bar A] is en dat deze bar op weekdagen een exploitatievergunning heeft tot 01.00 uur. Volgens de verdachte is hij bij de betreffende bar weggegaan toen deze nog open was. Dit moet dus, het gaat immers om de nacht van donderdag op vrijdag, vóór 01.00 uur geweest zijn.

Wanneer wordt uitgegaan van de lezing van de verdachte over zijn bezoek aan de betreffende bar en zijn vertrek aldaar, levert dat hem geen alibi op ten aanzien van het onderhavige berovingsincident dat zich omstreeks 01.40 uur heeft afgespeeld op de [straat A] hoek [straat C], op korte afstand (enkele honderden meters) van de plaats waar de verdachte om 01.50 uur is aangetroffen en aangehouden.

Uit het dossier blijkt niet dat de politie nader onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van de stelling van de verdachte dat hij onderweg naar de plaats van de aanhouding heeft overgegeven, zo een dergelijk onderzoek al mogelijk zou zijn geweest. De verbalisanten hebben ook niet gerelateerd dat zij bij de aanhouding van de verdachte overgeefsel hebben zien liggen. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de stelling van de verdachte daarover onjuist is.

Het hof acht echter de stelling van de verdachte wel onaannemelijk omdat hij in zijn eerste verklaring hierover heeft gezegd (dossier pag. 26): "Ik begon daar weer te kotsen en toen ben ik gaan zitten. Op een gegeven moment kon ik niet meer lopen. Ik hoorde die sirenes heen en weer. Ik probeerde op te staan om door te lopen. Toen hoorde ik "Daar zit ie".", terwijl de verbalisanten een andere, daarmee niet goed te verenigen, waarneming hebben gedaan, namelijk dat de verdachte achter een of meer auto's wegdook toen zij ter plaatse waren gekomen.

Dat er geen onderzoek is gedaan naar de stelling van de verdachte dat hij na zijn aanhouding in het cellencomplex heeft overgegeven, acht het hof niet van groot gewicht omdat de eventuele juistheid van die stelling niet tot de dwingende conclusie leidt dat de verdachte het tenlastegelegde feit niet heeft gepleegd.

Op grond van het vorenstaande dienen te door de verdediging opgeworpen verweren te worden gepasseerd.

Ten aanzien van feit 3.

De verdediging heeft gesteld dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken omdat het heel goed mogelijk is dat de negroïde man, niet zijnde de verdachte, de mishandeling van [aangever 3] heeft gepleegd. Subsidiair verzoekt de verdediging de aangever [aangever 3] en de getuige [getuige A] alsnog te horen.

Het hof overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

De aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij eerst werd aangesproken door een man, door hem omschreven als Marokkaans. Daarna werd hij aangesproken door een man, door hem omschreven als licht bruin negroïde. Deze laatste man heeft geprobeerd zijn portemonnee af te pakken. Deze laatste man heeft hij aan de beveiligingsmedewerker aangewezen, deze laatste man heeft de aangever vervolgens geslagen, en deze laatste man is door de beveiligingsmedewerker vastgepakt en aan de politie overgegeven.

De beveiligingsmedewerker [getuige A] heeft verklaard dat de aangever hem had verteld van de poging tot zakkenrollen en dat de aangever de betreffende persoon heeft aangewezen. De beveiligingsmedewerker heeft deze aangewezen persoon omschreven als Marokkaans. Deze beveiligingsmedewerker heeft gezien dat deze Marokkaanse man een slaande beweging maakte naar de aangever en hoorde dat deze werd geraakt, waarna de beveiligingsmedewerker deze man heeft vastgegrepen en overgedragen aan de politie.

Vast staat dat de verdachte de man is die door de politie is aangehouden.

Uit het bovenstaande volgt dat er geen enkel misverstand over kan bestaan dat de verdachte de man is die de aangever geslagen heeft. De enig mogelijke "verwarring" is hierin gelegen dat de aangever de verdachte als een negroïde man heeft omschreven, terwijl de beveiligingsmedewerker deze man als Marokkaans heeft omschreven. De omschrijving door de aangever als licht bruin negroïde is niet onbegrijpelijk, gelet op de getinte huidskleur van de verdachte, zoals blijkt uit de foto's van de verdachte (voorblad en pagina D van het dossier). Van een echte persoonsverwarring kan echter geen sprake zijn.

Op grond van het vorenstaande wijst het hof het verzoek om de aangever en de beveiligingsmedewerker nogmaals te horen af, nu geen enkele noodzaak daartoe aannemelijk is geworden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 28 december 2007 te Amsterdam op de [straat A], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag, toebehorende aan voornoemde De [aangever 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte:

- achter voornoemde De [aangever 1] is gaan lopen, en

- tegen voornoemde De [aangever 1] heeft gezegd: "Geef me jouw geld", en

- vervolgens zijn, verdachtes, jas opende en met zijn hand in de richting van de binnenzak in voornoemde jas is gegaan;

2.

hij op 28 december 2007 te Amsterdam op de [straat B], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een navigatiesysteem en bijbehorende houder, toebehorende aan [aangever 2;

3.

hij op 19 mei 2007 te Amsterdam opzettelijk mishandelend heeft geslagen tegen het gezicht van [aangever 3], waardoor voornoemde [aangever 3] pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Afpersing.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Diefstal.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangennisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing van een geldbedrag. Vermogensmisdrijven die op deze wijze worden gepleegd brengen niet alleen financiële schade met zich mee maar worden bovendien door slachtoffers als zeer bedreigend ervaren. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een navigatiesysteem. Dit is een ergerlijk feit. Dergelijke feiten brengen behalve financiële schade ook gevoelens van onrust teweeg voor de slachtoffers. Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door in een discotheek een bezoeker tegen het gezicht te slaan. Aldus heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Tevens heeft het hof kennis genomen van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2011 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat hij al meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat de behandeling van de zaak in hoger beroep, gelet op het tijdsverloop tussen de uitspraak in eerste aanleg en de behandeling van de zaak in hoger beroep, niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Gelet op de mate van overschrijding van die termijn zal het hof, nu aan alle voorwaarden voor bestraffing is voldaan, de overschrijding van bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat.

Het hof is van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden - zoals door de advocaat-generaal gevorderd - op zijn plaats zou zijn. Gelet echter op de genoemde overschrijding van de redelijke termijn zal het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden opleggen.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp en geldbedrag, vermeld onder nummers 1 en 2 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 2]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 473,79.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 473,79.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van EUR 374,-, met oplegging van de schade-vergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakend feit.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade ad € 473,79 een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 473,79 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2].

Vordering tenuitvoerlegging

Parketnummer 13-412363-07

Bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 8 november 2007 onder parketnummer 13-412363-07 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Parketnummer 23-002983-06

Bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 17 januari 2007 onder parketnummer 23-002983-06 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 300, 310 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van het voorwerp en het geldbedrag vermeld onder nummers 1 en 2 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] tot het gevorderde bedrag van EUR 473,79 (vierhonderddrieënzeventig euro en negenenzeventig cent), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte ter zake van het onder bewezenverklaarde voorts de verplichting op om ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 473,79 (vierhonderddrieënzeventig euro en negenenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 9 (negen) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 8 november 2007 onder parketnummer 13-412363-07 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe en gelast de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 17 januari 2007 onder parketnummer 23-002983-06 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma, mr. S.A.J. van 't Hul en mr. P.H. Holthuis, in bijzijn van de griffier mr. S. Hartog-Zamani.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 februari 2011.

mr. P.H. Holthuis is buiten staat dit arrest te ondertekenen.