Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ3333

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-05-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
22-006407-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3995, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zijn vriendin in haar eigen woning met een vuurwapen doodgeschoten. De verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven in het motief voor zijn handelen en hij heeft zelfs ten onrechte willen doen geloven dat het slachtoffer zichzelf heeft omgebracht door te verklaren dat zij suïcidaal was en door het reeds overleden slachtoffer in een daarmee overeenstemmende positie te brengen. Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie is de verdachte reeds eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van geweldsmisdrijven. 12 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006407-09

Parketnummer: 09-757596-08

Datum uitspraak: 2 mei 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 november 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 april 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 april 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een vuurwapen (van/op korte afstand) een kogel in de borst, althans in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn de in beslag genomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft hij overeenkomstig zijn overgelegde requisitoir aangevoerd dat:

- zelfdoding als doodsoorzaak kan worden uitgesloten;

- de broer van het slachtoffer kan worden uitgesloten als dader;

- een onbekende derde kan worden uitgesloten als dader;

- het slachtoffer, haar broer en de verdachte de avond van 24 april in haar woning aanwezig zijn geweest en verdachte tussen 22:30 uur en 22:35 uur is thuisgekomen en dat

- op basis van de verklaringen van de benedenbuurman, de verklaring van de halfzus van het slachtoffer, de door de verdachte met zijn broer gevoerde ovc-gesprekken, het aantreffen van zijn schoen op straat, de verdwijning van de door de verdachte op de avond van 24 april 2008 gedragen trui, de bevindingen met betrekking tot de telefoon van de moeder van verdachte, de bevindingen ter zake van het uitkijken van de camerabeelden in de binnenstad, het aangetroffen DNA, de conclusies van het schotrestenonderzoek, alsmede de verklaring van de verdachte zelf en een bij hem bestaand motief, het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is overeenkomstig de overlegde pleitnota bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu niet uitgesloten kan worden dat een (onbekende) derde persoon de dader is.

In de kern weergegeven heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat er uit de ouderlijke woning van de verdachte aan [adres 1] een bedrag van

€ 17.000,- is verdwenen, terwijl weinig mensen, behalve een aantal relaties van het slachtoffer, daar vanaf wisten. Volgens de verdediging moet het zo zijn geweest dat de dader(s), na in de woning aan [adres 2] te zijn binnengelaten of -gekomen, met de sleutel van het slachtoffer naar [adres 1] is/zijn gegaan en daar zowel het geldbedrag als de mobiele telefoon van de moeder van de verdachte heeft/hebben weggenomen. Dit laatste om de recherche op een dwaalspoor te zetten door deze telefoon onder het hoofdkussen van de verdachte in [adres 2] neer te leggen. Op enig moment is het slachtoffer bij deze ontmoetingen doodgeschoten door de onbekende dader(s), aldus de verdediging.

Het hof gaat op basis van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden1 en verbindt daaraan zijn conclusies

1. Het aantreffen van het overleden slachtoffer

Op 25 april 2008 wordt de politie verzocht te gaan naar de woning aan het adres [adres 2] te Den Haag naar aanleiding van een melding van een man dat hij zijn vriendin in de genoemde woning met een schot in de borst heeft aangetroffen. Na toegang tot deze woning te hebben verkregen zien de verbalisanten in de woonkamer op een bank een vrouw liggen. Zij zien dat de vrouw boven de linkertepel een wond heeft. Verder zien zij dat de vrouw bij haar linkerhand een zilverkleurig vuurwapen met zwarte handgrepen heeft. Eén van de verbalisanten voelt dat de vrouw koud aanvoelt. Een aanwezige ambulancebroeder geeft via de centralist van de GG&GD aan dat het een "mors" betreft. De eerder bedoelde man wordt dan aangehouden. Hij blijkt te zijn [verdachte], geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats].2 Hij wordt ook wel [bijnaam verdachte] genoemd.3 Het slachtoffer wordt door haar ouders geïdentificeerd als [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer]4 Het hof zal haar verder aanduiden als het slachtoffer.

2. De oorzaak van het overlijden

Op het lichaam van het slachtoffer is sectie verricht. In het rapport van de sectie is het volgende als resultaat, interpretatie en conclusie verwoord. Links aan de borst, door de tepelhof, net boven de tepel bevindt zich een ronde huidperforatie (inschotopening). In het verlengde van dit letsel is een wondkanaal dat verloopt van voor naar achteren, iets middenwaarts en iets naar boven. Het wondkanaal ligt in de linkerborst, de borstwand en het hart. Het hart is geperforeerd. Het wondkanaal loopt door de voorwand van de rechterkamer, door het tussenschot en door de achterwand van de linkerkamer. Los in de linkerborsthelft ligt een geelwit metalen kogel. Er is circa 550 cc bloed in de linker borsthelft en rijkelijk bloed in het hartzakje. Gezien de grote hoeveelheid bloed in de borstholte rond het hart alsmede het microscopisch beeld dat wordt gezien bij letseldatering is dit letsel bij leven opgelopen en verklaart dat het intreden van de dood zonder meer op basis van bloedverlies en hartfunctieverlies. Bij de letseldatering heeft het beeld van de borstspier en het schotkanaal kenmerken van een letsel dat kort voor het intreden van de dood is opgelopen.5

Uit het bovenstaande blijkt naar het oordeel van het hof dat het slachtoffer in de borst is geraakt door één schot met een kogel. Daarbij is haar hart geperforeerd en is zij kort daarop ten gevolge daarvan komen te overlijden.

3. Het tijdstip van overlijden

In het begin van de avond van 24 april 2008 is de verdachte samen met het slachtoffer en haar broer [broer slachtoffer] (hierna aangeduid als: broer van het slachtoffer) gaan eten bij restaurant Fat Kee te 's-Gravenhage. Zij nuttigen daar ook alcoholische drank. Na het eten lopen zij in de richting van de woning van het slachtoffer aan de [adres 2] te 's-Gravenhage. Onderweg koopt de verdachte bier in een avondwinkel, dat men onderweg opdrinkt. In de [adres 2] aangekomen gaan de verdachte en de broer van het slachtoffer [café] binnen, een café gelegen tegenover de woning van het slachtoffer. Het slachtoffer komt op een later moment het café binnen. Op een gegeven moment vertrekt het slachtoffer daar weer samen met haar broer.6 De broer van het slachtoffer verklaart bij de politie dat hij en het slachtoffer rond 22:00 uur uit de bar vertrokken en dat hij na thuiskomst in de woning van het slachtoffer meteen, met kleding en schoeisel nog aan, op het bed in de slaapkamer ging liggen, in slaap viel en pas de volgende ochtend wakker werd.7 De verdachte is naar eigen zeggen zijn vriendin en haar broer kort daarop naar huis gevolgd en heeft na thuiskomst de deur vergrendeld door middel van een deurkettingslot. De verdachte heeft de broer van het slachtoffer na thuiskomst niet meer gezien, hij ging er van uit dat deze al naar bed was.8

Het hof stelt vast dat tussen 22:10 uur en 22:24 uur tussen de mobiele telefoon van het slachtoffer en die van de verdachte een aantal (ook sms- en voicemail-)contacten zijn geregistreerd.9 Hieruit leidt het hof af dat beiden in dat tijdsbestek niet in elkaars onmiddellijke nabijheid waren. Na laatstgenoemd tijdstip zijn dergelijke contacten niet meer geregistreerd, hetgeen minstgenomen een aanwijzing vormt dat beiden toen in elkaars gezelschap waren.

Op basis van het bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat het slachtoffer, haar broer en de verdachte op 24 april 2008 rond het tijdstip van 22:30 uur gedrieën in de woning aan de [adres 2] te 's-Gravenhage verbleven en dat de broer van het slachtoffer toen reeds was gaan slapen. Het hof stelt bovendien vast dat elke aanwijzing ontbreekt dat zich toen naast deze drie personen nog één of meer anderen in de woning ophield(en).

Het dossier bevat bevindingen ter zake het gedane onderzoek naar de vraag welke conclusies omtrent het tijdstip van overlijden kunnen worden verbonden aan de temperatuur van het lichaam de volgende morgen, de stijfheid van het lijk van het slachtoffer en de zich vlak onder haar huid bevindende lijkvlekken op de rechterarm, schouder en rug. Gelet echter op het feit dat onduidelijk is gebleven onder welke omstandigheden het lichaam van het slachtoffer sinds haar overlijden in de woning heeft verbleven, zijn op grond van die bevindingen geen eenduidige conclusies te trekken met betrekking tot de vraag op welk tijdstip het slachtoffer precies is overleden. Het hof zal het tijdstip van overlijden dan ook op andere feiten en omstandigheden baseren.

Door de politie is de onderbuurman van het slachtoffer, de [getuige 1], woonachtig op het adres [adres 3], als getuige gehoord. Hij verklaart dat hij om 22:30 uur in zijn woning aanwezig is en dat hij op dat tijdstip een heftige ruzie in de woning boven hem hoort. Hij hoort dat bij die ruzie een mannen- en een vrouwenstem betrokken zijn. De ruzie duurt ongeveer 5 minuten en wordt direct gevolgd door een geluid dat de getuige benoemt als twee "harde stampen". Daarbij denkt de getuige in eerste instantie meteen aan het geluid van een vuurwapen. Na de twee stampen hoort de getuige dat de ruzie direct voorbij is en dat het een paar minuten stil is. De getuige hoort vervolgens één persoon lopen en hij hoort het geschuif van voorwerpen. Tijdens deze geluiden kijkt de getuige op zijn horloge en ziet hij dat het 23:00 uur is. Hierna hoort hij een mannenstem gedurende 20 minuten hysterisch huilen en schreeuwen. Daarna hoort hij een klap van een dichtslaande deur en hij hoort vervolgens dat het geluid van hysterisch huilen en schreeuwen zich verplaatst naar buiten en wegsterft. Hij hoorde verder geen personen meer in de woning van de bovenburen.10

Deze verklaringen van de getuige acht het hof doorslaggevend voor de vaststelling van het tijdstip van overlijden. De getuige heeft in zijn verhoren bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep met name omtrent de genoemde tijdstippen minder stellig verklaard, maar dit acht het hof begrijpelijk, nu er sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen zijn eerste en latere verklaringen. Bovendien heeft de getuige ter terechtzitting in hoger beroep wèl verklaard dat hij destijds zijn verklaring naar beste kunnen heeft afgelegd.

Het hof gaat er op grond van zijn verklaringen van uit dat de twee "harde stampen" die de getuige [getuige 1] heeft gehoord, twee schoten met een vuurwapen zijn geweest, waarvan er één het slachtoffer dodelijk heeft geraakt (de tweede kogel is in de salontafel terechtgekomen; zie hieronder 4.1.2). Het hof heeft dan ook de overtuiging bekomen dat het slachtoffer op 24 april 2008 tussen 22:35 uur en 23:00 uur om het leven is gekomen.

Deze overtuiging vindt voorts steun in de volgende feiten en omstandigheden:

- Om 22:33 uur maakt de mobiele telefoon van het slachtoffer gedurende 26 seconden contact met het mobiele nummer [telefoonnummer 1]. Laatstgenoemd telefoonnummer is in gebruik bij de halfzus van het slachtoffer, [getuige 2].11

Zij verklaart als zij als getuige over dit contact wordt gehoord dat zij aan [slachtoffer] vroeg: "Hebben jullie woorden?", en dat [slachtoffer] antwoordde: "Ja". De getuige verklaart dat zij daarbij de stem van [bijnaam verdachte] op de achtergrond hoorde.12 Op basis hiervan komt het hof tot de conclusie dat de verdachte en het slachtoffer op dat moment kennelijk bij elkaar waren en ruzie hadden.

- Op grond van historische verkeersgegevens staat voorts vast dat met de mobiele telefoon van het slachtoffer na 23:14 uur vele malen kennelijk contact is gezocht met de broer van de verdachte.13 Het hof acht dit gegeven om twee redenen van belang. Allereerst omdat dit tijdstip steun lijkt te geven aan de bevindingen van de getuige [getuige 1] omtrent een heftige ruzie en stampen rond 22:35 uur, gevolgd door andere geluiden, maar ook omdat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat het slachtoffer of haar broer dringend contact met de broer van de verdachte zochten.

4. De veroorzaker van het overlijden

4.1. Resultaten van het technisch onderzoek

4.1.1 Het sporenonderzoek op 25 april 2008

Ten aanzien van het sporenonderzoek op bovengenoemde dag is het navolgende gerelateerd.

De woning aan de [adres 2] ligt op de eerste etage aan een open portiek aan de openbare weg. Boven aan de portiektrap is een overloop waarop vier deuren van verschillende woningen uitkomen. De woning van het slachtoffer is, gezien vanaf de straatzijde, rechts aan de overloop gesitueerd. Na de voordeur komt men in een L-vormige gang met de hoek naar links gezien vanaf de voordeur. Achter de voordeur, rechts van het korte deel van de L-vormige gang is een kleine kamer gesitueerd. Aan het einde van dit korte deel is een douche. Aan het lange deel van de L-vormige gang bevinden zich links het toilet en de keuken. Aan de andere kant van de gang bevinden zich de voorkamer (aan de straatkant) en de woonkamer (aan de binnentuinkant). Beide kamers zijn gescheiden door twee schuifdeuren en vormen aldus een kamer "en suite". Op de voordeur van de woning [adres 2] is geen braakschade aangetroffen. Het slot van de voordeur is evenmin geforceerd.14

In de kleine kamer rechts van de gang sliep de betreffende nacht de broer van het slachtoffer.

Het slachtoffer werd op de bank in de woonkamer aangetroffen; in de voorkamer ligt een matras dat verdachte die nacht als slaapplaats gebruikte. De schuifdeuren stonden die nacht open.15

Op het trottoir, aan de overzijde van pand [adres 2], is een sportschoen aangetroffen, welke schoen is veiliggesteld.

Ten aanzien van het lichaam van het slachtoffer constateert de schouwarts, dr. J. van Hees, dat de lijkvlekken niet consistent zijn met de positie waarin het slachtoffer is aangetroffen. Dit betekent volgens de schouwarts dat het slachtoffer enige tijd in een andere positie heeft gelegen, zodat de lijkvlekken tijd hebben gehad om te fixeren. Volgens de schouwarts is het slachtoffer vervolgens verplaatst, maar bleven de lijkvlekken in de oorspronkelijke positie gelijk aan de fixatie. Dit betekent dat de houding van het slachtoffer moet zijn veranderd.

Tijdens het onderzoek van de schouwarts zien de verbalisanten dat er tegen de leuning van de bank, onder de linkerschouder van de vrouw een stapeltje kleding ligt, bestaande uit een BH, een bruin onderhemd en een gestreepte trui. Deze kleding is in elkaar gedraaid en volgens de verbalisanten kennelijk in één beweging uitgetrokken. Tegen de rechterzij van het slachtoffer ligt een huls, kaliber 6.35 mm. Na draaiing van het slachtoffer wordt tussen de rugleuning van de bank en tegen de linkerzij van het slachtoffer eveneens een huls, kaliber 6.35 mm, aangetroffen.16

4.1.2 Het sporenonderzoek op 26 april 2008

Het sporenonderzoek op 26 april 2008 heeft onder meer het volgende opgeleverd.

In de voorkamer wordt op de vloer een tweepersoonsmatras aangetroffen. Onder een hoofdkussen op het matras ligt een zilverkleurige telefoon van het merk Nokia.17

Het blad van de zich in de woonkamer bevindende salontafel heeft een inschot van een kogel.18 Op 6 mei 2008 is deze kogel ook daadwerkelijk aangetroffen.19

4.1.3 NFI-onderzoek naar het vuurwapen, de kogels en de hulzen

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft het aangetroffen vuurwapen, de kogel uit het lichaam van het slachtoffer, de kogel uit de salontafel en de op de bank naast het slachtoffer aangetroffen hulzen onderzocht en het navolgende geconcludeerd:20

- het pistool is een omgebouwd semi-automatisch alarmpistool dat geschikt is gemaakt voor het verschieten van patronen van het kaliber 6,35 mm Browning.

- de twee hulzen zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten met het pistool;

- de twee kogels zijn waarschijnlijk afgevuurd uit de loop van het pistool.

4.1.4 NFI-onderzoek naar het pakketje kleding en het inschot in de salontafel

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft het pakketje kleding dat onder het slachtoffer is aangetroffen en de bemonstering van de inschotbeschadiging in de salontafel onderzocht en het navolgende geconcludeerd:21

- in de voorzijde van de gestreepte trui bevindt zich ter hoogte van de linkerborst een vrijwel zekere inschot-beschadiging, welke wijst op een schootsafstand van tussen de 25 en 75 centimeter;

- in het onderhemd is één beschadiging aangetroffen, die qua vorm en locatie overeen komt met de beschadiging in de gestreepte trui;

- in de bh is eveneens één beschadiging aangetroffen, die wat betreft de vorm en locatie overeen komt met de beschadiging in de gestreepte trui.

- op de schotrestenfolie waarmee de inschotbeschadiging in de salontafel is bemonsterd, zijn sporen aangetroffen die eveneens wijzen op een schootsafstand van tussen de 25 en 75 centimeter.

4.1.5 NFI-onderzoek naar DNA-sporen op de sportschoen

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft de op het trottoir voor de woning aangetroffen sportschoen bemonsterd en onderzocht en het navolgende geconcludeerd.22

Van het DNA in de bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal drie personen. De DNA-profielen van het slachtoffer en de verdachte matchen met de waargenomen DNA-kenmerken in het DNA-mengprofiel. Het DNA-profiel van de broer van het slachtoffer matcht niet met de waargenomen DNA-kenmerken in het DNA-mengprofiel.

Dit betekent dat de bemonstering celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer vermengd met celmateriaal dat afkomstig kan zijn van de verdachte.

Vanwege de complexiteit van het verkregen DNA-mengprofiel is een statistische berekening met betrekking tot de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden matches niet uitgevoerd.

4.2. Alternatieve daderscenario's

4.2.1 Zelfdoding

Het hof stelt vast dat de verdachte in zijn eerste verhoor bij de politie het idee heeft willen doen postvatten dat het slachtoffer zichzelf van het leven heeft beroofd. Zo heeft hij verklaard dat het slachtoffer depressief was en brieven schreef met een suïcidale lading. Ook zou zij tegenover hem uitlatingen in die trant hebben gedaan en zou zij zichzelf aan haar onderarmen hebben verwond met behulp van een keukenmes.23

In dit scenario lijkt ook te passen dat het slachtoffer met een pistool in de buurt van haar linkerhand is aangetroffen. Op grond van deze verklaring rijst de vraag of het mogelijk is dat het slachtoffer zichzelf met een pistoolschot om het leven heeft gebracht.

Het hof stelt allereerst vast dat in de verklaringen van de vriendinnen van het slachtoffer [getuige 3]24, [getuige 4]25, de moeder van het slachtoffer [getuige 5]26 en de halfzus van het slachtoffer [getuige 2]27 geen enkele aanwijzing kan worden gevonden voor depressiviteit bij het slachtoffer. Voorts zijn bij de doorzoekingen in de woning van het slachtoffer de door verdachte genoemde brieven met suïcidale strekking niet aangetroffen.28

Op 28 april 2008 is het lichaam van het slachtoffer onderzocht op oud letsel. Uit dit onderzoek blijkt niet van enig letsel op de polsen van het slachtoffer.29

Bij het sporenonderzoek werd onder het op de bank gelegen lichaam van het slachtoffer kleding aangetroffen, te weten een gestreepte trui, een onderhemd en een bh. Deze kleding werd in elkaar gedraaid aangetroffen. De gestreepte trui komt overeen met de gestreepte trui, zoals die is te zien op de foto op pagina 303 van het Forensisch Dossier. Volgens verdachte is deze foto gemaakt op de avond van 24 april 2008 in Fat Kee. Volgens hem is voornoemde trui de trui die het slachtoffer op 24 april 2008 droeg.30

Nu deze kleding in elkaar gedraaid werd aangetroffen, gaat het hof er van uit dat het slachtoffer de bh en het onderhemd onder de gestreepte trui droeg. Nu zich in die trui, alsmede in het onderhemd en de bh vrijwel zeker inschotbeschadigingen bevonden, kan ervan worden uitgegaan dat het slachtoffer die kleding nog steeds droeg toen zij werd doodgeschoten.

Het hof beschouwt het als een feit van algemene bekendheid dat het verlies van hartfunctie vrijwel onmiddellijk tot het ontbreken van alle vitale lichaamskrachten leidt. Indien het slachtoffer zelfmoord heeft gepleegd, kan dan ook uitgesloten worden geacht dat zij zelf nog in staat is geweest haar bovenkleding uit te trekken; er is bovendien geen enkele aanwijzing dat iemand anders het slachtoffer na een eventuele zelfdoding nog van haar kleding heeft ontdaan.

De verdachte heeft de mogelijkheid van zelfdoding later uiteindelijk ook zelf van de hand gewezen.

Op grond van het bovenstaande acht het hof het scenario waarin het slachtoffer zichzelf van het leven heeft beroofd redelijkerwijs uit te sluiten.

4.2.2 De broer van het slachtoffer ([broer slachtoffer])

Voor het hof staat vast dat de broer van het slachtoffer ten tijde van het overlijden van het slachtoffer eveneens in haar woning aanwezig was. Op grond hiervan kan de vraag worden gesteld of hij mogelijk de dader is geweest. Het hof acht dit echter geenszins aannemelijk, omdat de relatie met zijn zus goed was - zoals blijkt uit de verklaringen van hemzelf31 en de verklaringen van verschillende getuigen zoals [getuige 6]32, [getuige 4]33, [getuige 5]34 en [getuige 2]35 - en er zich ook overigens in het dossier geen enkel aanknopingspunt bevindt voor zijn mogelijke daderschap.

4.2.3 Andere daders

Uit het dossier komt naar voren dat een man genaamd [getuige 7] op het adres van het slachtoffer stond ingeschreven.36 Daarnaast heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep een scenario geschetst waarbij een onbekende persoon het slachtoffer om het leven heeft gebracht, in verband met het wegnemen van € 17.000,-, toebehorende aan de verdachte, uit een zich in de woning van verdachte's ouders bevindende koffer.

Het hof overweegt dat redelijkerwijs uitgesloten moet worden geacht dat een andere dader het slachtoffer heeft omgebracht, gelet op de vaststelling door het hof van het tijdstip van overlijden (vóór 23:00 uur) in het combinatie met het gegeven dat iedere aanwijzing ontbreekt dat rond die tijd iemand anders dan de verdachte, het slachtoffer en de broer van het slachtoffer in de woning aanwezig is geweest.

4.2.4 Tussenconclusie

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het slachtoffer zelf noch haar broer noch enig ander persoon dan de verdachte in aanmerking komt als dader van de levensberoving.

4.3. Voor de verdachte voorts belastende omstandigheden

Ook de navolgende omstandigheden wijzen in de richting van de verdachte als dader.

1. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij de ochtend van 25 april 2008 een schreeuwende en huilende mannenstem herkende als de stem die hij de avond tevoren rond 23:00 uur had horen schreeuwen en huilen.37 De verdachte heeft beaamd dat hij 's ochtends in de woning huilde.38 Hoewel het hof, overigens met de getuige, van oordeel is dat een stellige, positieve stemidentificatie onder de gegeven omstandigheden niet reëel moet worden geacht, neemt dit niet weg dat de overeenkomst die de getuige heeft waargenomen voor de verdachte belastend is.

2. De getuige [getuige 1] heeft zoals voormeld verklaard dat hij na 23.00 uur een klap van een dichtslaande deur heeft gehoord, de schreeuwende en huilende mannenstem zich naar buiten hoorde verplaatsen en wegsterven, en ten slotte dat hij daarna (totdat hij zelf ging slapen) geen personen meer in de woning van de bovenburen heeft gehoord. Zoals voormeld gaat het hof er van uit dat de broer van het slachtoffer gedurende de gehele nacht heeft geslapen. Op basis hiervan, alsmede de eerdere conclusie dat er niemand anders dan verdachte, het slachtoffer en haar broer in de woning aanwezig is geweest, kan het niet anders dan dat het de verdachte is geweest die is gehoord door de getuige terwijl hij de woning verliet. De verdachte heeft echter verklaard dat hij de gehele avond en nacht de woning niet heeft verlaten. Het hof merkt deze verklaring op grond van het voorgaande dan ook aan als kennelijk leugenachtig.

3. Blijkens het hiervoor onder 4.1.5 genoemde onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut bevat de bemonstering van de aangetroffen sportschoen celmateriaal dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer] vermengd met celmateriaal dat afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte]. Het hof komt tot de conclusie dat het de schoen van verdachte betreft, mede op grond van diens eigen verklaring dat hij soortgelijke schoenen bezit.39 Bij een doorzoeking in de woning op 25 april 2008 is de andere schoen behorende bij het betreffende paar echter niet aangetroffen.40 De verdachte heeft verklaard dat hij geen idee heeft hoe het komt dat deze schoen buiten is aangetroffen en ook hij vraagt zich af waar de andere schoen van dat paar is gebleven.41

Onder het hoofdkussen van de verdachte is een mobiele telefoon, merk Nokia, aangetroffen. Na onderzoek door middel van netwerkmetingen en van de gegevens op de historische printlijst is gebleken dat het niet mogelijk is dat deze mobiele telefoon met het nummer [telefoonnummer 2] zich op 25 april 2008 om 01:33:24 uur bevond in het pand [adres 2] te 's-Gravenhage.42 Verdachte heeft sterk wisselend verklaard over het bezit van deze telefoon en waarom deze telefoon onder zijn hoofdkussen is aangetroffen. Zo heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij deze telefoon al enkele maanden in zijn bezit had43 maar verklaarde hij ter terechtzitting in hoger beroep dat hij, nadat hij naar bed ging, de woning niet meer is uitgegaan, dat hij voornoemde telefoon, terwijl hij in bed lag en sliep, plotseling hoorde afgaan, en dat hij niet weet hoe de telefoon onder zijn hoofdkussen terecht is gekomen.44

De verdachte heeft verklaard dat hij na thuiskomst de woning heeft afgesloten met een schuifkettingslot, waardoor de deur enkel van binnenuit kon worden geopend, en zoals voormeld dat hij daarna de woning niet meer is uitgegaan. Het hof heeft vastgesteld dat de broer van het slachtoffer de gehele nacht heeft liggen slapen. Naar het oordeel van het hof kan op grond hiervan, in combinatie met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, het niet anders zijn dan dat het hetzij verdachte zelf is geweest die zijn schoen(en) uit de woning heeft verplaatst en de mobiele telefoon in huis heeft gebracht dan wel hij zijn medewerking heeft verleend aan het aldus verplaatsen van deze spullen door een ander.

4. Omtrent het karakter van de verdachte en een mogelijk motief ten slotte heeft het hof acht geslagen op een aantal getuigenverklaringen, te weten die van vriendinnen van het slachtoffer, [getuige 3], [getuige 4], de halfzus van het slachtoffer [getuige 2], alsmede de broer van het slachtoffer.

Zo verklaart [getuige 3] het volgende. Al gedurende de tweede week van [slachtoffers] relatie met [bijnaam verdachte] begon de ruzie. De ruzies gingen meestal over jaloezie, dat [slachtoffer] niet deed wat [bijnaam verdachte] wilde. [bijnaam verdachte] was erg bezitterig. Hij behandelde [slachtoffer] alsof zij zijn eigendom was. Elke keer dat [slachtoffer] met mij uitging belde [bijnaam verdachte] mij constant op en controleerde hij waar [slachtoffer] was. [bijnaam verdachte] was ziekelijk jaloers. [slachtoffer] heeft mij verteld dat ze verschillende keren door [bijnaam verdachte] is mishandeld. Op 12 april 2008 heeft [slachtoffer] tegen mij gezegd dat ze niet meer van [bijnaam verdachte] hield.45

En ook: Ik heb gezien dat [bijnaam verdachte] [slachtoffer] sloeg. [slachtoffer] heeft letterlijk tegen mij gezegd dat ze geen zin meer had in [bijnaam verdachte]. Op 14 april 2008 heb ik aan [slachtoffer] gevraagd of zij wel vaker was geslagen door [bijnaam verdachte]. Ze antwoordde toen dat hij haar nog een keer een blauw oog had geslagen. Op 14 april zei [slachtoffer] tegen mij: "Is het [bijnaam verdachte] niet die mij claimt, dan zijn het wel zijn ouders of zijn broer". [slachtoffer] heeft toen over de telefoon woorden gehad met [bijnaam verdachte]. Ik hoorde dat [bijnaam verdachte] aan het schelden was. Hij bleef maar bellen. Hij liet haar geen moment met rust. Hij wilde controle over haar hebben. Hij vond het niet goed dat [slachtoffer] zonder hem in Suriname was. [slachtoffer] heeft ook gezegd dat als hij doordeweeks zou blijven komen, dat zij dan de relatie zou beëindigen. Ze mocht haar baas niet meer alleen thuis ontvangen. [slachtoffer] heeft mij verteld dat [bijnaam verdachte] heeft gezegd dat wanneer hij haar niet zou krijgen, dat niemand haar zou krijgen.46

Een andere vriendin, [getuige 4], heeft verklaard: [bijnaam verdachte] was erg bezitterig ten opzichte van vrouwen. Ze (het hof begrijpt: [slachtoffer] en [bijnaam verdachte]) hadden zo vaak ruzie, al vanaf het begin. Hij belde constant. [bijnaam verdachte] vond mijn vriendschap met [slachtoffer] vervelend, hij kon het niet uitstaan dat [getuige 3] en ik boven hem kwamen. Ik heb wel eens gezien wat er gebeurt als [bijnaam verdachte] boos wordt. Op het familiefeestje gedroeg [bijnaam verdachte] zich agressief tegen de beveiliging. Hij vond dat een jongen te dicht bij [slachtoffer] aan het dansen was. Hij werd boos en ik zag dat hij die jongen in elkaar aan het trappen was.47

[getuige 2], de halfzus van het slachtoffer heeft verklaard: [bijnaam verdachte] was er altijd bij, hij liet ons niet met rust. [bijnaam verdachte] belde constant. Ik weet dat [bijnaam verdachte] op MSN tegen een bekende van [slachtoffer] heeft gezegd dat deze persoon geen contact meer met haar mocht hebben. Dat heeft hij gezegd omdat hij jaloers is.48

De broer van het slachtoffer heeft verklaard: [bijnaam verdachte] belde mijn zus heel vaak. De gesprekken gingen erover waar [slachtoffer] was. Hij sloeg haar. [bijnaam verdachte] wilde altijd overal bij zijn, hij wilde haar nooit alleen laten. Zij wilde niet dat hij doordeweeks bleef slapen. Dat heb ik hem ook gezegd. Ze wilde gewoon bij hem weg. Ze wilde verhuisdozen gebruiken om al haar spullen bij [bijnaam verdachte] uit de zaak mee te nemen.49

Uit voornoemde verklaringen komt naar voren dat de verdachte zich binnen zijn relatie met het slachtoffer agressief, bezitterig en erg jaloers opstelde.

Voorts komt uit het dossier een gewelddadig karakter van de verdachte naar voren. Zo heeft zich in ieder geval op 1 november 2007 in de vroege nacht een incident voorgedaan, waarover voornoemde [getuige 3] een verklaring heeft afgelegd. Zij verklaart dat zij in november 2007 heeft gezien dat de verdachte het slachtoffer met zijn gebalde vuist op haar gezicht sloeg, waarna zij op bed viel en vervolgens door de verdachte werd geschopt. De getuige heeft vervolgens 112 gebeld.50 Deze verklaring wordt ondersteund door een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 mei 2008, inhoudende de weergave van een tweetal telefoongesprekken van de Centrale Meldkamer Haaglanden welke zijn opgenomen op 1 november 2007. De meldster noemt zichzelf [naam] (het hof begrijpt: [getuige 3]) en zij vertelt dat zij zich in de woning aan de [adres 2] te 's-Gravenhage bevindt met een vriendin en haar vriend. Ze spreekt over een ruzie die aan de gang is en dat de jongen haar vriendin al een paar keer heeft geslagen. Tijdens het gesprek noemt de meldster de naam [bijnaam verdachte].51

Voorts leidt het hof uit voornoemde verklaringen in combinatie met de sms'jes die zijn aangetroffen in het geheugen van de mobiele telefoon van het slachtoffer52 af dat het slachtoffer haar relatie met de verdachte wilde beëindigen, of in ieder geval meer afstand wilde.

Enkele van voornoemde sms'jes, verstuurd door de verdachte naar het slachtoffer, luiden als volgt:

- d.d. 24 april 2008, 14:12 uur: Schat ik hoop egt niet dat je t meent als je zegt dat je blij bent als je weg bent van hier. Ik mis je egt schat. Bel je me ff als kan. x.

- d.d. 16 april 2008, 09:21 uur: je maakt me gek! Nu ik heb gezien hoe je ook kan zijn wil je me niet meer. Met andere wrde ik moe jou alleen kenne hoe je wil ni hoe jij bent.

Naar 's hofs oordeel moet op grond van het voorgaande ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte, die eerder ter zake van een ernstig geweldsdelict werd veroordeeld, vanuit zijn jaloerse grondhouding en mede onder invloed van alcohol onvoldoende in staat is geweest om zijn agressie te beteugelen en in een ruzie over de relatie met het slachtoffer haar ernstig gewelddadig tegemoet is getreden.

4.4. Eindconclusie

Het hof concludeert op grond van al het voorgaande dat niet alleen mogelijke andere daders vallen uit te sluiten, maar dat vele omstandigheden in de richting van de verdachte wijzen en dat de verdachte op een enkel punt aantoonbaar leugenachtig heeft verklaard. Het hof heeft daardoor de overtuiging bekomen dat de verdachte het slachtoffer op 24 april 2008 tussen 22:35 uur en 23:00 uur van het leven heeft beroofd, in welke overtuiging het hof wordt gesterkt door een voorhanden zijnd motief.

Vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde (moord)

Het hof is op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal - dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte tijd had om zich te beraden op het besluit om het slachtoffer van het leven te beroven. Derhalve zal de verdachte van de tenlastegelegde voorbedachte rade worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 april 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen (van/op korte afstand) een kogel in de borst, van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven - in de voetnoten 1 tot en met 52 aangeduide - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De weigering van de verdachte om mee te werken aan de onderzoeken naar zijn geestesgesteldheid door het Pieter Baan Centrum heeft geleid tot de onmogelijkheid voor de deskundigen om daarover stellige uitspraken te doen.

Volgens het rapport d.d. 5 oktober 2009 van het psychologisch onderzoek opgesteld door psycholoog M.H. de Groot, zijn bij verdachte antisociale persoonlijkheidstrekken waarneembaar, waarbij psychopathische gedragingen zeker niet uitgesloten kunnen worden. Ook is door de psycholoog gesteld dat er zonder twijfel sprake is van een duidelijk bemoeilijkte agressieregulatie.

Voornoemde psycholoog ziet - net zo min als de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum - redenen om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zijn vriendin in haar eigen woning met een vuurwapen doodgeschoten. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan doodslag en hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op het meest fundamentele recht waarover het slachtoffer beschikte, te weten het recht op leven. Door dit handelen heeft de verdachte de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. Hieraan draagt bij dat de verdachte zelf geen enkel inzicht heeft gegeven in het motief voor zijn handelen en hij zelfs ten onrechte heeft willen doen geloven dat het slachtoffer zichzelf heeft omgebracht door te verklaren dat zij suïcidaal was en het reeds overleden slachtoffer in een daarmee overeenstemmende positie te brengen. Deze onterechte suggestie zal door de nabestaanden als zeer pijnlijk zijn ervaren. Een feit als dit draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 april 2011 is de verdachte reeds eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van geweldsmisdrijven. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Mede gelet op de hiervoor genoemde bevindingen van de psycholoog De Groot - te weten dat bij verdachte antisociale persoonlijkheidstrekken waarneembaar zijn, alsmede dat er bij hem sprake is van een duidelijk bemoeilijkte agressieregulatie - ziet het hof aanleiding om aan verdachte een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur op te leggen, zodat de verdachte voor langere tijd van het plegen van strafbare feiten wordt weerhouden.

Derhalve is het hof - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

12 (twaalf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. R.M. Bouritius en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. R. van den Bosch.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 mei 2011.

Voetnoten

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar processen-verbaal, betreft dit - tenzij anders vermeld - ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm, door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, binnen het onderzoek TGO "Betty", met nr. 1509/2008/1654. De geschriften worden in samenhang met de overige bewijsmiddelen gebruikt.

2 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 april 2008, AH/46-47.

3 Proces-verbaal uitwerking 5e videoverhoor, d.d. 8 juli 2008, [map 1]/169.

4 Proces-verbaal van bevindingen identificatie stoffelijk overschot, d.d. 29 april 2008, AH/62.

5 Een geschrift, zijnde een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te 's-Gravenhage, met zaaknummer 2008.04.25.104, d.d. 22 september 2008, opgemaakt en ondertekend door de deskundige F.R.W. v.d. Goot, arts en patholoog, FO/348-358.

6 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2011.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [broer slachtoffer], d.d. 25 april 2008, [map 2]/25.

8 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], d.d. 25 april 2008, [map 1]/19, 20 en 26.

9 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 september 2008, AH/329-331.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 25 april 2008, G/24, 26 en 27.

11 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 september 2008, AH/331.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 23 oktober 2008, G/231-232.

13 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 september 2008, AH/331-335.

14 Proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, nr. PL15J2/2008/1654-60, d.d. 7 juli 2008, FO/020.

15 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2011.

16 Proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, nr. PL15J2/2008/1654-60, d.d. 7 juli 2008, FO/020-022.

17 Proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, nr. PL15J2/2008/1654-54, d.d. 5 juli 2008, FO/130.

18 Proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, nr. PL15J2/2008/1654-54, d.d. 5 juli 2008, FO/130.

19 Proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, nr. PL15J2/2008/1654-23, d.d. 27 juni 2008, FO/192.

20 Een geschrift, zijnde een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te 's-Gravenhage, met zaaknummer 2008.04.25.104, d.d. 4 juli 2008, opgemaakt en ondertekend door de deskundige M.E. Bestebreurtje, FO/291-295.

21 Een geschrift, zijnde een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te 's-Gravenhage, met zaaknummer 2008.04.25.104, d.d. 22 juli 2008, opgemaakt en ondertekend door de deskundige S.B.C.G. Chang, FO/297-308.

22 Een geschrift, zijnde een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te 's-Gravenhage, met zaaknummer 2008.04.25.104, d.d. 8 oktober 2008, opgemaakt en ondertekend door de deskundige H.J.T. Janssen, FO/371-380.

23 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], nr. PL 1513/208/21182, d.d. 25 april 2008, [map 1]/020-021.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], d.d. 6 juni 2008, G/96.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], d.d. 9 juni 2008, G/48 en 51.

26 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], d.d. 29 april 2008, G/61.

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 2 juni 2008, G/68.

28 Overzichtsproces-verbaal d.d. 17 juli 2008, O/OPV/37.

29 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 29 april 2008, AH/69.

30 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2011.

31 Proces-verbaal van studioverhoor verdachte [broer slachtoffer] (1e verhoor), d.d. 29 april 2008, [map 2]/50.

32 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6], nr. PL 1513/2008/21182-17, d.d. 25 april 2008, G/34.

33 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], d.d. 9 juni 2008, G/57.

34 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], d.d. 29 april 2008, G/62.

35 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 2 juni 2008, O/OPV/G/67.

36 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 september 2008, AH/127.

37 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 25 april 2008, G/28.

38 Proces-verbaal van uitwerking 3e studioverhoor, d.d. 4 juni 2008, [map 1]/73.

39 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2011.

40 Proces-verbaal van aanvraag (nadere) doorzoeking ter inbeslagneming in perceel [adres 2] te Den Haag, d.d. 10 september 2008, [map 3]/27.

41 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2011.

42 Proces-verbaal van bevindingen, nr. Z5304/IA3567a, d.d. 2 december 2008, AH/386-387.

43 Proces-verbaal uitwerking 5e videoverhoor, d.d. 8 juli 2008, [map 1]/167.

44 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2011.

45 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], d.d. 27 april 2008, G/43.

46 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], d.d. 6 juni 2008, G/80, 82, 83, 88, 89 en 96.

47 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], d.d. 9 juni 2008, G/53 en 56.

48 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 2 juni 2008, G/67 en 75.

49 Proces-verbaal van uitwerking studioverhoor verdachte [broer slachtoffer], d.d. 29 juli 2008, [map 2]/125, 179 en 180.

50 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], d.d. 27 april 2008, G/43.

51 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 7 mei 2008, AH/67-68.

52 Proces-verbaal van bevindingen nader onderzoek telefoon slachtoffer, d.d. 9 januari 2009, AH/390, 391 en 393.