Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ2910

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
200.066.758-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling van een regeling inzake zorg- en opvoedingstaken. Regeling wordt vastgesteld vanuit de visie dat deze invulling de meeste kans op nakoming biedt, hetgeen in het belang is van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 februari 2011

Zaaknummer : 200.066.758/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-9715

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. H. Polat te ’s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K. Bingöl te ’s-Gravenhage.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 25 mei 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 april 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 22 juli 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader is bij het hof op 11 juni 2010 een aanvullend stuk ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 4 juni 2010 laten weten niet ter zitting vertegenwoordigd te zullen zijn.

Op 12 januari 2011 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Ten behoeve van de vader is eveneens verschenen M. Ermek, en ten behoeve van de moeder O. Salikaya, tolken in de Turkse taal. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd. De hierna te noemen minderjarigen [voornamen twee oudste minderjarigen] zijn in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 12 april 2006 van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de echtscheidingsbeschikking).

Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang, bepaald dat de vader de minderjarigen:

[naam], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] (hierna: [voornaam]),

[naam], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] (hierna: [voornaam]) en

[naam], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (hierna: [voornaam]),

na overleg met de moeder mag bezoeken wanneer hij wil.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de echtscheidingbeschikking en uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de minderjarigen [voornamen twee jongste minderjarigen] bij de vader zullen zijn:

• eenmaal in de veertien dagen op zaterdag van 13.00 uur tot 21.00 uur en op zondag van 13.00 uur tot 19.00 uur;

• eenmaal in de veertien dagen op woensdag van 13.00 uur tot 19.30 uur,

waarbij de vader de minderjarigen ophaalt en terugbrengt.

Het anders of meer verzochte is door de rechtbank afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarigen, hierna te noemen: de zorgregeling.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair te bepalen dat de moeder niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek, dan wel dat haar verzoek wordt afgewezen, en

subsidiair te bepalen dat de vader de minderjarigen een dag per maand een zondag van 13.00 uur tot 18.00 uur bij zich mag hebben, althans een zodanige omgangsregeling als het hof in goede justitie juist acht.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof om het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren, dan wel de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren en zijn verzoek aan het hof af te wijzen.

4. De vader stelt dat de rechtbank de moeder ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoekschrift strekkende tot wijziging van de (het hof leest) zorgregeling. Er is immers geen sprake van gewijzigde omstandigheden sinds de echtscheidingsbeschikking. Rekening houdend met de psychische gesteldheid van de vader zijn partijen destijds een niet geconcretiseerde regeling overeengekomen.

5. De moeder is van mening dat er wel degelijk sprake is van een wijziging van omstandigheden. De minderjarigen zijn ouder geworden en [voornaam oudste minderjarige] verbleef gedurende enige tijd door de weeks bij de vader. Inmiddels is dat niet meer het geval. De moeder betwist dat er ten tijde van de echtscheiding rekening is gehouden met de psychische gesteldheid van de vader.

6. Het hof acht de moeder ontvankelijk in haar verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling. Sinds de indiening van het gemeenschappelijke echtscheidingsverzoek zijn er vijf jaren verstreken. Gebleken is dat de ten tijde van de echtscheiding overeengekomen vrijblijvende regeling niet langer voldoet. De minderjarigen verlangen ernaar hun vader op regelmatige basis te zien en er bestaat aan de zijde van de moeder en de minderjarigen behoefte aan een geconcretiseerde zorgregeling die wordt nagekomen.

7. De vader stelt dat de rechtbank, ondanks het feit dat de vader heeft verklaard dat hij ziek is en de zorg over de minderjarigen niet aan kan, ten onrechte een voor de vader niet realiseerbare zorgregeling heeft vastgesteld. Ten tijde van de zitting in eerste aanleg voelde de vader zich gedwongen akkoord te gaan met de in de beschikking opgenomen regeling. De vader verzoekt het hof om een integrale heroverweging.

8. De moeder betwist de stelling van de vader dat zijn gesteldheid de zorg voor de minderjarigen belemmert. De vader doet het huishouden, aangezien zijn huidige echtgenote werkt. De vader heeft zijn medische situatie onvoldoende onderbouwd. Het is in het belang van de minderjarigen dat de regeling wordt voortgezet zoals deze is vastgesteld door de rechtbank.

9. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er bij de minderjarigen een grote behoefte bestaat om hun vader met regelmaat te zien en dat zij het contact met hem, indien dat uitblijft, missen. Een vrijblijvende regeling waarbij de vader bepaalt of hij de minderjarigen al dan niet ziet, acht het hof niet in het belang van de minderjarigen. Voorts is gebleken dat, hoewel partijen de bestreden regeling zelf ter zitting in eerste aanleg zijn overeengekomen, deze regeling te uitgebreid is voor de vader, althans niet door hem wordt nageleefd. Zijn gezondheid en beperkte woonruimte laten deze volgens hem niet toe. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verklaard dat hij de minderjarigen in ieder geval één keer in de twee weken op zondag van 12.00 tot 19.00 uur bij zich kan hebben en dat hij zo een regeling ook stipt zal nakomen. In het geval dat de vader ziek is, zal hij een van zijn zussen vragen om de minderjarigen bij de moeder op te halen en thuis te brengen, en zullen de minderjarigen in ieder geval op bezoek gaan bij de vader. Hoewel het hof begrip heeft voor de wens van de moeder om een uitgebreidere zorgregeling nageleefd te zien, is het hof van oordeel dat het meer in het belang van de minderjarigen is dat er een minimale regeling wordt getroffen die in ieder geval door de vader wordt nagekomen. Voorkomen dient te worden dat de minderjarigen keer op keer geconfronteerd worden met een regeling die in de praktijk niet wordt nageleefd. Het hof gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg en al dan niet incidenteel tot een uitbreiding van deze regeling kunnen komen, zo mogelijk met de door de jongste twee minderjarigen zeer gewenste overnachtingen. Het hof zal de regeling dan ook vaststellen zoals deze door de vader ter zitting is voorgesteld. Nu ter zitting is gebleken dat [voornaam oudste minderjarige] sinds de afgelopen zomer weer bij de moeder woont, gaat het hof er van uit dat [voornaam oudste minderjarige] zich ten aanzien van deze zorgregeling bij haar zussen zal kunnen aansluiten.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende en met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 april 2006:

stelt in het kader van de toedeling van zorg- en opvoedingstaken de volgende regeling vast:

de minderjarigen [voornamen twee jongste minderjarigen] zullen eens in de twee weken op zondag van 12.00 tot 19.00 uur bij de vader zijn, waarbij de vader de minderjarigen ophaalt en terugbrengt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Mink en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2011.