Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ1391

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
HV 200.080.694
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedwongen ontheffing;

Art. 1:268 lid 2 sub a BW.

Geen verzet tegen uithuisplaatsing. Belang van de kinderen op duidelijkheid en zekerheid prevaleert boven belang ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch

Sector civiel recht

Uitspraak: 12 april 2011

Zaaknummer: HV 200.080.694/01

Zaaknummer eerste aanleg: 72986 / FA RK 10-601

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.T.K. Davidse,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuid-Holland en Zeeland,

gevestigd te Middelburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Middelburg van 20 oktober 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 januari 2011, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. R.T.K. Davidse namens de vader;

- de raad, vertegenwoordigd door mr. H. Werger;

- Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland (hierna te noemen: de stichting), vertegenwoordigd door R.C. Annard;

- de heer en mevrouw [Y.] (hierna te noemen: de pleegouders);

2.3. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 september 2010;

- de brief met bijlagen van de raad d.d. 14 februari 2011.

3. De beoordeling

3.1. Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en [Y.] (hierna: de moeder) zijn geboren:

- [dochter A.] (hierna: [A.]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats];

- [dochter B.] (hierna: [B.]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats].

3.2. De moeder is op 17 juni 2008 overleden. [A.] en [B.] staan sinds 24 juli 2008 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 24 oktober 2011. De kinderen zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 24 juli 2008 uit huis geplaatst. Zij verblijven sedert september 2007 bij de pleegouders (grootouders van moeders zijde).

3.3. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de vader ontheven van het ouderlijk gezag over [A.] en [B.], de stichting benoemd tot voogdes over de kinderen en de vader veroordeeld tot het doen van rekening en verantwoording over het gevoerde bewind aan de benoemde voogdes.

3.4. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. De vader voert in het beroepschrift, zoals door zijn advocaat aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat voldaan is aan de voorwaarden voor een gedwongen ontheffing van de vader van het ouderlijk gezag. De rechtbank heeft vastgehouden aan feiten en omstandigheden van de vader uit het verleden. Voorts is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de vader, het feit dat zijn leefsituatie thans stabiel is en de ingezette positieve ontwikkelingen wat de band tussen de vader en de kinderen betreft. Bovendien is niet gebleken van een ernstige bedreiging van de zedelijke of de lichamelijke belangen of de gezondheid van [A.] en [B.]. Evenmin blijkt uit de huidige contactmomenten dat de vader ongeschikt of onmachtig zou zijn in de vervulling van zijn plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen. Nu er gestage vooruitgang zit in de relatie tussen de kinderen en de vader, kan niet gesteld worden dat het doel van de ondertoezichtstelling nimmer kan worden behaald.

Voorts heeft de rechtbank het verzoek tot ontheffing van de vader van het ouderlijk gezag op grond van onvolledige gegevens toegewezen. De kinderrechter van de rechtbank Middelburg heeft op 7 oktober 2010 in de procedure aangaande de omgangsregeling op basis van dezelfde gegevens bepaald dat eerst bekeken moet worden welke effecten de huidige omgangsregeling op [A.] en [B.] heeft, alvorens de omgangsregeling van de vader kan worden uitgebreid.

Ook overweegt de rechtbank ten onrechte dat onvoldoende kan worden ingeschat in hoeverre de huidige intenties van de vader om [A.] en [B.] niet bij de pleegouders weg te halen duurzaam zijn.

3.6. De raad voert aan dat een ontheffing van de vader van het ouderlijk gezag noodzakelijk is, omdat de doelstelling van de ondertoezichtstelling niet kan worden behaald. In het belang van [A.] en [B.] wordt er niet toegewerkt naar een thuisplaatsing van de kinderen bij de vader. Bovendien brengen de huidige maatregelen onzekerheid voor [A.] en [B.] met zich mee. Dit veroorzaakt onrust bij de kinderen, hetgeen niet in hun belang is.

De vader stelt dat zijn instemming met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing duurzaam is. De vader is echter meerdere malen onbetrouwbaar gebleken in het nakomen van afspraken. Hierdoor is onzeker wat de waarde van de instemming van de vader is.

3.7. De stichting voert aan dat de omgangsmomenten niet zo positief verlopen als door de vader wordt gesteld. Door de vader worden namelijk niet de belangen van de kinderen, maar zijn eigen belangen, voorop gesteld.

De stelling van de vader dat zijn situatie stabiel is, blijkt nergens uit. Bovendien bestaat bij [A.] en [B.] behoefte aan zekerheid, terwijl de huidige maatregelen juist onzekerheid voor de kinderen met zich meebrengen.

3.8. De pleegouders verklaren dat zij graag voor de kinderen willen blijven zorgen. Zij willen dat de stichting voogdes over [A.] en [B.] blijft.

3.9. Het hof overweegt het volgende.

3.9.1. Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen worden ontheven op grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Een ontheffing kan ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ontheffing is ondanks verzet door de ouder toch mogelijk indien, na een ondertoezichtstelling van minstens zes maanden, of na een uithuisplaatsing op grond van artikel 1:261 BW van tenminste een jaar en zes maanden, gegronde vrees bestaat dat deze maatregel, door ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot opvoeding en verzorging te vervullen, onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.9.2. In het onderhavige geval is sprake van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing sinds 24 juli 2008, zodat voldaan is aan de hiervoor gestelde termijnen.

3.9.3. Het hof overweegt dat uit onder meer de rapportage van de raad blijkt dat [A.] en [B.] wegens het overlijden van hun moeder, meer nog dan andere kinderen van hun leeftijd, behoefte hebben aan een veilige, gestructureerde en voorspelbare omgeving, zodat zij toe kunnen komen aan hun ontwikkelingstaken.

Sinds begin 2010 is er begeleid contact tussen de vader en de kinderen opgestart van eenmaal per kwartaal. De huidige - weinig frequente - omgangsmomenten worden door de vader niet op een juiste wijze nagekomen. Ook heeft de vader hierbij niet steeds scherp de belangen van [A.] en [B.] voor ogen. Bovendien wordt de stelling van de vader dat zijn leefsituatie stabiel is, door de vader niet, althans onvoldoende, onderbouwd. De vader kan niet in de behoefte van de kinderen voorzien. De vader is onvoorspelbaar in zijn gedrag en onbetrouwbaar in het nakomen van zijn afspraken. Dat de vader thans enige stabiliteit in zijn leven heeft aangebracht is het hof onvoldoende gebleken. De vader is zodoende ongeschikt en onmachtig zijn plicht tot verzorging en opvoeding van [A.] en [B.] te vervullen. Deze ongeschiktheid en onmacht zijn door de vader in hoger beroep niet, althans onvoldoende, gemotiveerd betwist.

De huidige maatregelen zijn dan ook onvoldoende om de bedreiging van de zedelijke en geestelijke belangen van de kinderen af te wenden. De belangen van [A.] en [B.] verzetten zich bovendien niet tegen een gedwongen ontheffing.

3.9.4. Gebleken is dat elk perspectief ontbreekt om de kinderen te plaatsen bij hun vader en dat ook niet te verwachten is dat daarin nog verandering zal komen. Bovendien kan de doelstelling van de ondertoezichtstelling niet worden gerealiseerd. Daarnaast veroorzaken de huidige maatregelen onrust bij de kinderen.

3.9.5. Het hof is van oordeel dat aan de gronden voor gedwongen ontheffing van het ouderlijk gezag is voldaan.

3.9.6. Het feit dat de vader zich thans niet verzet tegen de uithuisplaatsing van [A.] en [B.] bij de pleegouders, acht het hof in dit geval onvoldoende om niet tot een verderstrekkende maatregel te besluiten. De vader heeft het verblijf van [A.] en [B.] bij de pleegouders thans erkend, maar het hof acht niet volledig uit te sluiten dat hij hierop terug komt. Het hof acht het voorts ongewenst dat de kinderen vanaf zeer jonge leeftijd tot het bereiken van de meerderjarigheid onder toezicht staan met een steeds weer verlengde machtiging tot uithuisplaatsing. Daarvoor is de maatregel niet bedoeld.

Naar het oordeel van het hof dient aan het belang van de kinderen bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces, gelet op de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), zwaarwegende betekenis te worden toegekend. De nog altijd openstaande mogelijkheid tot terugplaatsing bij de vader en de daarmee gepaard gaande onzekerheid en spanningen kunnen het hechtingsproces bij de pleegouders en daarmee de ontwikkeling van [A.] en [B.] verstoren en zijn niet in het belang van de kinderen. Nu het toekomstperspectief van [A.] en [B.] bij de pleegouders ligt, voldoen de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet meer.

Het belang van [A.] en [B.] op een ongestoorde hechting in het pleeggezin, op rust, alsmede op zekerheid en duidelijkheid over de omgeving waarin zij, zowel op korte als lange termijn, zullen opgroeien en over de persoon die het gezag over de kinderen uitoefent, prevaleert boven het belang van de vader om mee te kunnen beslissen.

3.9.7. Het betoog van de vader dat de rechtbank het verzoek tot ontheffing op grond van onvolledige gegevens heeft toegewezen faalt. De beschikking van 7 oktober 2010 ziet op een beslissing omtrent een wijziging van de omgangsregeling. De rechtbank heeft hierbij bepaald dat voor een uitbreiding van de omgangsregeling eerst het effect van de omgang van de vader met de kinderen bekeken moet worden. Een eventuele wijziging van de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen staat los van de beslissing omtrent de ontheffing van het ouderlijk gezag.

3.10. Ten overvloede merkt het hof op dat de ontheffing van het gezag dan wel leidt tot een verlies van het gezag van de vader over [A.] en [B.], maar dat het recht van de vader op omgang, informatie en consultatie als bedoeld in de artikelen 1:377a, 377b en 377c BW naar analogie van toepassing is in de situatie waarin de voogdij is opgedragen aan de stichting. Het is dan ook de taak van de stichting als voogdes ervoor zorg te dragen dat de vader conform voormelde wetsartikelen zijn ouderrechten kan blijven uitoefenen. Bovendien behoeft de ontheffing van het gezag geen definitief karakter te dragen, doordat herstel in het gezag mogelijk is.

3.11. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Middelburg van 20 oktober 2010;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Middelburg.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Brants, Van Dijkhuizen en Lohuis en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2011.