Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ2920

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
200.080.688-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren is een aanvulling; geen verbetering. Appel mogelijk, maar geen belang meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 februari 2011

Zaaknummer : 200.080.688/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-2122

de Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg,

werkeenheid het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: het LJ&R.

optredend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

locatie Rotterdam,

tegen

[verweerster]

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

advocaat mr. M. Mook te Dordrecht.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[naam moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. drs. M.T. Dijkstra te Vlaardingen.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het LJ&R is op 19 januari 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 januari 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De minderjarige heeft op 26 januari 2011 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 26 januari 2011 mondeling behandeld, tezamen met het hoger beroep in de zaak bekend onder zaaknummer 200.079.533 betreffende de opheffing met ingang van 30 december 2010 van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een residentiële instelling (AWBZ-instelling).

Ter zitting zijn verschenen:

- de minderjarige en haar advocaat

- de moeder en haar advocaat

- namens het LJ&R: mr. W.H. van Wijk (advocaat), mevrouw J. Buiting (gezinsvoogd) en mevrouw L.C. Hansen (vestigingsmanager)

- namens de raad: de heer F. Dekker.

De aanwezigen, behoudens Hansen voornoemd, hebben het woord gevoerd, de advocaat van het LJ&R aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank Rotterdam de dato 16 december 2010 met zaak-/rekestnummer 365133/JE RK 10-2122 verbeterd, in die zin dat wordt gelezen:

“- Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad”

na het dictum luidende:

“- Heft op met ingang van 30 december 2010 de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een residentiële instelling (AWBZ-instelling).”

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de hierboven vermelde verbetering van de beschikking van de rechtbank Rotterdam de dato 16 december 2010.

2. Het LJ&R verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de minderjarige tot verbetering van de beschikking alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

3. De minderjarige verzoekt het LJ&R in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans het hoger beroep af te wijzen.

4. Het hof overweegt als volgt. Nu de rechtbank het verzoek van de minderjarige heeft toegewezen op grond van artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan in beginsel op grond van het vierde lid van dat artikel geen hoger beroep tegen de verbetering worden ingesteld. Het hof stelt echter vast dat nu de rechtbank in zijn beslissing van 16 december 2010 heeft verzuimd te beslissen op een onderdeel van het verzochte – de uitvoerbaarheid bij voorraad - er geen sprake kan zijn van een verbetering op grond van artikel 31 Rv, doch slechts van een aanvulling als bedoeld in artikel 32 Rv, waartegen wel hoger beroep open staat. Het LJ&R is derhalve ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

5. Het hof heeft per datum van deze beschikking, in de zaak bekend onder zaaknummer 200.079.533, de beschikking inhoudende de beëindiging van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een residentiële instelling (AWBZ-instelling), bekrachtigd. Gelet daarop is het hof van oordeel dat het LJ&R thans geen belang meer heeft bij het onderhavige hoger beroep betreffende de uitvoerbaarheid bij voorraad. Gelet hierop zal het hof het hoger beroep van het LJ&R verwerpen.

6. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verwerpt het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Van den Wildenberg en Mos-Verstraten, bijgestaan door mr. Veldmans als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2011.