Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ1410

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
22-002457-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BH9948, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW2488, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW2488
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft op 7 november 2007 opzettelijk een man om het leven gebracht. De verdachte is met twee vuurwapens naar de woning van het slachtoffer gegaan. Daar heeft hij het slachtoffer onverhoeds aangevallen en beschoten en toen het slachtoffer vervolgens in de woning eenmaal op de grond lag, heeft de verdachte, terwijl hij over het slachtoffer stond heengebogen, meerdere schoten op het slachtoffer afgevuurd, waardoor het slachtoffer is overleden. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan moord. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan opzetheling van een motor.

Tevens heeft de verdachte onbevoegd vuurwapens en munitie voorhanden gehad. De verdachte is al meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van misdrijven, waaronder in 1998 voor een gijzeling en mishandeling, in 2002 voor mishandeling en bedreiging en in 2003 voor mishandeling. 15 jaren gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002457-09

Parketnummer: 09-758554-07

Datum uitspraak: 15 april 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 april 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 19 januari 2010, 27 april 2010, 16 juni 2010, 14 oktober 2010, 4 januari 2011 en 1 april 2011.

Op de terechtzitting van 14 oktober 2010 heeft het hof de splitsing bevolen van de onderhavige zaak en de zaak met rolnummer 22-000083-11 (zaak X), welke zaken bij de inleidende dagvaarding met parketnummer 09-758554-07 gevoegd aan de verdachte waren tenlastegelegd. In de zaak met rolnummer 22-000083-11 heeft het hof op 18 januari 2011 afzonderlijk arrest gewezen.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte - voor zover in de onderhavige zaak van belang - van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 4 subsidiair tenlastegelegde, alsmede het in hoger beroep afgesplitste feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen en de inbeslaggenomen voorwerpen zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep, en is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 07 november 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een of meer, vuurwapen(s) (op korte afstand) tenminste vier, althans een of meer, kogel(s) afgevuurd op/naar, althans in de richting van, de hals/nek en/of borst en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2:

hij op of omstreeks 07 november 2007 te 's-Gravenhage en/of Voorburg een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen(s) in de vorm van een pistool (merk BBM), kaliber 6.35 mm en/of een pistool (merk Taurus), kaliber 9 mm, en/of (voor voornoemd()e wapen(s) geschikte) munitie van categorie III, te weten een of meer patro(o)(en) van het kaliber 6.35 mm Browning (7 stuks) en/of 9 mm Parabellum (5 stuks), voorhanden heeft gehad;

feit 4 primair:

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2007 tot en met 26 oktober 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een parkeergarage (Couperusduin) aan de Burgemeester Patijnlaan heeft weggenomen een motor (merk Yamaha, type XT600E, kleur zwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten door een stuurslot en/of kettingslot van die motor te forceren;

feit 4 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2007 tot en met 1 april 2008 te 's-Gravenhage en/of Voorburg, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een motor, merk Yamaha, type XT600E, kleur zwart heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die motor wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal -behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsmotivering ten aanzien van de feiten 1 en 2

Het hof gaat op basis van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden1 en verbindt daaraan zijn conclusies als onder 3.3. en 4.2 vermeld.

1.1 De dood van [slachtoffer] en het getuigenis van zijn echtgenote

Op woensdag 7 november 2007 tussen 18:07 uur en 18:11 uur wordt [slachtoffer] (hierna verder ook: het slachtoffer) in zijn woning aan de [adres] te 's-Gravenhage om het leven gebracht, in aanwezigheid van zijn echtgenote [echtgenote slachtoffer].2

[echtgenote slachtoffer] heeft in haar politieverhoor op 7 november 2007 te 21.45 uur beschreven dat [slachtoffer] omstreeks 18:00 uur thuis kwam. Op het moment dat de toegangsdeur van de woning openging hoorde ze hem zeggen "Nee, nee", althans woorden van dergelijke strekking . Zij keek vanuit de verlichte woonkamer in een donkere hal. Zij zag vervolgens dat [slachtoffer] via de hal naar de woonkamer kwam lopen en dat er achter hem een persoon liep die een bivakmuts droeg en daaroverheen een donkere base-ball pet. Ze zag dat [slachtoffer] probeerde de deur dicht te doen, kennelijk om de man te beletten de woonkamer binnen te komen. Dat lukte niet en ze zag dat de man op de rug van [slachtoffer] sprong. [slachtoffer] en de man raakten vervolgens in gevecht. Hierop ging [echtgenote slachtoffer] achter de man staan en trok ze de bivakmuts gedeeltelijk omhoog, waardoor ze de zijkant van zijn gezicht zag. Zij verklaart dat het allemaal zo snel ging. Vervolgens sprong ze de man op zijn rug en vielen ze samen achterover op de grond. Op het moment dat ze de dader weg wilde trekken hoorde ze hem zeggen: "Ik schiet je neer of ik maak je dood", althans woorden van dergelijke strekking. Terwijl de man gedeeltelijk op haar lag, zag ze dat hij met iets bezig was. Ondertussen zag ze dat [slachtoffer] op de grond lag en ze vermoedde dat hij gewond was. Ook hoorde ze dat [slachtoffer] vroeg "of hij weg was" en ze zag dat [slachtoffer] onder de eettafel in de woning wilde kruipen, kennelijk om zich te verstoppen. Nadat ze weer was opgestaan kwam [echtgenote slachtoffer] op een bepaald moment in de keuken terecht. De man gooide toen een geluidsbox naar haar toe. Vervolgens zag ze dat de man iets van de eettafel pakte, dat hij zich over [slachtoffer] die nog op de grond lag heen boog en ze hoorde dat de man ongeveer drie keer van dichtbij op [slachtoffer] schoot. Ze hoorde namelijk twee tot drie "ploffen" en ging er vanuit dat de dader met een vuurwapen met een geluiddemper schoot. Door de manier waarop de dader schoot kreeg ze duidelijk de indruk dat [slachtoffer] dood moest. Nadat de dader op [slachtoffer] had geschoten zag ze dat een hand van [slachtoffer] verslapte en wist ze dat [slachtoffer] dood was. Het lukte haar om achter de man langs te lopen waarna ze de woning is uitgevlucht naar de ambulancepost in de buurt van de woning.

Over het signalement van de schutter heeft [echtgenote slachtoffer] onder meer verklaard dat het een blanke man was en dat ze zijn lengte - gezien haar eigen lengte van 1.70 meter en het feit dat de man een kop groter was dan zij - schat op 1.90 meter.3

Ten aanzien van het handelen van [slachtoffer] heeft zij tijdens het studioverhoor (geleide herinnering) onder meer nog verklaard dat [slachtoffer] zich omdraaide en de man van zich af probeerde te duwen en dat hij toen al viel.4

Op 7 november 2007 is door een medewerker van de GG & GD, onder begeleiding van een politieambtenaar, de woning betreden en de dood van het slachtoffer [slachtoffer] vastgesteld.5

1.2 Het sectierapport en het aantreffen van kogels

Bij de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van [slachtoffer] bleek dat er aan het lichaam vier schotkanalen onderkenbaar waren:

1. Schotkanaal 1 verliep van voor aan het rechterbeen naar achteren en iets nederwaarts of andersom;

2. Schotkanaal 2 verliep van rechts, hoog aan de hals, vrijwel horizontaal, door de wervelkolom en het ruggenmerg. Aan het einde van het schotkanaal was in de schedelbasis een kogel (kogel 2);

3. Schotkanaal 3 verliep van rechts hoog aan de borst, naar onderen en naar achteren en middenwaarts. In de schotbaan lag de rechterlong en de wervelkolom. Aan het einde van het schotkanaal was net onder de rughuid een kogel (kogel 1);

4. Schotkanaal 4 verliep van links aan de borst, vrijwel horizontaal naar achteren. In de schotbaan lagen onder andere de linkerlong, de darm en het middenrif. Aan de rug was een uitschotopening. Er was perforatie van de beide longen (schotkanalen 3 en 4).

Bij [slachtoffer], oud 47 jaren, was uitval van het zenuwstelsel, bloedverlies en weefselschade ten gevolge van meervoudig schotletsel de oorzaak van het intreden van de dood.6

1.3 Inbeslagname van een wapen, een demper, een patroonhouder en munitie

Bij de doorzoeking van het perceel [perceel] te 's-Gravenhage zijn onder meer een vuurwapen en munitie aangetroffen en inbeslaggenomen. Gezien de opschriften en uiterlijke kenmerken betreft het vuurwapen een (van origine alarm)pistool, merk BBM, model 315 Auto, dat bestemd is gemaakt voor het semi-automatisch verschieten van patronen van het kaliber 6.35 mm Browning. De aangetroffen munitie is van het kaliber 6.35 mm en 9 mm.7 Voorts zijn in de woning inbeslaggenomen een patroonhouder met daarin twee patronen en een geluiddemper, alsmede de overjas die het slachtoffer ten tijde van het incident droeg.8 Al deze voorwerpen zijn op mogelijke sporen onderzocht en bemonsterd.

De twee kogels afkomstig uit het lichaam van het slachtoffer (genummerd [114#1] en [114#2]) zijn, gelet op de massa, vorm en afmetingen, waarschijnlijk van het kaliber 9 mm Parabellum, merk Sellier & Bellot, type subsonisch. De kogels zijn waarschijnlijk afgevuurd uit de loop van één en hetzelfde vuurwapen (pistool).9 Voorts is in het rugpand van de jas van het slachtoffer een gedeformeerde kogel aangetroffen, genummerd [3.049]. Deze kogel is gelet op de massa, vorm en afmetingen zeer waarschijnlijk van het kaliber 9 mm Parabellum. De kogel komt, voor zover zichtbaar, qua uiterlijk en afmetingen overeen met de kogels [114#1] en [114#2]. Deze drie kogels zijn waarschijnlijk afgevuurd uit de loop van één en hetzelfde vuurwapen.10

1.4 De conclusies van het onderzoek naar DNA-sporen

Ten aanzien van het pistool (SVO-nummer 516, DNA-zegel CMA 524), de patroonhouder uit het pistool (SVO-nummer 516#1, DNA-identiteitszegel CMA 525), de demper (SVO-nummer 400, DNA-identiteiszegel CMA 510) en de overjas van [slachtoffer] (SVO-nummer 101, DNA-identiteitszegel CMA 50011) is gerapporteerd door het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie (hierna: NFI).

De resultaten, voor zover relevant, van het onderzoek door het NFI van de overjas van het slachtoffer, het op de plaats delict aangetroffen pistool, de patroonhouder uit het pistool12 en de demper13 worden hierna vermeld. Het hof geeft de uitkomsten van het onderzoek uitgebreid weer.

Overjas van het slachtoffer

Tabel 1 - Overjas van het slachtoffer

Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2010 hebben de deskundigen dr. A.J. Kal van het NFI en ing. R. Eikelenboom van Independent Forensic Services (hierna: IFS), die dit spoor op verzoek van de verdediging eveneens heeft bekeken14, verklaard - zakelijk weergegeven - dat de onderzoeksresultaten van het NFI en IFS ten aanzien van de bemonstering [CMA500]#1 op bronniveau hetzelfde zijn.15

Pistool

Tabel 2 - Pistool

Patroonhouder

Tabel 3 - Patroonhouder

Demper

Tabel 4 - Demper

Munitie

De op de plaats delict aangetroffen munitie (hulzen en patronen) is onderzocht door het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (hierna: FLDO) van het Centrum voor Humane en Klinische Genetica van het Leids Universiteir Medisch Centrum.16

Overzicht van door het FLDO onderzocht materiaal:

CMA511 = Huls DAG SX 9 * 19 A3 (SVO-nummer 401)

CMA515 = Huls 9 mm S&B (SVO-nummer 505)

CMA516 = Patroon 6.35 Geco (SVO-nummer 506)

CMA517 = Huls 9 mm S&B (SVO-nummer 507)

CMA518 = Huls 9 mm S&B (SVO-nummer 508)

CFA999 = Patroon uit houder svo-516 (SVO-nummer 516#1#2)

CMA529 = Patroon 6.35 mm Geco (SVO-nummer 520)

Resultaten van het onderzoek door het FLDO zijn voor zover relevant in de tabel hieronder weergegeven.

HULZEN

Tabel 5 - Hulzen

PATRONEN

Tabel 6 - Patronen

1.5 Lengte van de verdachte

In het herkenningssysteem van regiokorps Haaglanden is een signalementbeschrijving opgenomen van de verdachte. De daarin opgenomen lengte van de verdachte is 1.94 meter.17

2.1 Vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 3 april 2009

De rechtbank heeft de verdachte van de feiten 1 en 2 vrijgesproken en daartoe onder meer overwogen:

"Sinds het moment dat is vastgesteld dat er uit biologische sporen op de plaats delict DNA-profielen zijn verkregen die matchen met het DNA-profiel van verdachte, heeft het politieonderzoek zich met name gericht op bevestiging van de met die DNA-sporen (terecht) gerezen verdenkingen jegens verdachte, met als uitgangspunt dat het hier om dadersporen ging. Dit onderzoek (...) heeft met name veel mogelijke scenario's opgeleverd. Maar zelfs het door politie en OM gepresenteerde meest waarschijnlijke scenario wordt - behalve met een groot aantal DNA-matches - met geen ander valide gebleken bewijsmiddel overtuigend onderbouwd.

(...)

Op grond van de onderzoeksresultaten kunnen alternatieve scenario's - waaronder de door de verdediging geschetste gang van zaken waarbij de verdachte weliswaar ooit de eigenaar van het wapen en de munitie was, maar niet de schutter is geweest - onvoldoende worden uitgesloten.

Er zijn wel heel veel verhalen, er zijn veel praatjes, er zijn vermoedens. Maar er is, met andere woorden, niet met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat de verdachte het feit heeft gepleegd of dat de verdachte op 7 november 2007 wapens voorhanden heeft gehad."

2.2 Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de rechtbank voor zover dit betreft de vrijspraak voor het medeplegen van moord en verboden wapenbezit en in hoger beroep veroordeling voor deze feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen - zakelijk weergegeven -:

1. de NFI-rapportages met de DNA-resultaten die verdachte via DNA op het wapentuig en de jas van het slachtoffer op de plaats delict brengen;

2. de resultaten van de door de politie gereconstrueerde tijdlijn waaruit genoegzaam blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de gelegenheid waren om zich op het tijdstip van de moord op/bij de plaats delict te bevinden en het "uit de lucht zijn" van de gsm's van de verdachte en zijn medeverdachte omstreeks het tijdstip en ten tijde van de moord;

3. het door de getuige [echtgenote slachtoffer] gegeven signalement dat de verdachte zeker niet uitsluit en de compositietekening waar zij de verdachte aan koppelt;

4. de getuigenverklaringen van de getuige X 1 die uit de mond van de verdachte heeft gehoord dat hij het slachtoffer heeft doodgeschoten en van [getuige 2] die van de medeverdachte [medeverdachte] heeft gehoord dat hij nu voor altijd aan Re (hof: de verdachte) vastzit;

5. de opname vertrouwelijke communicatie(OVC-gesprek) d.d. 10 juni 2008 waarin [medeverdachte] tegen een ander zegt: "Wij fietsen met Re, wij poem poem, wij klaar";

6. de nadere informatie over het op de plaats delict aangetroffen wapen;

7. de leugenachtige verklaring van de verdachte omtrent de diefstal van zijn kluis met inhoud in september 2006.

De verklaringen van de verdachte omtrent zijn alibi en het aantreffen van zijn DNA ter plaatse zijn volgens de advocaat-generaal in voldoende mate weerlegd en niet aannemelijk geworden.

2.3. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken.

De verdachte ontkent de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd en heeft zich het hoofd gebroken over de vraag hoe zijn DNA op de plaats delict zou kunnen zijn gekomen. De verdachte heeft twee scenario's (als weergegeven onder 5.1) geschetst ter verklaring van de aanwezigheid van zijn DNA, welke scenario's niet kunnen worden uitgesloten.

Voorts voert de raadsman het volgende aan: er is de mogelijkheid van contaminatie. De aanwezigheid van

DNA-sporen van een derde zijn onvoldoende onderzocht; er kan sprake zijn van meerdere daders en meerdere wapens; er zijn geen andere belastende sporen aangetroffen; een patroon bevat ook DNA-sporen van het slachtoffer; het DNA van de verdachte kan met opzet zijn aangebracht. De tijdlijn levert geen bewijs op; de verdachte heeft een alibi. Daarnaast is de herkenning door de getuige [echtgenote slachtoffer] onbetrouwbaar evenals de verklaringen van de getuigen in deze zaak die belastend over de verdachte hebben verklaard. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar andere verdachten.

3.1 De beoordeling in hoger beroep

Het hof zal op grond van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep dienen te oordelen of op grond van de bewijsmiddelen die bij de behandeling in hoger beroep voorhanden zijn boven redelijke twijfel is verheven dat de verdachte de moord op [slachtoffer] heeft gepleegd en dat de verdachte op 7 november 2007 wapen(s) en munitie voorhanden heeft gehad, één en ander zoals tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2.

3.2. Nader onderzoek

Na het onderzoek in eerste aanleg is door het NFI nader gerapporteerd met betrekking tot de door de verdachte gesuggereerde wijzen van overdracht en met betrekking tot op kleding aangetroffen (dier)haren. Door de politie is nader onderzoek verricht naar de historie van het op de plaats delict aangetroffen wapen. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn Kal (NFI) en Eikelenboom (IFS) als deskundigen gehoord. Voorts zijn de getuigen

[getuige 2] en de anonieme getuige X 1 naar voren gebracht, die respectievelijk door de raadsheer-commissaris en de rechter-commissaris zijn gehoord.

3.3 Conclusie I

Het hof stelt vast op grond van de bewijsmiddelen als genoemd onder 1.1 t/m 1.5 dat de dodelijke schoten op het slachtoffer zijn gelost door een man van omstreeks 1.90 meter in een tijdsbestek van ongeveer 4 minuten.

Het hof is van oordeel dat op basis van de uitkomsten van voornoemd sporenonderzoek in onderling verband en samenhang bezien, gelet op het aantal sporen op verschillende soorten voorwerpen, te weten aan de ene kant op die van de dader (wapentuig en munitie) en aan de andere kant op één van het slachtoffer (diens jas), de conclusie geen andere kan zijn dan dat de verdachte deze man is en dat hij de DNA-sporen, waarvan hij niet ontkent dat deze van hem zijn18, heeft aangebracht tijdens het (voorbereiden van) het schieten op dan wel de worsteling met het slachtoffer. Het hof beschouwt de aangetroffen sporen derhalve als delictgerelateerd.

4.1 Heeft de verdachte tijd en gelegenheid gehad het slachtoffer te doden?

Uit het politieonderzoek is gebleken dat de mobiele telefoon die de verdachte die dag gebruikte tussen 17:11:30 uur - 18:49:47 uur "uit de lucht was"19, terwijl hij in ieder geval in de periode van twee maanden voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] dagelijks tussen 17:11 uur en 18:50 uur één of meerdere gesprekken heeft gevoerd, met uitzondering van kennelijk verblijf in het buitenland20 Ook op 7 november 2007 heeft de verdachte zijn telefoon verder die middag veelvuldig gebruikt.21

Bij de behandeling in hoger beroep is naar voren gekomen dat het ontbreken van gesprekken tussen voornoemde tijdstippen kan inhouden dat de mobiele telefoon van de verdachte: uitgeschakeld was, aanstond en er niet is gebeld ofwel wel is gebeld maar er niet werd opgenomen.22

Op de camera bij voornoemd Texacostation om 17:26:31 uur is te zien dat de verdachte zich bevond op de [weg].

Om 17:28:26 uur rijdt de verdachte vanaf het Texaco benzinestation aan de [adres] aan de overzijde van de plaats delict, met zijn auto de [weg] op.23

Het slachtoffer is tussen 18:07 uur en 18:11 uur gedood.

Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich tussen genoemde tijdstippen elders bevond. Verdachtes verklaring bij de rechter-commissaris dat hij rond etenstijd thuis moet zijn geweest omdat hij rond dat tijdstip bezoek heeft gehad van [betrokkene]24, is door [betrokkene] niet bevestigd.25 Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat 7 november 2007 een woensdag was en dat zijn kinderen op, onder meer, de woensdagen altijd bij hem zijn.26 Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2010 heeft de verdachte verklaard: "Op 7 november 2007 was ik thuis met mijn dochtertje." Uit de zich in het dossier bevindende tapgesprekken blijkt evenwel niet dat de verdachte op dagen dat hij zijn kinderen had ook per definitie thuis was.27

4.2 Conclusie II

Het hof is gelet op het onder 4.1 vermelde van oordeel dat de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad het slachtoffer te doden.

5.1 Alternatieve scenario's

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, met name op grond van de na te noemen informatie, zijn de door de verdachte genoemde mogelijkheden van (in)directe overdracht van zijn DNA niet aannemelijk geworden. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

De stelling van de verdachte dat het wapen in september 2006 uit zijn kluis gestolen was heeft de verdediging niet gehandhaafd, gelet op de op 29 oktober 2010 van het Gerechtshof te Milaan ontvangen stukken naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van het Openbaar Ministerie aan Italië, waaruit blijkt dat het wapen eerst op enig moment in 2007 als alarmwapen de proefbank in Italië heeft verlaten.

Scenario I: overdracht DNA door middel van gestolen handschoenen

De verdediging heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het meest voor de hand liggende scenario is dat de dader de in september 2006 bij verdachte uit zijn kluis gestolen handschoenen (alsmede een bivakmuts, een geluiddemper, een zwart pistool 6.35 mm, twee magazijnen en een zakje gevarieerde munitie) zal hebben gedragen tijdens het incident, dan wel dat hij een object, bijvoorbeeld de geluiddemper, heeft vastgehad met daarop het DNA van de verdachte hetgeen zou verklaren hoe het mogelijk is dat diens DNA op de plaats delict en de jas van het slachtoffer is terechtgekomen.

Ten aanzien van de handschoenen heeft de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2011 verklaard: "Ik heb die handschoenen wel vastgehad en misschien ook honderdduizenden anderen, ik weet het niet."

Door het NFI is onder meer gerapporteerd dat er in de bemonstering van het rechtervoorpand van de overjas van het slachtoffer geen aanwijzingen zijn op de aanwezigheid van celmateriaal van een derde persoon en de onderzoeksresultaten van het IFS zoals genoemd komen ten aanzien van deze bemonstering met de onderzoeksresultaten van het NFI overeen.

De deskundige Kal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2010 in reactie op zijn ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring verklaard dat hij nog steeds vindt: "Dat een derde persoon met handschoenen van de verdachte het DNA van verdachte heeft overgedragen op de jas van het slachtoffer is niet geheel uitgesloten, maar onwaarschijnlijk". Ter toelichting heeft Kal verklaard dat het sterk samenhangt met wat er in de tussentijd met de handschoenen is gebeurd en dat het ook mogelijk is dat de transfer van DNA op andere manieren heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld omdat er is geschreeuwd of gepraat waarbij via de lucht druppeltjes speeksel van de betrokken personen zijn overgebracht. Eikelenboom heeft in reactie op het door de verdediging geschetste scenario ter terechtzitting het volgende verklaard: "Stel dat de handschoenen van persoon A direct uit de kluis door persoon B bij een overval zijn gebruikt. Dan is de vraag wat persoon B met de handschoenen gedaan heeft. Heeft hij zijn neus er bijvoorbeeld mee afgeveegd, dan zit er DNA van persoon B op de handschoenen. Heeft persoon B de handschoenen het hele jaar gedragen, dan zul je naar verwachting ook zijn DNA aantreffen. Kal heeft verklaard dat zijn antwoord soortgelijk luidt: het DNA van persoon A dat op de handschoenen zit zal door het gebruik van de handschoenen door persoon B langzamerhand verdwijnen. De vraag is wel hoeveel DNA er zal worden overgedragen. Handschoenen zijn in het algemeen van zacht, poreus materiaal. Dat leidt tot een inefficiënte overdracht van DNA-materiaal. Vochtig materiaal dat al lang op de handschoenen zit is mogelijk opgedroogd en valt dan makkelijk van de handschoenen af."28

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2010 heeft de verdachte op de vraag wat voor handschoenen er in de kluis lagen verklaard dat het een soort fleecehandschoenen waren.29

Dit scenario wordt door het hof als niet aannemelijk geworden verworpen.

Scenario II: overdracht DNA via getuige [echtgenote slachtoffer]

De verdediging heeft voor deze mogelijkheid naar voren gebracht - zakelijk weergegeven - dat DNA van de verdachte op de jas van het slachtoffer terecht gekomen kan zijn als gevolg van zijn bezoek op 7 november 2007 aan de shop van het Texaco-benzinestation aan de [weg] waar hij omstreeks 17:27 uur aan de balie twee pakjes sigaretten heeft afgerekend en waar omstreeks 17:35 de echtgenote van het slachtoffer na het tanken eveneens heeft afgerekend. Daartoe is naar voren gebracht dat het tussenschot van de neus van de verdachte als gevolg van cocaïnegebruik is geperforeerd (septumperforatie) waardoor hij gemakkelijk neusvocht verliest. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 maart 2009 heeft de verdachte verklaard dat hij hierdoor altijd een snotneus heeft. Ten gevolge hiervan zou neusvocht van de verdachte op de balie van de shop van het Texaco-benzinestation kunnen zijn achtergebleven, wat vervolgens op de handen, de sleutels of enig ander voorwerp van de echtgenote van het slachtoffer is achtergebleven en door haar is overgebracht op de jas van het slachtoffer.

Op de prints van de videobeelden van het Texaco benzinestation is te zien dat de verdachte aan zijn neus zit. Van de echtgenote van het slachtoffer is op de beelden te zien dat zij onder meer haar sleutels op de balie legt.30 Voorts is uit de beelden gebleken dat er tussen het bezoek van de verdachte en [echtgenote slachtoffer] aan de shop van het Texaco benzinestation, negen klanten aan de balie komen. In het hierover opgemaakte proces-verbaal van bevindingen wordt beschreven dat de verschillende klanten allemaal voorwerpen en/of hun hand(en) dan wel arm op de balie plaatsen en ook de baliemedewerker legt voorwerpen op de balie.31

Op de terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2011 is naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van het hof32 door de raadsman van de verdachte een recente verklaring van een KNO-arts aan het hof overgelegd. Deze verklaring is aan de pleitnota gehecht en houdt onder meer in dat bij de verdachte een grote septumperforatie is geconstateerd, dat het slijmvlies van de neus zeer droog en crusteus is en een verlittekende indruk maakt op basis van epitheeldysplasie. Deze verklaring houdt niet in dat de verdachte als gevolg van de septumperforatie veelvuldig een zogenoemde snotneus heeft dan wel makkelijk (veel) neusvocht verliest.

Ten aanzien van het bovenomschreven scenario is op 28 november 2008 door Kal van het NFI gerapporteerd. Dit rapport houdt over zijn bevindingen het volgende in:

"Onder het scenario van indirecte overdracht van celmateriaal via de balie en via de handen van [echtgenote slachtoffer] op de jas van het slachtoffer is mijn verwachting dat slechts minieme hoeveelheden DNA zouden kunnen worden overgedragen. Ik acht de kans uiterst klein dat er via voorgestelde indirecte overdracht zoveel DNA van de verdachte uiteindelijk op de overjas van het slachtoffer is terecht gekomen dat dit met het standaard DNA-onderzoek kan worden gedetecteerd. Als indirecte overdracht heeft plaatsgevonden dan kan dit namelijk uitsluitend als:

- de verdachte [verdachte] en de echtgenote [echtgenote slachtoffer] de balie op exact dezelfde plaats(en) hebben aangeraakt;

- bij het afrekenen relatief veel celmateriaal van [verdachte] op de balie en vervolgens op de handen van [echtgenote slachtoffer] is overgedragen;

- het celmateriaal bij de handelingen die [echtgenote slachtoffer] heeft verricht na het afrekenen in het benzinestation op haar handen persisteert en daarna is overgedragen op de overjas (volgens de informatie heeft [echtgenote slachtoffer] onder

andere de auto naar huis gereden, de honden uitgelaten, de gordijnen gesloten en is zij bij de dader op de rug gesprongen tijdens de worsteling33).

Daarbij is het in licht van het scenario van indirecte overdracht van celmateriaal, via de balie en via de handen van [echtgenote slachtoffer], opmerkelijk dat het onvolledige DNA-mengprofiel van het DNA in de bemonstering [CMA500]#1 van de overjas geen aanwijzingen geeft op celmateriaal van [echtgenote slachtoffer] of van onbekende andere personen. Dit is opmerkelijk omdat:

- de verwachting is dat dan ook celmateriaal van (andere) personen die in de tijd voor het afrekenen door [verdachte] en tussen het afrekenen door [verdachte] en [echtgenote slachtoffer] de balie hebben aangeraakt, zou zijn

overgedragen op de handen van [echtgenote slachtoffer];

- de verwachting is dat dan ook celmateriaal van [echtgenote slachtoffer] zou zijn overdragen op de overjas van het slachtoffer.

Bovendien is in het licht van het scenario van indirecte overdracht de verwachting dat niet al het vreemde DNA dat op de handen van [echtgenote slachtoffer] aanwezig is bij het contact met de overjas hierop wordt overgedragen.

Hierdoor is de verwachting dat er ook na het contact met de overjas nog vreemd DNA op haar handen aanwezig zal zijn. Na het misdrijf zijn de nagels en de handen van [echtgenote slachtoffer] bemonsterd ten behoeve van een biologisch sporenonderzoek en een DNA-onderzoek. De bemonsteringen [CMA505]#1, [CMA505]#2 en [CMA506]#1 van de nagels en handen van [echtgenote slachtoffer] geven

geen aanwijzingen op de aanwezigheid van ander celmateriaal dan van haarzelf34.

De bovenstaande bevindingen (...) passen naar mijn mening veel beter in het scenario van directe overdracht."

De conclusie van Kal in het rapport luidt dat de verkregen resultaten van het DNA-onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn bij het scenario van directe overdracht dan bij het scenario van indirecte overdracht van DNA.35

In hoger beroep is door Kal aanvullend gerapporteerd in een tweetal rapporten d.d. 21 april 201036 en 14 juni 201037 omtrent het bovenstaande. Bovenstaande conclusie wordt op basis van die rapporten bevestigd. In het rapport van 21 april 2010 is door Kal uitgegaan van drie overdrachten door de negen klanten en de baliemedewerker via de balie van de shop van het Texacobenzinestation (deels gebaseerd op de camerabeelden van vier van de negen klanten). Door Kal is in het rapport vervolgens berekend dat er in het scenario van de verdediging 1,8 tot 18 liter speeksel/neusvocht aanwezig moet zijn geweest op de hand van de verdachte om via de beschreven indirecte overdracht op de jas van het slachtoffer minimaal 1100 cellen over te dragen; een conservatieve schatting van het minimum aantal cellen dat op de jas van het slachtoffer aanwezig moet zijn geweest. De aanwezigheid van genoemde hoeveelheid op de hand van de verdachte is, aldus Kal, niet realistisch en wordt niet ondersteund door de beelden van de bewakingscamera. De conclusie die Kal trekt is gelijkluidend aan de conclusie in het rapport van 28 november 2008, namelijk dat de resultaten van het DNA-onderzoek naar zijn mening zeer veel waarschijnlijker zijn bij het scenario van directe overdracht dan bij het scenario van indirecte overdracht van DNA.

Omdat op de terechtzitting van 27 april 2010 bleek dat Kal camerabeelden had ontvangen van maar vier van de negen klanten die na de verdachte bij de balie in het benzinestation hebben afgerekend, is Kal op die terechtzitting verzocht aanvullend te rapporteren en daarbij ook de camerabeelden van de overige vijf klanten te betrekken. Kal heeft vervolgens een berekening gemaakt van de hoeveelheid neusvocht die op de hand van de verdachte moet zijn geweest om 1100 cellen achter te kunnen laten op de jas van het slachtoffer bij minder dan drie overdrachten, als volgt:

- bij twee overdrachten via de balie (overdracht op twee van de negen klanten) is dat 0,18 tot 1,8 liter (ofwel 180 ml tot 1,8 liter);

- bij één overdracht via de balie (overdracht op één van de negen klanten) is dat 0,018 tot 0,18 liter (ofwel 18 tot 180 ml);

- bij geen overdracht via de balie (overdracht op geen van de negen klanten) is dat 0,0018 tot 0,018 liter (ofwel 1,8 tot 18 ml.)

Aangezien bij een aantal van drie overdrachten al een onrealistisch grote hoeveelheid speeksel/neusvocht aanwezig moet zijn geweest, is geen nadere berekening uitgevoerd waarbij is uitgegaan van vier of meer overdrachten.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2010 is Kal bovendien als deskundige gehoord met betrekking tot de veronderstelde indirecte overdracht via [echtgenote slachtoffer]. Hij heeft toen onder meer verklaard: "Het rapport van 21 april 2010 is in overeenstemming met het rapport van 28 november 2008 en versterkt het ook. In het rapport van 21 april 2010 is getalsmatig onderbouwd waarom het ene scenario meer waarschijnlijk is dan het andere. Die getalsmatige onderbouwing ontbrak in het rapport van 28 november 2008."38

Op dezelfde terechtzitting is Eikelenboom van IFS eveneens als deskundige gehoord. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat het waarschijnlijker is dat er directe overdracht heeft plaatsgevonden dan indirecte overdracht in het 'Texaco-scenario', alsmede dat in de wetenschap niets kan worden uitgesloten, maar dat een bepaald scenario wel waarschijnlijker kan zijn dan andere. Ten aanzien van het rapport van 21 april 2010 van het NFI heeft Eikelenboom voorts verklaard: "De berekeningen in het rapport van het NFI zijn correct, onder de gedane aannames. We weten nu eenmaal niet wat er op de plaats delict is gebeurd. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat in het Texaco benzinestation door de verdachte 1,8 liter neusvocht is achtergelaten, dus er moet een ander scenario zijn dat het aantreffen van zijn DNA-materiaal op de plaats delict verklaart."39

Het hof sluit zich bij de bevindingen van Kal aan en is op basis daarvan en gelet op de ontvangen medische informatie over de verdachte, waardoor het scenario van de indirecte overdracht op grond van het 'Texaco scenario' niet wordt onderbouwd, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat DNA-materiaal van de verdachte via de balie op de handen van de echtgenote van het slachtoffer terecht is gekomen en derhalve dat uitgegaan moet worden van directe overdracht van DNA-materiaal van de verdachte op de jas van het slachtoffer.

Naar het oordeel van het hof is onwaarschijnlijk dat neusvocht van de verdachte via de sleutelbos van [echtgenote slachtoffer] op de jas van het slachtoffer terecht is gekomen zoals door de verdediging aangevoerd.40 Gelet op de bovenstaande bevindingen van Kal acht het hof het onwaarschijnlijk dat na het bezoek van de verdachte [verdachte] aan het benzinestation en de negen klanten daarna er nog immer DNA-materiaal van de verdachte [verdachte] op de balie aanwezig was en dat dit materiaal vervolgens op de sleutels van [echtgenote slachtoffer] is terechtgekomen, terwijl ook dit scenario door de ontvangen medische informatie niet wordt onderbouwd.

Zoals overwogen onder 3.3, beschouwt het hof de uitkomsten van voornoemd sporenonderzoek, in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen, redengevend voor het bewijs van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde. Naast bovenstaande scenario's, die naar het oordeel van het hof niet aannemelijk zijn geworden, heeft de verdachte geen andere, redelijke verklaring gegeven, waardoor die redengevendheid wordt ontzenuwd. Ook overigens is het hof daarvan niet gebleken.

6.1 Overige bewijsmiddelen die door de advocaat-generaal zijn genoemd

De getuigenverklaring van X 1 die uit de mond van de verdachte heeft gehoord dat hij het slachtoffer heeft doodgeschoten, acht het hof niet zonder meer betrouwbaar mede gelet op het feit dat deze getuige heeft verklaard dat de verdachte op het moment dat zij samen in de P.I. Scheveningen verbleven heeft verteld dat er in een andere zaak, over een overval of beroving, DNA van hem was aangetroffen, maar dat hij (de verdachte) op het moment van die overval of beroving vast zat41. Het hof kan deze verwijzing niet anders verstaan dan dat gedoeld wordt op een overval op een woning in Bloemendaal (zaak TGO Mol). Uit het zich in het dossier bevindende "Dossier TGO Mol" blijkt dat op 19 november 2008 bekend is gemaakt dat op het koord inbeslaggenomen in de woning te Bloemendaal een DNA-profiel was aangetroffen dat overeenkwam met het in de databank aanwezige profiel van [verdachte]42 en uit de justitiële gegevens van de verdachte blijkt dat hij op 10 november 2008 vanuit de P.I. Scheveningen is overgeplaatst naar de EBI te Vught. Derhalve is een situatie als waarover X 1 heeft verklaard pas bekend geworden na het gestelde gesprek tussen X 1 en de verdachte. Een soortgelijke situatie voordien is niet gebleken.

Voor wat betreft het door [echtgenote slachtoffer] gegeven signalement en de daaruit voortvloeiende compositietekening wijst het hof naar de korte tijdspanne waarin [echtgenote slachtoffer] de dader heeft gezien en hetgeen dr. G. Wolters, hoofddocent cognitieve psychologie bij de universiteit Leiden, op pagina 4 van zijn rapport heeft vermeld: "Niet geheel duidelijk is of zij (hof: [echtgenote slachtoffer]) het gezicht alleen 'en profile' of ook 'en face' heeft gezien (haar verklaringen daarover in de eerste verhoren en in het verhoor bij de RC lopen uiteen), wel geeft zij vanaf het begin duidelijk aan niet te weten of zij het gezicht bij weerzien zou kunnen herkennen. Hieruit kan worden afgeleid dat de getuige slechts een zeer onvolledig beeld van de dader kan hebben" en op pagina 5: "Uit onderzoek is gebleken dat de accuratesse van persoonsidentificaties afneemt met hoge niveaus van angst en stress.".43 Het hof ziet het door haar gegeven signalement als een middel voor de opsporing, maar niet als bewijsmiddel. Het hof neemt onder 1.1 (in combinatie met 1.5) wel als bewijsmiddel op de door [echtgenote slachtoffer] genoemde lengte van de dader, nu de getuige die lengte heel duidelijk relateert aan haar eigen lengte, zodat er sprake is van een verantwoorde schatting van de lengte van de verdachte.

Tegenover de verklaring van de getuige [getuige 2] die van de medeverdachte [medeverdachte] zou hebben gehoord dat hij nu voor altijd aan Re (hof: de verdachte) vastzit, staat de ontkennende verklaring van [medeverdachte] als verdachte.44 Bovendien is de getuige [getuige 2] in zijn verhoor door de raadsheer-commissaris met betrekking tot het plaatsen in de tijd van de door hem beschreven gebeurtenis minder gedetailleerd dan bij de politie.

Aan de opname vertrouwelijke communicatie (OVC-gesprek) d.d. 10 juni 2008 waarin de medeverdachte [medeverdachte] tegen een ander (niet de verdachte) zegt: "Wij fietsen met Re, wij poem poem, wij klaar" kan zonder meer geen zelfstandige betekenis worden toegekend, temeer nu de medeverdachte [medeverdachte] tijdens dit gesprek kort daarna ook zegt: "Luister, dit wist ik niet. Dit [verdachte] mij nooit verteld he, [verdachte] nooit gezegd ik ga moord op wat dan ook. Ik denk ook niet [verdachte] gedaan."45

Het hof gaat er niet zonder meer vanuit dat de aangifte van diefstal van de kluis van de verdachte in september 2006 vals is.

Op grond van het vorenoverwogene betrekt het hof genoemde verklaringen, de inhoud van het OVC-gesprek en de aangifte in september 2006 niet bij de bewezenverklaring. Daartegen gerichte verweren van de verdediging laat het hof dan ook buiten bespreking.

7.1 Verdere verweren van de verdediging ten aanzien van het bewijs

De verweren van de verdediging zoals opgenomen in de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2011 overgelegde pleitnota laten zich, voor zover het hof daarop dient te beslissen, als volgt samenvatten:

1. Er zijn mogelijk meerdere daders in de woning van het slachtoffer aanwezig geweest. Dit kan worden afgeleid uit hetgeen door de echtgenote van het slachtoffer is verklaard tegenover de getuige {getuige] en een ambulancebroeder bij de ambulancepost. Zij heeft tegen hen gezegd: "Ze hebben hem doodgeschoten", respectievelijk dat "ze" haar man hadden vermoord. Algemeen gezegd is de verklaring van [echtgenote slachtoffer] niet betrouwbaar. Voorts is de mogelijke aanwezigheid van DNA van een derde en van het gebruik van mogelijk drie wapens daarvoor een aanwijzing.

2. Uit het onderzoek naar de op de plaats delict gehanteerde vuurwapens blijkt dat er met twee verschillende kalibers is geschoten met mogelijk drie verschillende wapens: eenmaal 9 mm en tweemaal 6.35 mm. Immers, niet met zekerheid valt vast te stellen of de aangetroffen huls [403] met kaliber 6.35 mm werd verschoten met het op de plaats delict aangetroffen pistool. De kraslijnen van de kogel [504] kwamen voor een klein deel overeen met de kraslijnen op de verschoten kogels bij de proefschoten. Tussen de kraslijnen in de proefkogels en die in de kogel [509] kon geen aansluiting worden gevonden. Dat is vreemd, behalve als er twee wapens van het kaliber 6.35 mm tijdens het incident zijn gehanteerd. De raadsman heeft in dit verband tevens verwezen naar pagina 12 van een deskundigenrapport d.d. 29 april 2008 van het Nederlands Forensisch Instituut dat is opgemaakt door ing. R.C. Roepnarain. Het hof begrijpt dat de raadsman doelt op punt B, tweede alinea: "Uit de aangetroffen munitiedelen (hulzen en kogels) blijkt dat er bij schietincident is geschoten met zowel loodhoudende als loodvrije munitie (action 3-munitie)." In de woning van het slachtoffer zijn verder in de deur naar de trap beschadigingen aangetroffen die zouden passen bij de inslag/het ricocheren van een kogel. Die inslag lijkt te moeten komen vanuit een richting die zich niet verhoudt met de richting waarin de dader zou hebben geschoten dan wel waar de dader zou hebben gestaan volgens mevrouw [echtgenote slachtoffer]. Het is voor de verdediging een volstrekt raadsel waarom de gangen van die kogel niet nader zijn onderzocht.

3. Een ander scenario is contaminatie. Dit heeft mogelijk plaatsgevonden tijdens het betreden van de plaats delict door het arrestatieteam. Overigens zat er ook nog een hond in de directe nabijheid van [slachtoffer]. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van technisch onderzoek van verbalisant Marks dat niet met zekerheid kan worden gereproduceerd of elk stuk van overtuiging met nieuwe handschoenen werd beetgepakt. Ook dit zijn scenario's van indirecte overdracht. Bij de interpretatie is tevens van belang dat het DNA van de verdachte direct of indirect is terechtgekomen op een touw dat is gebruikt in de zaak TGO Mol, terwijl de verdachte op dat moment in voorarrest zat voor de onderhavige zaak. Het ontbreken van andere belastende sporen, zoals uit het haaronderzoek blijkt, is ontlastend voor de verdachte.

4. Door IFS zijn aanwijzingen gevonden dat een patroon die zich in de patroonhouder van het aangetroffen 6.35 mm pistool bevond - naast DNA-kenmerken van de verdachte en van een derde onbekende - DNA-kenmerken bevat van [slachtoffer] [slachtoffer].

Door een ander kunnen DNA-sporen van de verdachte opzettelijk zijn aangebracht.

5. Als de verdachte de dader is geweest, dan moet hij wel heel erg krap in de tijd hebben gezeten, immers zou hij zich na het bezoek aan het benzinestation thuis hebben moeten omkleden, scheren en verplaatsen middels auto, motor of fiets naar de plaats delict waar hij [slachtoffer] ook nog enige tijd zou hebben moeten opwachten. Bovendien heeft de verdachte een alibi en klopt het signalement, waaronder het accent, en de compositietekening niet.

6. Er is sprake van een tunnelvisie waardoor er, ook recent, onvoldoende is gezocht naar andere verdachten.

7.2 Reactie hof op de verweren

1. Meerdere daders in de woning van het slachtoffer

Het hof overweegt dat, behoudens de door de raadsman vermelde uitlatingen van [echtgenote slachtoffer], zij steeds heeft verklaard over één dader die in de woning aanwezig was. [echtgenote slachtoffer] heeft in de woning gehoord dat het slachtoffer aan haar vroeg "of hij al weg was". Ook deze uitlating van het slachtoffer duidt op de aanwezigheid van één dader. Dat er meerdere daders in de woning van het slachtoffer aanwezig zijn geweest acht het hof op basis van het voorgaande niet aannemelijk geworden. Het hof verwijst voorts ook naar hetgeen hierna onder 4 wordt overwogen.

2. Het aantal wapens op de plaats delict

Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 januari 2008 waar de raadsman zich op baseert houdt niet in dat er, gelet op de verkregen onderzoeksresultaten, sprake moet zijn geweest van een derde wapen. In het dossier bevindt zich voor het overige en met name gelet op hetgeen door [echtgenote slachtoffer] is verklaard en het op de plaats delict aangetroffen wapentuig en munitie, ook geen enkele aanwijzing in die richting. Gelet hierop gaat het hof uit van een tweetal wapens, waarvan één met kaliber 6.35 mm en één met kaliber 9 mm, alsmede dat zowel de loodhoudende als de niet loodhoudende munitie met het 9 mm wapen zijn verschoten.

Voor wat betreft de in de deur naar de trap aangetroffen beschadigingen die zouden passen bij de inslag/het ricocheren van een kogel verwijst het hof naar de bevindingen van de politie over de plaatsen waar de schutter kan hebben gestaan en geschoten, te weten zowel in de hal, in de deuropening hal/woonkamer als in de woonkamer, dan wel een combinatie daarvan.46

3. Contaminatie

Vooropgesteld zij dat de verdediging niet heeft gesteld dat zij de resultaten van de DNA-hits aanvecht, in de zin dat de gevonden DNA-sporen niet zouden matchen met het DNA-profiel van de verdachte [verdachte]. In zijn algemeenheid is door de verdediging gewezen op de mogelijkheid van contaminatie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. In een aanvullend proces-verbaal is door de verbalisanten die op 7 november 2007 een forensisch technisch sporenonderzoek hebben ingesteld in de woning van het slachtoffer, gerelateerd dat het verwisselen van de handschoenen vrijwel altijd heeft plaatsgevonden. Dit verwisselen van de handschoenen wordt als een bijna vanzelfsprekendheid ervaren. Echter kan door de verbalisanten niet worden gereproduceerd of dit ook bij elk stuk van overtuiging gebeurde. Ten aanzien van SVO 401 (huls DAG SX 9 * 19 A3) kan met zekerheid worden aangegeven dat na het veilig stellen van dit stuk van overtuiging (SVO) de onderzoekshandschoenen werden gewisseld. Dit omdat dit het eerste SVO was dat door de betreffende verbalisant Marks werd veiliggesteld en direct daarna een foto moest worden gemaakt van een ander onderwerp in de gang. Daarvoor wisselde de verbalisant zijn handschoenen. SVO 400 (de demper) werd ook op de hiervoor beschreven wijze veiliggesteld. Voorts kan worden aangegeven dat enige contaminatie van de hier genoemde SVO's met SVO's welke later werden veiliggesteld, waaronder SVO 516 (het wapen), niet heeft plaatsgevonden. Dit omdat SVO 516 pas in het laatste stadium van het onderzoek werd aangetroffen en veiliggesteld.47

Het hof acht op grond van het bovenstaande contaminatie van sporenmateriaal bij het forensisch technisch sporenonderzoek in de woning onwaarschijnlijk.

Dat er op de plaats delict haren van de dader zouden moeten zijn aangetroffen, is niet te verwachten nu de dader een bivakmuts droeg; ook is uit de aanwezigheid van een hond of honden ter plaatse niet zonder meer te verwachten dat op de kleding van de dader zich hondenharen zouden bevinden.

Ten aanzien van de zaak TGO Mol overweegt het hof dat een onderzoek naar de routing van sporenmateriaal bij het NFI in de zaken TGO Mol en TGO Bos heeft uitgewezen dat er geen aanwijzingen zijn verkregen op overdracht van materiaal uit TGO Mol naar TGO Bos. Overdracht van materiaal van TGO Mol naar TGO Bos is niet aan de orde voor wat betreft het materiaal dat is veiliggesteld van de plaats delict van TGO Bos, omdat het onderzoek aan het materiaal van de plaats delict al was afgerond en gerapporteerd voordat het delict in TGO Mol plaatsvond.48 Dat op de terechtzitting in eerste aanleg van 16 maart 2009 door de deskundige Eikelenboom voorts de mogelijkheid van contaminatie door het arrestatieteam is genoemd blijkt niet uit het proces-verbaal van die terechtzitting en is overigens ook volstrekt niet aannemelijk geworden. Datzelfde geldt voor contaminatie door een hond van het slachtoffer.

4. DNA-kenmerken op patroonhouder

In de bemonstering CFA 999 zijn door IFS naast de DNA-kenmerken die overeenkomen met de verdachte [verdachte], kenmerken verkregen die niet passen bij zijn profiel. IFS noemt in dat verband een aantal mogelijkheden. Eén van die mogelijkheden is dat het slachtoffer een geringe hoeveelheid celmateriaal aan deze bemonstering heeft bijgedragen (naast nog een derde onbekende persoon). Daarnaast is mogelijk dat naast de verdachte [verdachte] één of meer onbekenden een geringe hoeveelheid celmateriaal heeft/hebben bijgedragen aan deze bemonstering. De mogelijkheid dat, naast de verdachte en een onbekende derde persoon, het slachtoffer een geringe hoeveelheid celmateriaal aan deze bemonstering heeft bijgedragen doet naar het oordeel van het hof niet af aan de omstandigheid dat vrijwel het volledige profiel van de verdachte is aangetroffen.

Dat een ander DNA-materiaal van de verdachte zou hebben aangebracht is door de verdediging niet nader onderbouwd en is wederom gelet op het aantal DNA-sporen van de verdachte op verschillende soorten voorwerpen onwaarschijnlijk. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat in een aantal sporen een geringe hoeveelheid DNA van een derde kan worden gedetecteerd, is het hof van oordeel dat dit gegeven zonder meer niet afdoet aan de sporen van de verdachte als bovenomschreven.

5. Tijdlijn en signalement

Het verweer met betrekking tot de tijdlijn wordt weerlegd door hetgeen onder 4.1 is overwogen. Voor wat betreft hetgeen is aangevoerd met betrekking tot het door [echtgenote slachtoffer] gegeven signalement verwijst het hof naar hetgeen daaromtrent onder 6.1 is overwogen.

6. Tunnelvisie

Uit het omvangrijke dossier maakt het hof op dat er andere scenario's met andere verdachten of medeverdachten zijn onderzocht. De informatie waarop de raadsman doelt zou van een aantal jaren geleden zijn en is volgens de advocaat-generaal in het onderzoek meegenomen.

8.1 Voorbedachte raad

Op grond van de in de woning van het slachtoffer aangetroffen munitie van verschillende kalibers en de kogels die zich in het lichaam van het slachtoffer bevonden, staat vast dat de verdachte, naast het op de plaats delict aangetroffen wapen dat bestemd was gemaakt voor het verschieten van patronen van het kaliber 6.35 mm Browning, nog een wapen bij zich heeft gehad dat bestemd was voor het verschieten van patronen van kaliber 9 mm. De verdachte is derhalve met twee vuurwapens naar de woning van het slachtoffer gegaan. Deze wapens met munitie zijn elk een bij uitstek geschikt middel om iemand mee te doden. Voorts kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte het slachtoffer bij zijn woning onverhoeds heeft aangevallen en heeft beschoten en dat de verdachte vervolgens, toen het slachtoffer eenmaal op de grond lag en de verdachte over hem stond heengebogen, meerdere schoten op het slachtoffer heeft afgevuurd. In totaal zijn in het lichaam van het slachtoffer vier schotkanalen aangetroffen. Om zijn identiteit verborgen te houden droeg de verdachte een bivakmuts. De verdachte heeft daarmee naar het oordeel van het hof uitgevoerd waarop hij zich had voorbereid. Het hof is op grond van de omschreven gang van zaken van oordeel dat de verdachte op geplande wijze heeft gehandeld, waarbij hij de tijd had om zich te beraden op zijn besluit en de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Of en in hoeverre een ander of anderen de verdachte bij zijn daad behulpzaam is of zijn geweest is niet vast te stellen.

Bewijsmotivering ten aanzien van feit 4

Nu de verdachte het onder 4 subsidiair tenlastegelegde (zaak Motor) heeft bekend, zal het hof ten aanzien van dit feit met een opgave van de bewijsmiddelen volstaan.

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2010 (p. 10 van het proces-verbaal).

2. Het proces-verbaal van aangifte van de politie Haaglanden, bureau Karnebeek - PL 1511, d.d. 26 oktober 2007, nr. PL1511/2007/58676-1, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt in de aangifte van [aangever] van diefstal van haar motor (merk Yamaha, type XT600E, kleur zwart) tussen 14 oktober 2007 en 26 oktober 2007 te 's-Gravenhage, p. 9 van Bijlage AG proces-verbaal aangifte, getuigedeskundige, documenten.

3. Het proces-verbaal van bevindingen IBN motorfiets van de regiopolitie Haaglanden, directie Recherche en Vreemdelingenzaken, bureau Regionale Recherche, d.d. 2 april 2008, nr. PL 1509/2007/4256, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, p. 1/VGL/AH/140 e.v. proces-verbaal Ambtshandelingen I. Dit proces-verbaal houdt onder meer in dat op 1 april 2008 in een berging in een flatgebouw aan het [adres] te 's-Gravenhage is aangetroffen en inbeslaggenomen een motor van het merk Yamaha in de kleur zwart, type XT600E. Het voertuig bleek voor diefstal op naam te zijn gesteld van [aangever feit 4].

4. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 26 en 27 augustus 2008, punten 38 en 42. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte dat hij de motor die in de kelderbox van zijn ouders (het hof begrijpt: gelegen aan het [adres] te 's-Gravenhage) inbeslaggenomen is, niet heeft gestolen, maar hij bekent wel dat hij de motor heeft geheeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem onder 1 impliciet primair tenlastegelegde moord op [slachtoffer] heeft begaan, alsmede hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd en het onder 4 subsidiair tenlastegelegde, op de wijze als in de hierna opgenomen uitgestreepte bewezenverklaring is omschreven.

feit 1:

hij op 07 november 2007 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een of meer, vuurwapen(s) tenminste vier kogels afgevuurd naar het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2:

hij op 07 november 2007 te 's-Gravenhage wapens van categorie III, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool (merk BBM), kaliber 6.35 mm en een pistool, kaliber 9 mm, en voor voornoemde wapens geschikte munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 6.35 mm Browning en 9 mm Parabellum, voorhanden heeft gehad;

feit 4 subsidiair:

hij in de periode van 14 oktober 2007 tot en met 1 april 2008 te 's-Gravenhage een motor, merk Yamaha, type XT600E, kleur zwart heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van die motor wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Moord.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, het onder 2 en het onder 4 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 7 november 2007 opzettelijk [slachtoffer] om het leven gebracht. De verdachte is met twee vuurwapens naar de woning van het slachtoffer gegaan. Daar heeft hij het slachtoffer onverhoeds aangevallen en beschoten en toen het slachtoffer vervolgens in de woning eenmaal op de grond lag, heeft de verdachte, terwijl hij over het slachtoffer stond heengebogen, meerdere schoten op het slachtoffer afgevuurd, waardoor het slachtoffer is overleden. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan moord. Hij heeft welbewust een mensenleven beëindigd en daarmee een onomkeerbaar verlies en groot leed toegebracht aan de partner, de dochter en overige familie en vrienden van het slachtoffer. Een feit als dit draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Het hof is - mede vanuit een oogpunt van vergelding - van oordeel dat als reactie op een dergelijk feit een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten die met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren tot uitgangspunt genomen.

Als bijzondere omstandigheden die in dit geval strafverhogend werken heeft het hof de navolgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, één en ander in onderling verband en samenhang bezien:

- de verdachte heeft het slachtoffer in zijn eigen woning en onder de ogen van de echtgenote van het slachtoffer om het leven gebracht.

- de verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven in het motief voor zijn handelen. Er is geen aanwijzing voor een persoonlijke relatie tussen de verdachte en het slachtoffer. Gelet hierop en in aanmerking genomen de wijze waarop het feit is begaan, heeft de moord de kenmerken van een kille liquidatie;

Tevens heeft de verdachte onbevoegd vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Gezien de gevaarsaspecten van wapenbezit dient onbevoegd wapenbezit streng te worden bestraft. Wapens als die van de verdachte leveren een onaanvaardbaar groot risico voor de veiligheid van personen op.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan opzetheling van een motor. Feiten als deze brengen de benadeelden naast ergernis en overlast, vaak ook financiële schade toe. Door heling wordt bovendien het plegen van diefstallen bevorderd, omdat het een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand houdt.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 maart 2011 is voorts gebleken dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van misdrijven, waaronder in 1998 voor een gijzeling en mishandeling, in 2002 voor mishandeling en bedreiging en in 2003 voor mishandeling. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen zal worden beslist overeenkomstig het vonnis van de rechtbank. Ten aanzien van het voorwerp zoals dit is vermeld onder nummer 22 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, waarover door de rechtbank geen beslissing is genomen, heeft de advocaat-generaal de teruggave aan de rechthebbende in Duitsland gevorderd.

Het hof zal, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 16 t/m 21, 23 t/m 49 en 51 t/m 60 vermelde voorwerpen, alsmede aan [aangever feit 4] het inbeslaggenomen voorwerp als vermeld onder nummer 1 van deze lijst.

Ten aanzien van het voorwerp zoals dit is vermeld onder nummer 22 op voornoemde lijst zal het hof de teruggave aan de rechthebbende gelasten, alsmede van het onder nummer 50 op voornoemde lijst genoemde voorwerp. Ten aanzien van laatstgenoemd feit kan niet worden vastgesteld dat de verdachte hiervan de rechthebbende is.

Vordering tot schadevergoeding [echtgenote slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [echtgenote slachtoffer] zich, middels haar gemachtigde mr. A.H. Westendorp, als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 55.784,06 (€ 37.692,06 ter zake van geleden materiële schade en € 10.000,- ter zake van geleden immateriële schade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 45.784,06 ter zake van de geleden materiële schade, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Gelet op het standpunt van de verdediging is namens de verdachte de afwijzing van de vordering bepleit.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zoverre worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor wat betreft die schade niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten het hof vooralsnog begroot op

€ 8.092,- - en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [echtgenote slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 37.692,06 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [echtgenote slachtoffer].

Vordering tot schadevergoeding [aangever feit 4]

In het onderhavige strafproces heeft voorts [aangever feit 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 675,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 175,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het overige.

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan, dat de gestelde materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde.

De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 289 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair, het onder 2 en het onder 4 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

15 (vijftien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van het voorwerp zoals dit vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder het nummer 1 aan [aangever feit 4].

Gelast de teruggave van de voorwerpen zoals deze vermeld zijn op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 16 t/m 21, 23 t/m 49 en 51 t/m 60 aan verdachte.

Gelast de teruggave van de voorwerpen zoals deze vermeld zijn op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 22 en 50 aan de rechthebbenden.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [echtgenote slachtoffer] tot een bedrag van

€ 37.692,06

(zevenendertigduizend zeshonderdtweeennegentig euro en zes cent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op € 8.092,- - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde voorts de verplichting op om ten behoeve van [echtgenote slachtoffer] aan de Staat een bedrag te betalen van

€ 37.692,06

(zevenendertigduizend zeshonderdtweeënnegentig euro en zes cent)

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van

223 (tweehonderddrieëntwintig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verklaart de benadeelde partij [aangever feit 4] niet-ontvankelijk in de vordering.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel apart is geminuteerd.

Dit arrest is gewezen door B.A. Stoker-Klein,

mr. G.J.W. van Oven en mr. A.J.M. Kaptein, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 april 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met proces-verbaal nummer 1509/2007/4256 in het onderzoek TGO 07-150 "BOS". Verklaringen zijn zakelijk weergegeven.

2 Omstreeks 18:11 uur wordt er gebeld naar de meldkamer van de politie Haaglanden met de mededeling dat er op de [weg], in een woning gelegen in de nabijheid van de ambulancepost, een man vermoord zou zijn: voorgeleidingsproces-verbaal, p. 0/VGL/3. Het laatste telefonisch contact van [slachtoffer] vindt plaats op 7 november 2007 te 18:07:07 uur. Hij belt dan uit naar een mobiel telefoonnummer in gebruik bij [getuige]. Tijdens dit gesprek hoort [getuige] het [slachtoffer] gillen en zijn echtgenote [echtgenote slachtoffer] hard schreeuwen, alsmede geluiden die op een worsteling duiden. Vervolgens wordt het stil en hoort [getuige] zachte muziek: zie de processen-verbaal van verhoor getuige [getuige], p. 0/VGL/G/16 e.v. en p. 0/VGL/G/22-23 proces-verbaal Getuigen I en het proces-verbaal van bevindingen historische verkeersgegevens 7 november 2007 [slachtoffer], p. 403 proces-verbaal Ambtshandelingen II.

3 Proces-verbaal van verhoor [echtgenote slachtoffer] d.d. 9 november 2007, p. 0/VGL/G/01 e.v. proces-verbaal Getuigen I.

4 Transcriptie studioverhoor [echtgenote slachtoffer] op 22 november 2007, p. 0/VGL/G/62.

5 Voorgeleidingsproces-verbaal, p. 0/VGL/3.

6 Deskundigenrapport van het Ministerie van Justitie Nederlands Forensisch Instituut d.d. 11 januari 2008, betreffende het obductieverslag van de op 8 november 2007 verrichte uit- en inwendige schouwing op het lijk van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum en -jaar] (hof: [juiste geboortejaar]), opgemaakt en getekend op de door de deskundige afgelegde algemene eed/belofte als vast gerechtelijk deskundige door F.R.W. v.d. Goot, arts-patholoog, als bijlage PP van Bijlagenlijst 1 gevoegd in het forensisch dossier, p. 336 e.v..

7 Voorgeleidingsproces-verbaal: 0/VGL/9 en de sporenlijst, als bijlage A van Bijlagenlijst 2 gevoegd in het vervolg forensisch dossier, p. 9 e.v..

8 Voorgeleidingsdossier 2/VGL/65 en de sporenlijst, als bijlage A van Bijlagenlijst 2 gevoegd in het vervolg forensisch dossier, p. 9 e.v..

9 Relaas proces-verbaal forensisch technisch onderzoek Bijlagenlijst 1, p. 15, deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie d.d. 8 januari 2008, opgemaakt en ondertekend door B. Jacobs op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, als bijlage OO van Bijlagenlijst 1 gevoegd in het forensisch dossier, p. 329 e.v..

10 Deskundigenrapport vervolg van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie d.d. 4 februari 2008, opgemaakt en ondertekend door B. Jacobs op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, als bijlage RR van Bijlagenlijst 1 gevoegd in het forensisch dossier, p.349 e.v..

11 Zie voor de SVO-nummers en de DNA-identiteitszegels de sporenlijst, als bijlage A van Bijlagenlijst 2 gevoegd in het vervolg forensisch dossier, p. 9 e.v..

12 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie d.d. 21 februari 2008, opgemaakt en ondertekend door dr. A.J. Kal op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.

13 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie d.d. 24 april 2008, opgemaakt en ondertekend door dr. A.J. Kal op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, als bijlage VV van Bijlagenlijst 1 gevoegd in het forensisch dossier, p. 401 e.v..

14 Rapport van Independent Forensic Services d.d. 12 maart 2009, onderwerp: contra-expertise op een DNA-onderzoek en criminalistische interpretatie naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop in Den Haag op 7 november 2007, opgemaakt en getekend op de door R. Eikelenboom afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, p. 17/36.

15 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2010, p. 16-17.

16 Rapport van het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (FLDO) Centrum voor Humane en Klinische Genetica Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) d.d. 7 december 2007, opgemaakt door prof. dr. P. de Knijff, vast beëdigd gerechtelijk DNA deskundige en hoofd FLDO, op de door deze afgelegde algemene eed als vast beëdigd gerechtelijk deskundige, als bijlage KK van Bijlagenlijst I gevoegd in het forensisch dossier, achter p. 314.

17 Herkenningsdienst persoonsbeschrijving [verdachte], p. 1/VGL/D/14 e.v., proces-verbaal aangifte, getuigedeskundige, documenten.

18 Pleitaantekeningen van de raadsman van de verdachte, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, ten behoeve van de terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2011, punt 4.4, p. 14.

19 Proces-verbaal bevindingen historische verkeersgegevens 7 november 2007 [verdachte], p. 477 proces-verbaal Ambtshandelingen II.

20 Proces-verbaal van bevindingen telefoongebruik 17:11 - 18:50 betreffende [verdachte] d.d. 17 maart 2011.

21 Proces-verbaal bevindingen historische verkeersgegevens 7 november 2007 [verdachte], p. 466 e.v. proces-verbaal Ambtshandelingen II.

22 Proces-verbaal van bevindingen telefoongebruik 17:11 - 18:50 betreffende [verdachte] d.d. 17 maart 2011.

23 Proces-verbaal van bevindingen: Uitkijken videobeelden Texaco benzinestation aan de [adres] d.d. 6 maart 2008, p. 2/VGL/AH/250 e.v. proces-verbaal Ambtshandelingen I.

24 Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 26 en 27 augustus 2008, punt 5.

25 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene] van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 19 september 2008.

26 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 27 en 27 augustus 2008, punt 3 en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2010, p. 3

27 Zie bijv. tapgesprek d.d. 5 maart 2008 te 18:50 uur (TA-nummer 40, p. 7/VGL/T/85 proces-verbaal Tapgesprekken): de verdachte wordt gebeld door zijn dochter. De dochter wil weten waar de verdachte blijft. Tapgesprek d.d. 12 maart 2008 te 21:33 (TA-nummer 40, p. 7/VGL/T86 proces-verbaal Tapgesprekken): de verdachte wordt gebeld door zijn dochter. De dochter vraagt waar de verdachte blijft. Tapgesprek d.d. 19 maart 2008 te 20:10 uur (TA-nummer 40, p. 7/VGL/T/87 proces-verbaal Tapgesprekken): de verdachte wordt gebeld door zijn dochter. De dochter geeft aan dat het eten van [verdachte] koud aan het worden is. De verdachte komt later en de dochter moet gaan douchen. Tapgesprek d.d. 26 maart 2008 te 21:34 uur (TA-nummer 56, p. 7/VGL/T/90 proces-verbaal Tapgesprekken): de verdachte wordt gebeld door zijn dochter. De dochter vraagt wanneer de verdachte nu eindelijk naar huis komt.

28 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2010, p. 18-19.

29 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2010, p. 8.

30 Proces-verbaal van bevindingen: Uitkijken videobeelden Texaco benzinestation aan de [adres], p. 2/VGL/AH/250 e.v. (in het bijzonder p. 252-253) met de daarbij gevoegde foto's en proces-verbaal van bevindingen: Uitkijken videobeelden Texaco benzinestation aan de [adres], p. 2/VGL/AH/275 e.v. (in het bijzonder p. 277) en de daarbij gevoegde foto, proces-verbaal Ambtshandelingen I.

31 Proces-verbaal van bevindingen: Uitkijken videobeelden Texaco benzinestation aan de [adres], p.516 e.v. proces-verbaal Ambtshandeling II.

32 Bij brief d.d. 17 februari 2010, welke brief onder meer inhoudt: "Voor de behandeling van de zaak in hoger beroep zou het hof het op prijs stellen indien u een verklaring van een KNO-arts kunt overleggen met betrekking tot het door uw cliënt genoemde geperforeerd tussenschot (septumperforatie) en de mogelijke gevolgen die deze aandoening sinds het ontstaan ervan en tot en met november 2007 heeft gehad."

33 Zie hiervoor het proces-verbaal van bevindingen handelingen verricht door [echtgenote slachtoffer] na tanken bij Texaco met de daarbij gevoegde fragmenten uit de verklaringen van [echtgenote slachtoffer], p. 8/VGL/AH/889 - 8/VGL/AH/894 proces-verbaal Ambtshandelingen III.

34 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie d.d. 26 november 2007, opgemaakt en ondertekend door dr. A.J. Kal op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, als bijlage II van Bijlagenlijst 1 gevoegd in het forensisch dossier, in het bijzonder p. 10/11.

35 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie d.d. 28 november 2008, opgemaakt en ondertekend door dr. A.J. Kal op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, als bijlage GG van Bijlagenlijst 3 gevoegd in het forensisch dossier, p. 133 e.v..

36 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 21 april 2010, opgemaakt en ondertekend door dr. A.J. Kal als NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA.

37 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 14 juni 2010, opgemaakt en ondertekend door dr. A.J. Kal als NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA.

38 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2010, p. 11.

39 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2010, p. 24-25.

40 p. 22, punt 7.0 van de ter terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2011 door mr. Kuijpers overgelegde pleitnota.

41 Proces-verbaal van het eerste verhoor van bedreigde getuige X 1 uit september 2010.

42 Dossier TGO Mol: proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 december 2008 van de regiopolitie Kennemerland, Team Grootschalige Opsporing, dossiernr. PL1200/08-52808.

43 Rapport betreffende een onderzoek naar de (totstandkoming van de) herkenningen door getuige [echtgenote slachtoffer] en de (totstandkoming van de) compositietekening in de zaak tegen [verdachte] (parketnummer 22/002457-09) d.d. 24 december 2009 van dr. G. Wolters. De medewerkers van de GGD bij de ambulancepost waar [echtgenote slachtoffer] naartoe is gevlucht hebben allemaal verklaard dat [echtgenote slachtoffer] doodsangst uitstraalde: p. 0/VGL/G/31 - 0/VGL/G/46 proces-verbaal Getuigen I.

44 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2010, p. 27, tevens gevoegd in het dossier van de verdachte.

45 Proces-verbaal van bevindingen uitwerking "Opnemen Vertrouwelijke Communicatie"(OVC) op 10 juni 2008 d.d. 2 juli 2008, p. 548 proces-verbaal Ambtshandelingen II.

46 Relaas proces-verbaal forensisch technisch onderzoek behorend bij Bijlagenlijst 1, p. 26 forensisch dossier en de als bijlage A bij Bijlagenlijst 1 gevoegde situatieschets, p. 35 forensisch dossier.

47 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, als bijlage V van Bijlagenlijst 1 gevoegd in het forensisch dossier, p. 251 e.v..

48 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie d.d. 13 februari 2009, opgemaakt en ondertekend door dr. R.J. Bink en dr. A.J. Kal op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, als bijlage (ongenummerd) van Bijlagenlijst 4 gevoegd in het forensisch dossier, in het bijzonder de pagina voor p. 266.