Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ2361

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
200.069.951/01 en 200.070.075/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding; partner- en kinderalimentatie; peildatum waardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 13 april 2011

Zaaknummer : 200.069.951/01 en 200.070.075/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-5289

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. T.G. Brown-Knip te Zoetermeer,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.Th.M. Diks te Rosmalen.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 12 januari 2011, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Aangezien de verhalen van partijen met betrekking tot de echtscheiding ver uiteen liepen en er ook veel onduidelijkheid bestond over de schulden van partijen terwijl deze van invloed zijn op de in geschil zijnde partner- en kinderalimentatie, heeft het hof de behandeling van de zaak bij voormelde beschikking aangehouden teneinde ook de man in persoon te doen verschijnen en een inlichtingencomparitie te gelasten. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over hun stellingen. Partijen is verzocht de volgende vragen te beantwoorden - vergezeld van bewijsstukken - :

- wanneer zijn er schulden aangegaan, door wie zijn ze aangegaan, wat was de reden van het aangaan van de schulden en voor welke bedragen zijn de schulden aangegaan;

- door wie wordt er op de schulden afgelost, met welke bedragen en wat is op dit moment de hoogte van de nog resterende schulden.

Van de zijde van de man is op 18 februari 2011 een brief met bijlagen bij het hof ingekomen.

Van de zijde van de vrouw is op 25 februari 2011 een brief met bijlagen bij het hof ingekomen.

Op 8 maart 2011 is de inlichtingencomparitie gehouden ten overstaan van mr. A.J. Dusamos als raadsheer-commissaris. Verschenen zijn, de vrouw, bijgestaan door mr. P.A.M. Perquin, die ter zitting heeft waargenomen voor mr. Brown-Knip, en de man, bijgestaan door zijn advocaat.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De duurzame ontwrichting van hun huwelijk is tussen partijen niet langer in geschil. Ter zitting van 8 maart 2011 heeft de man (zij het in eigen bewoordingen) ten overstaan van de vrouw volhard in zijn stelling dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht en dat hij van echt wil scheiden. De vrouw heeft zich daar bij neergelegd. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de echtscheiding bekrachtigen.

2. Gezien het vorenstaande is thans nog in geschil de partneralimentatie, de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [naam minderjarige], hierna: de minderjarige, geboren [in] 2000 te [geboorteplaats], en ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, de peildatum voor de waardering.

BEHOEFTE

3. De vrouw stelt dat de rechtbank het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige ten onrechte heeft gerelateerd aan een netto gezinsinkomen van € 2.700,- (het hof leest: per maand) en bepaald op € 389,- per maand. De vrouw erkent dat de man per week een netto inkomen van € 271,- ontvangt maar omdat daarbij rekening is gehouden met aflossing schulden is het feitelijke inkomen van de man hoger. Primair stelt de vrouw dat als uitgangspunt bij het bepalen van de behoefte dient te gelden een loon van € 74.000,- overeenkomstig de jaaropgave 2009 van de man. Subsidiair stelt de vrouw dat, indien 2009 niet als uitgangspunt wordt genomen, de jaren ervoor maatgevend dienen te zijn. De man had volgens de vrouw in 2008 een jaarinkomen van € 57.686,-, in 2007 van € 60.471,- en in 2006 van € 57.904,-. De schulden behoorden volgens de vrouw bij het normale uitgavenpatroon binnen het gezin zodat het volstrekt irreëel is om uit te gaan van een netto inkomen na aftrek van schulden.

De vrouw stelt dat de bovengenoemde uitgangspunten ook voor de bepaling van haar behoefte gelden. Uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 5.428,- per maand heeft de vrouw de behoefte van de minderjarige berekend op € 790,- per maand en haar resterende behoefte op € 1.577,- netto per maand.

4. Het hof stelt vast dat partijen, ondanks het feit dat zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, geen enkele duidelijkheid hebben verschaft omtrent hun schuldenlast. Zij hebben geen bewijsstukken in het geding gebracht waaruit blijkt wanneer en door wie er schulden zijn aangegaan, wat de reden was voor het aangaan van de schulden, voor welke bedragen de schulden zijn aangegaan, wie op de schulden heeft afgelost dan wel aflost en met welke bedragen, en wat het huidige saldo is van de nog openstaande schulden. Uit de overgelegde stukken is alleen gebleken dat partijen op 10 mei 1999 gezamenlijk een schuld van in totaal

ƒ 51.661,- (€ 23.442,74) bij de Direktbank zijn aangegaan. Voorts heeft de man een rekeningoverzicht van december 2010 van een schuld aan Defam overgelegd, waaruit blijkt dat hij in 2010 op die schuld heeft afgelost en dat het openstaande saldo per 31 december 2010

€ 11.581,62 bedraagt. Voorts is uit de door de man bij brief van 10 november 2010 overgelegde salarisspecificaties gebleken dat er wekelijks een bedrag van € 187,71 ten behoeve van derden op zijn salaris wordt ingehouden.

5. Aangezien partijen onvoldoende inzicht hebben verschaft in hun schuldenlast en de vrouw erkent dat de man feitelijk een netto inkomen heeft van € 271,- per week, verenigt het hof zich met betrekking tot het vaststellen van de behoefte van de minderjarige en de vrouw met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof passeert de stelling van de vrouw dat de schulden ten tijde van het huwelijk behoefteverhogend zijn geweest. De schuld aan Defam is ruim vier maanden vóór het huwelijk van partijen aangegaan en voor het overige is er niet tot nauwelijks inzicht in de schulden.

Het hof rondt af op hele bedragen.

DRAAGKRACHT

6. Bij het vaststellen van de draagkracht van de man neemt het hof de hiervoor vermelde salarisspecificaties als uitgangspunt. Het hof gaat derhalve uit van een loon voor loonbelasting van € 943,- bruto per week. Het hof houdt voorts rekening met de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van € 45,- per week. Het hof past op de man de norm voor een alleenstaande toe en een draagkrachtpercentage van 70.

Het hof neemt de volgende maandlasten van de man in aanmerking: € 750,- kale huur, te verminderen met de gemiddelde woonnorm van € 207,-, € 95,- premie ZVW, te verminderen met een nominaal deel premie ZVW van € 44,-, € 195,- inkomensafhankelijke bijdrage ZVW en € 815,- aflossing schulden. De man heeft aannemelijk gemaakt dat er wekelijks een bedrag van € 188,- ten behoeve van derden op zijn salaris wordt ingehouden zodat het hof met die inhoudingen rekening houdt.

7. De rechtbank heeft de beschikbare draagkrachtruimte van de vrouw berekend op € 654,- per maand en het hof heeft de beschikbare draagkrachtruimte van de man, uitgaande van de hiervoor vermelde gegevens, berekend op € 188,- per maand. Als gevolg hiervan bedraagt naar het oordeel van het hof het eigen aandeel van de man in de kosten van de minderjarige € 85,- per maand. De man heeft in eerste aanleg aangeboden om € 137,- per maand ten behoeve van de minderjarige te voldoen. Aangezien de man dat aanbod in hoger beroep heeft gehandhaafd en daartoe ook voldoende draagkracht heeft, zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie bekrachtigen.

PEILDATUM WAARDERING

8. De vrouw kan zich, indien de rechtbank als peildatum voor de waardering van de verschillende bestanddelen van de gemeenschap 1 oktober 2008 in aanmerking heeft genomen, met die datum niet verenigen. De vrouw verzoekt de wettelijke datum in acht te nemen, te weten de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

9. De man stelt dat er ten aanzien van de peildatum geen eindbeslissing door de rechtbank is genomen zodat de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk is in haar beroep.

10. Het hof oordeelt als volgt. Anders dan de man stelt is de vrouw , nu appel is ingesteld tegen het eindbeschikkingsdeel van de bestreden beschikking, ook ontvankelijk in haar appel betreffende de peildatum. Anders dan de vrouw stelt is hoofdregel voor datum van de waardebepaling van de verschillende bestanddelen van de gemeenschap van goederen de datum van de verdeling. Uit hetgeen partijen zijn overeengekomen en uit de redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan wordt afgeweken. Niet is gebleken dat partijen enige datum zijn overeengekomen. Voorts zijn ter zitting in hoger beroep door geen van de partijen zodanige argumenten aangevoerd dat afwijking van de hoofdregel geboden is. Het voorgaande brengt met zich mee dat het hof conform de hoofdregel zal oordelen.

11. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bepaalt als peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de goederengemeenschap de datum van de verdeling daarvan;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover voorts aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Pannekoek-Dubois en Hulsebosch, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 april 2011.