Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ2153

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
200.073.322/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg petitum ter zitting? Te laat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2011/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 maart 2011

Zaaknummer : 200.073.322/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-5693

[De man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.W. Bogaardt te Wassenaar,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H. Polat te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 3 september 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 juni 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 2 november 2010 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 8 december 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van man:

- op 24 september 2010 een brief d.d. 23 september 2010 met bijlagen;

- op 7 februari 2011 een brief d.d. 7 februari 2011 met bijlagen;

van de zijde van vrouw:

- op 1 februari 2011 een brief d.d.31 januari 2011 met bijlagen.

De zaak is op 17 februari 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

De advocaat van de man heeft - met instemming van de wederpartij - ter zitting nog de jaaropgave 2010 overgelegd en een brief van 11 februari 2011 waaruit de maandelijkse huur van de man blijkt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.031,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking [in] 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, hierna ook partneralimentatie.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de partneralimentatie betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, deze vast te stellen op € 405,- per maand, althans vast te stellen op een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren.

3. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel dat beroep af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de vrouw de partneralimentatie te berekenen overeenkomstig hetgeen zij heeft aangevoerd onder punt 4 tot en met 6 van haar verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel.

4. De man verzet zich tegen het incidenteel appel van de vrouw en verzoekt de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof vermeent te behoren.

5. Aangezien het petitum in incidenteel appel van de vrouw niet duidelijk is, heeft de vrouw, daarnaar gevraagd ter zitting, gesteld dat zij een hogere alimentatie beoogt dan de bijdrage die de rechtbank heeft vastgesteld, te weten een bijdrage van € 1.089,- per maand.

6. Vaststaat dat de vrouw geen duidelijk petitum heeft geformuleerd. Uit het petitum is in ieder geval niet af te leiden dat de vrouw in incidenteel appel een hogere alimentatie verzoekt dan de rechtbank heeft bepaald. Bovendien heeft de man ter zitting gesteld dat hij het petitum ook niet als zodanig heeft opgevat. Aangezien de vrouw voor het eerst ter zitting van het hof een uitleg van haar petitum heeft gegeven en de man het verzoek van de vrouw niet conform haar uitleg heeft opgevat, is het hof van oordeel dat een dergelijke uitleg voor het eerst ter zitting van het hof, nog afgezien van het ontbreken van onderbouwing van dit standpunt in strijd is met een goede procesorde. De man heeft immers geen verweer kunnen voeren. Gelet op het vorenstaande zal het hof derhalve het verzoek van de vrouw afwijzen.

7. De door de rechtbank vastgestelde behoefte van de vrouw van € 1.876,20 netto per maand staat tussen partijen als niet bestreden vast. Hetgeen partijen verdeeld houdt, is of de lening van de vrouw van € 287,54 per maand die is begrepen in haar studiefinanciering al dan niet als inkomen aangemerkt kan worden en of de vrouw naast haar studie inkomen uit arbeid kan verwerven.

8. De man stelt, kort weergegeven, dat de rechtbank de lening van de vrouw die in haar studiefinanciering is begrepen, terecht als inkomen heeft aangemerkt. Bovendien stelt de man dat de vrouw in staat moet worden geacht om naast haar studie inkomsten uit arbeid te verwerven, aangezien zij in het verleden ook gewerkt heeft.

9. De vrouw stelt dat de lening ten onrechte als inkomen is aangemerkt aangezien zij die lening aan de IBG-groep moet terugbetalen zodra zij haar studie heeft afgerond. De vrouw verzoekt dan ook het geleende bedrag van € 287,54 niet in mindering te brengen op haar netto behoefte. Voorts stelt de vrouw dat zij met ingang van 1 november 2010 geen lening meer ontvangt van de IBG-groep zodat haar behoefte met ingang van die datum bijgesteld moet worden. Ter zitting van het hof heeft de vrouw gesteld dat zij de lening niet langer nodig heeft vanwege de alimentatie die zij thans ontvangt. De vrouw erkent dat zij ten tijde van het huwelijk naast haar MBO-opleiding een baan heeft gehad maar stelt dat ze die baan reeds voor de beëindiging van het huwelijk weer heeft opgezegd. Aangezien de vrouw thans een HBO-opleiding volgt en vanaf september 2010 vier dagen per week stage loopt en één dag per week naar school gaat acht zij zich niet in staat om naast haar opleiding te werken.

10. Het hof verenigt zich ten aanzien van de studiefinanciering van de vrouw met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Daarbij overweegt het hof dat het heel gebruikelijk is dat studenten ten behoeve van hun een studie een lening aangaan. Met het gegeven dat de vrouw met ingang van 1 november 2010 met het lenen van geld is gestopt vanwege de alimentatie houdt het hof geen rekening. De vrouw kan nog steeds aanspraak maken op een lening en de keuze om niet langer te lenen mag zij naar het oordeel van het hof niet op de man afwentelen. Voorts dicht het hof de vrouw enige verdiencapaciteit toe aangezien het eveneens gebruikelijk is dat studenten een -part-time- baan naast hun studie hebben. Van de vrouw mag worden verwacht dat zij, evenals het merendeel van de studenten, enige inkomsten uit arbeid verwerft, te meer nu de vrouw ten tijde van het huwelijk eveneens gewerkt heeft. Rekening houdend met het feit dat de vrouw vier dagen per week stage loopt en één dag per week naar school gaat, stelt het hof de verdiencapaciteit van de vrouw in redelijkheid op niet meer dan € 200,- netto per maand.

Het hof rondt af op hele bedragen.

11. Teneinde de aanvullende behoefte van de vrouw te bepalen neemt het hof de door de rechtbank vastgestelde behoefte van € 1.876,- netto per maand als uitgangspunt. Gelet op het hiervoor overwogene brengt het hof op de behoefte in mindering een studiefinanciering van in totaal € 795,- netto per maand en een te realiseren inkomen van € 200,- netto per maand. Voorts strekt op de behoefte van de vrouw in mindering de ter zitting gebleken stagevergoeding van € 125,- netto per maand en zorgtoeslag ZVW van € 70,- netto per maand, zoals blijkt uit de bij brief van 31 januari 2011 overgelegde stukken. Op grond van het vorenstaande bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw € 686,- netto per maand ofwel - afgerond - € 1.031,- bruto per maand.

12. De draagkracht van de man is in hoger beroep niet in geschil. De man is derhalve in staat om

een alimentatie van € 1.031,- per maand te voldoen. Het hof passeert het verzoek van de man om een jus-vergelijking te maken omdat een dergelijke vergelijking niet tot een ander oordeel zal leiden. Het hof weegt daarbij mee dat de man zich kan vinden in de totale behoefte van de vrouw van € 1.876,- netto per maand en hetgeen het hof daarop in mindering heeft laten strekken is naar het oordeel van het hof voor de vrouw het maximaal haalbare.

13. De man verzet zich in hoger beroep tegen de duur van de alimentatieverplichting maar het hof verenigt zich in zoverre met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust.

Gezien de korte duur van het huwelijk en het feit dat uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren is van rechtswege sprake van een in tijd beperkte alimentatieverplichting.

14. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Husson en Van Veen, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2011.