Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ1012

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
K09/0334
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof in Den Haag heeft de klacht van de stichting Greenpeace Nederland tegen het niet vervolgen door het Nederlandse openbaar ministerie van het bedrijf Trafigura BV en anderen voor het dumpen van illegaal afval in Ivoorkust afgewezen, omdat de haalbaarheid van vervolging in Nederland twijfelachtig is. Geen van de beklaagde personen bezit de Nederlandse nationaliteit of woont in Nederland. De feitelijke werkzaamheden van de aangeklaagde bedrijven vinden grotendeels plaats buiten Nederland. Ook naar het oordeel van het hof kan - in het geval vervolging gelast zou worden - nader strafrechtelijk onderzoek niet achterwege blijven. Tot op heden hebben de justitiële autoriteiten van Ivoorkust echter geen medewerking verleend aan de uitvoering van Nederlandse rechtshulpverzoeken.

Het hof heeft de stichting Greenpeace Nederland niet-ontvankelijk verklaard voor zover zij vervolging wenst van het bedrijf Trafigura Beheer BV en anderen voor doodslag, zware mishandeling, dood door schuld, zwaar lichamelijk letsel door schuld of een misdrijf in ambt of beroep. Greenpeace is namelijk - in tegenstelling tot de slachtoffers en nabestaanden - geen rechtstreeks belanghebbende bij de gevraagde vervolging. Dit schrijft de wet wel voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/137
M en R 2011/157 met annotatie van H.J.A. van Ham
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

raadkamer

BESCHIKKING

gegeven naar aanleiding van het op 16 september 2009 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen klaagschrift op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

Stichting Greenpeace Nederland

klaagster,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar raadsvrouw mr. L. Zegveld en raadsman mr. M. Pestman, advocaten, kantoor houdende te Amsterdam aan de Keizersgracht 560-562,

wegens het niet vervolgen van een of meer strafbare feiten, die zouden zijn begaan door

Trafigura Beheer B.V.;

[Beklaagde B];

[Beklaagde C];

[Beklaagde D];

[beklaagde E];

[Beklaagde F] ;

[Beklaagde G]

beklaagden.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.Klaagster heeft op 26 september 2006 bij een officier van justitie van het Functioneel Parket te Amsterdam-Amstelland schriftelijk aangifte gedaan ter zake van meerdere strafbare feiten, vermoedelijk gepleegd door de eigenaar en/of de reder en/of de bemanning van het schip Proba Koala, varend onder Griekse vlag, (de directie van) de besloten vennootschap Trafigura Beheer B.V., gevestigd te Amstelveen, en mogelijk (de directie van) de besloten vennootschap Amsterdam Port Service B.V. en ambtenaren van de Dienst Milieu –en Bouwtoezicht van de gemeente Amsterdam en van het ministerie van VROM en alle mogelijke andere, bij het plegen van de strafbare feiten betrokken personen en organisaties.

Klaagster omschrijft de strafbare feiten in deze aangifte als volgt:

Begin juli 2006 bevond het schip, de Proba Koala, zich in de haven van Amsterdam, waar de kapitein van het schip zich wenste te ontdoen van afvalstoffen. Met het oog hierop werd afval uit de Proba Koala gepompt in een binnenvaartschip, dat het afval vervolgens aan zou bieden aan het afvalverwerkingsbedrijf APS. Het overpompen van de afvalstoffen werd echter gestaakt omdat er ernstige stankoverlast ontstond, als gevolg van het overbrengen van de stoffen naar het binnenschip.

Nadat gebleken was dat de afvalstoffen sterker vervuild waren dan was aangenomen en dat de verwerkingskosten hierdoor zouden oplopen tot een bedrag van € 500.000,- werd besloten om de al overgepompte afvalstoffen terug te pompen van het binnenvaartschip naar de Proba Koala. Vervolgens heeft de Proba Koala zonder enige belemmering de haven van Amsterdam kunnen verlaten.

Via een haven in Estland is het schip vervolgens naar de haven van Abidjan in Ivoorkust gevaren. In Abidjan werd het afval – een hoeveelheid van naar schatting 500 ton – in en rond de stad gedumpt, waardoor aanzienlijke delen van de stad en van de omgeving zwaar werden vervuild. Inmiddels hebben de media bericht dat door de giftige dampen, die de afvalstoffen afkomstig van de Proba Koala verspreidden, al zeven personen in Abidjan zijn overleden en dat nog eens 44.000 mensen zich met (ernstige) gezondheidsklachten bij de ziekenhuizen in en rond Abidjan hebben gemeld.

2.Klaagster heeft naar aanleiding van deze aangifte van de zijde van het openbaar ministerie geen reactie ontvangen.

3.In het voorjaar van 2008 zijn Trafigura Beheer B.V., [Beklaagde B], [beklaagde E], S.C. de kapitein van de Proba Koala), de gemeente Amsterdam en het afvalbedrijf Amsterdam Port Services (APS) gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank te Amsterdam. Trafigura Beheer B.V. is -kort gezegd- gedagvaard ter zake van valsheid in geschrifte, het medeplegen van opzettelijk illegaal uitvoeren van afval naar Ivoorkust en het verzwijgen van het schadelijke karakter van de afvalstoffen bij aflevering aan APS. [Beklaagde B] is gedagvaard ter zake van het feitelijk leiding geven aan dan wel medeplegen van opzettelijk illegaal uitvoeren van afval naar Ivoorkust en [beklaagde E] is gedagvaard voor het feitelijk leiding geven aan dan wel het medeplegen van de verzwijging van het schadelijke karakter van de afvalstoffen en valsheid in geschrift.

4.Uit de strafrechtelijke vervolging van Trafigura Beheer B.V. en enkele anderen voor de feiten die in Nederland (feit 1 pleegplaats: Nederland en/of Ivoorkust, feiten 2 en 3: Amsterdam) zijn gepleegd, heeft klaagster vervolgens afgeleid dat het Openbaar Ministerie voor de overige handelingen begaan in Ivoorkust, geen vervolging in zal stellen.

Bij brief van 15 juni 2009 hebben de raadslieden van klaagster de verantwoordelijke officier van justitie verzocht aan te geven of deze aanname juist is.

5.Op die brief is door klaagster noch door haar raadslieden een reactie ontvangen, waarna door de raadslieden van klaagster op 16 september 2009 een klaagschrift is ingediend bij het Gerechtshof.

6.In dit klaagschrift verzoekt klaagster het hof primair te bevelen dat de verlangde vervolging wordt ingesteld tegen de beklaagden.

Subsidiair verzoekt klaagster het hof de officier van justitie een last te geven de in art 181 Sv c.q. 241 Sv bedoelde vordering te doen.

In het klaagschrift is namens klaagster gesteld dat zij als rechtstreeks belanghebbende dient te worden beschouwd nu zij, blijkens haar doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden, een belang behartigt dat door de beslissing tot niet vervolging rechtstreeks wordt getroffen.

Het klaagschrift houdt voorts in:

“Greenpeace is van mening dat in de onderhavige zaak vervolging op grond van overtreding van het bepaalde in artikel 173a Sr geïndiceerd is. Trafigura e.a. hebben in Ivoorkust namelijk opzettelijk het milieu verontreinigd met stoffen die een ernstige bedreiging vormen voor de openbare gezondheid.

Deze opzettelijke milieuverontreiniging heeft in Ivoorkust bij velen (zwaar) lichamelijk letsel tot gevolg gehad en in sommige gevallen zelfs de dood. Om deze reden ligt ook vervolging op grond van overtreding van art. 287 (doodslag), 302 (zware mishandeling), 307 (dood door schuld), 308 (zwaar lichamelijk letsel door schuld) of 309 Sr (misdrijf in ambt of beroep) in de rede, al dan niet in combinatie met de valsheid in geschrift van art. 225 Sr en de criminele organisatie van artikel 140 Sr.”

In het klaagschrift wordt vervolgens een overzicht gegeven van de gebeurtenissen in Ivoorkust zoals die in de visie van klaagster hebben plaatsgevonden.

Klaagster is van mening dat voor de strafrechtelijke vervolging van de handelingen begaan in Ivoorkust, slechts beperkt aanvullend onderzoek nodig is.

De enige vraag die in de visie van klaagster nog beantwoord moet worden is of de betrokkenen wisten dat het afval van de Probo Koala in Ivoorkust zou worden gedumpt en niet op zodanige wijze verwerkt zou worden dat hierdoor geen gevaar voor de gezondheid of levensgevaar zou kunnen ontstaan.

Klaagster voert in het klaagschrift voorts aan dat de mogelijkheid voor slachtoffers om zich als benadeelde partij in het strafproces te kunnen voegen op zichzelf reeds voldoende is om tot vervolging over te gaan.

Ten slotte stelt klaagster in het klaagschrift dat Nederland rechtsmacht heeft om de beklaagden te vervolgen. Bij het klaagschrift zijn door klaagster 52 bijlagen gevoegd.

7.Bij brief van 2 oktober 2009 heeft de officier van justitie aan de raadslieden van klaagster bevestigd dat de strafbare feiten die door de beklaagden in augustus 2006 zouden zijn begaan in Ivoorkust, niet strafrechtelijk worden vervolgd.

8.Na raadpleging van de betrokken hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket heeft de advocaat-generaal bij dit hof, mr. L. Plas, in zijn verslag gedateerd 7 april 2010 het hof primair geadviseerd klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beklag en subsidiair het hof geadviseerd het beklag ongegrond te verklaren, in elk geval af te wijzen.

De advocaat-generaal heeft daartoe -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:

* Het belang van klaagster is natuurbehoud c.q. bescherming van milieu in ruime zin. Klaagster (het hof begrijpt: Nederland) is aangesloten bij de Basel Conventie (wereldwijde overeenkomst om het internationale grensoverschrijdende vervoer en de verwijdering van gevaarlijk afval te beheersen en controleren).

De Europese Verordening overbrenging afvalstoffen (EVOA) regeling geeft uitvoering aan dit verdrag en is met name en onder meer bedoeld om het milieu en de bevolking in derde wereldlanden (ACS- staten) te beschermen tegen de dumping van afvalstoffen.

Klaagster heeft belang bij naleving van de EVOA regeling en kan klagen over niet-vervolging door de officier van justitie van illegale uitvoer van afvalstoffen.

In casu wil klaagster vervolging van beklaagden voor commune delicten, gepleegd in Ivoorkust. De beklaagden worden echter reeds vervolgd voor feiten die als beschermd belang hebben het milieu en de gezondheid van de bevolking in ACS-staten c.q derde wereldlanden.

Een nieuwe en aanvullende vervolging voor commune delicten, die hetzelfde belang beogen te beschermen, tegen onder anderen dezelfde hoofdrolspelers levert geen (nieuw) belang op voor klaagster en derhalve dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

* Uit het onderzoek is niet gebleken van voldoende aanknopingspunten om rechtsmacht met betrekking tot de feiten en beklaagden waarover geklaagd wordt aan te nemen.

* Thans is onvoldoende bewijs voorhanden om een strafvervolging te rechtvaardigen. Voorts is het volstrekt onrealistisch om van nader onderzoek (al dan niet door middel van of via een gerechtelijk vooronderzoek of zelfs op de zitting) substantieel meer bewijs te verwachten. Daarbij is van belang dat Ivoorkust tot op heden geen medewerking heeft gegeven aan rechtshulpverzoeken en volstrekt onduidelijk is of Ivoorkust daaraan in de toekomst ooit wel medewerking zal gaan verlenen.

* De door klaagster verzochte vervolging is gelet op de navolgende omstandigheden niet opportuun:

- Door justitie in Ivoorkust is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar de gang van zaken rondom de afgifte van giftig afval door de Proba Koala in Abidjan. Verdachten in dit onderzoek waren onder meer het schip Proba Koala, [beklaagde B] en [beklaagde G].

- [Beklaagde B] en [beklaagde G] zijn door de justitiële autoriteiten in Ivoorkust in hechtenis genomen en enkele maanden later vrijgelaten nadat een overeenkomst was gesloten tussen de staat Ivoorkust en Trafigura Beheer B.V., Trafigura Ltd en [beklaagde F, vestiging Côte d’Ivoire(CI)].

- In Ivoorkust zijn in oktober 2008 twee personen tot gevangenisstraffen veroordeeld wegens dumping van afvalstoffen uit de Proba Koala.

- In september 2009 is een schikking bereikt tussen Trafigura en circa 30.000 slachtoffers uit Ivoorkust, vertegenwoordigd door een Engelse advocaat.

- In Nederland is vervolging ingesteld tegen Trafigura Beheer B.V., [beklaagde B], [beklaagde E] en S.C., de kapitein van de Proba Koala ter zake van strafbare feiten die in nauw verband staan tot de feiten waarvan Greenpeace vervolging verlangt. Juist vanwege het belang van naleving van het EVRM, de EVOA en de Basel-conventie is de officier van justitie van het Functioneel Parket bij de rechtbank Amsterdam een complexe en tijdrovende procedure tegen meerdere verdachten gestart.

9.Het hof heeft het klaagschrift op 19 mei 2010 in raadkamer behandeld. Aldaar is namens klaagster verschenen M. Harjono, campagneleider giftige stoffen- bijgestaan door de raadslieden van klaagster.

De beklaagden zijn niet in raadkamer verschenen.

Als toehoorders waren ter zitting in raadkamer aanwezig de raadslieden van Trafigura Beheer B.V., [beklaagde B] en [beklaagde F] mrs. A. Verbruggen, P.M. van Russen Groen en R. de Bree, advocaten te ’s-Gravenhage alsmede de raadslieden van de [beklaagde E], mrs. M. Bakker en W. van der Voet, advocaten te Rotterdam.

10.Ter zitting in raadkamer hebben de raadslieden van klaagster het beklag nader toegelicht. Zij hebben

–zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:

•De feiten in Ivoorkust zijn andere feiten dan de feiten die thans reeds worden berecht door de rechtbank Amsterdam (verschillende tijdstippen, verschillende locaties en niet hetzelfde feit in zin van art 68 Sr: het één betreft export, het ander betreft dumping).

•De slachtoffers van de dumping in Ivoorkust zijn door de rechtbank Amsterdam niet als benadeelde partij toegelaten omdat zij geen rechtstreekse schade hebben geleden door de in die zaak tenlastegelegde feiten. Derhalve is er geen sprake van ‘hetzelfde belang’ en dient klaagster als belanghebbende te worden beschouwd;

•De door klaagster verlangde vervolging is haalbaar (de situatie in Ivoorkust in 2010 is anders dan in 2007);

•Er is inmiddels veel bewijs vergaard door klaagster en anderen;

•De chauffeurs die het materiaal in Ivoorkust hebben vervoerd zijn thans bereid een verklaring af te leggen;

•Er kan nog met succes bewijsmateriaal in en buiten Ivoorkust worden verzameld;

•Mogelijk zal Ivoorkust zich thans anders opstellen (dat moet in ieder geval onderzocht worden);

•De schadelijkheid van de afvalstoffen moest ook in de Amsterdamse zaak bewezen worden;

•De door klaagster verlangde vervolging is opportuun. Het beklag betreft zeer ernstige verdenkingen en er zijn zeer veel slachtoffers;

•In Ivoorkust zijn de lokale verdachten wel vervolgd, maar de westerlingen hebben een overeenkomst gesloten, een bedrag betaald en zijn vervolgens vrijgelaten. Bovendien zijn de rechtspersonen en [beklaagde C], [beklaagde E] en [beklaagde D] niet vervolgd. Ook ten aanzien van de overigen [beklaagde B] en [beklaagde G] is er geen uitspraak van een rechter;

•Het openbaar ministerie is gedurende 15 maanden bezig geweest de beklaagden te vervolgen voor de dumping en daarmee in november 2007 ten onrechte gestopt;

•Het openbaar ministerie heeft rechtsmacht om de beklaagden te vervolgen op grond van het nationaliteitsbeginsel (het betreft een Nederlandse rechtspersoon) en op grond van het territorialiteitsbeginsel (feit is deels in Nederland begaan, te weten het opstellen van een valse factuur).

11.De advocaat-generaal mr. Plas heeft ter zitting in raadkamer het hof verzocht in de gelegenheid te worden gesteld schriftelijk te reageren op hetgeen namens klaagster is aangevoerd.

12.De raadslieden van de beklaagden hebben desgevraagd verklaard dat zij eveneens in de gelegenheid gesteld willen worden een reactie te geven op het klaagschrift.

13.Het hof heeft daarop het onderzoek in raadkamer geschorst tot de zitting van 8 september 2010.

14.De advocaat-generaal heeft in een (ongedateerd) aanvullend ambtsbericht voor de zitting van 8 september 2010 -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:

* Op 23 juli 2010 is door de rechtbank Amsterdam onder meer uitspraak gedaan in de zaken tegen Trafigura Beheer B.V. en tegen [beklaagde E].

Voor de onderhavige zaak is van belang dat Trafigura Beheer B.V. — onder meer — is veroordeeld voor art. 10.60 Wet Milieubeheer (Wm)/EVOA en [beklaagde E] voor het feitelijk leidinggeven aan het afleveren van voor de gezondheid schadelijke waar, terwijl dat schadelijke karakter is verzwegen (art. 174 Sr). Ook Trafigura Beheer B.V. is ter zake van art. 174 veroordeeld.

In de zaak tegen Trafigura Beheer B.V. is door zowel de verdachte als de officier van justitie hoger beroep ingesteld. [Beklaagde E] heeft eveneens appel ingesteld.

* In de zaak tegen [beklaagde B] heeft de Hoge Raad op 6 juli 2010 een beschikking gegeven (LJN BK 9263), waarin de Hoge Raad de eerdere beschikking van het Hof Amsterdam vernietigd heeft en de zaak heeft terugverwezen naar het Hof Amsterdam. In die zaak ging het om een bezwaarschrift tegen de dagvaarding waarin aan [beklaagde B] ten laste is gelegd feitelijk leiding geven aan handelen in strijd met het verbod ex. Art. 10.60 Wet Milieubeheer (WM)/EVOA.

* Het klopt dat de feiten waarvoor klaagster thans vervolging verlangt niet dezelfde feiten zijn als de feiten die in Amsterdam aan de orde zijn. De relevante vraag is echter: dienen de feiten niet grotendeels hetzelfde rechtsbelang?

* De officier van justitie heeft bij beslissing om te vervolgen ter zake 10.60 Wm/EVOA eenzelfde rechtsbelang voor ogen gehad en gekozen voor de meest efficiënte en effectieve vervolging;

* De officier van justitie en de rechtbank te Amsterdam hebben bij de strafmaat rekening gehouden met de dumping in Ivoorkust;

* De vraagt rijst wat het extra belang is om deze beklaagden separaat en aanvullend voor de feiten in Ivoorkust te vervolgen.

- Klaagster treedt in deze zaak niet op namens de slachtoffers en bovendien is het zeer ingewikkeld de eventuele vorderingen te beoordelen;

- Er is thans nog onvoldoende bewijs en er is geen sprake van een optimale rechtshulprelatie, dientengevolge is het niet mogelijk een serieus opsporingsonderzoek te starten en succesvol af te ronden.

* Er is niet gebleken van feitelijk handelen of nalaten door natuurlijke of rechtspersonen in Nederland hetgeen van belang kan zijn voor het al dan niet aannemen van rechtsmacht;

* De vraag dient te worden opgeworpen of vervolging wenselijk is nu de feiten en feitelijke gedragingen zich hebben afgespeeld buiten Nederland, geen van de beklaagden Nederlander is en/of woont of verblijft in Nederland.

De advocaat-generaal handhaaft zijn conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.

15.Ter zitting in raadkamer van 8 september 2010 zijn namens klaagster verschenen M. Harjono, campagneleider giftige stoffen- bijgestaan door de raadslieden van klaagster mrs. L. Zegveld en M. Pestman.

De beklaagden zijn niet in raadkamer verschenen.

Als raadslieden van de Trafigura Beheer B.V., [beklaagde B] en [beklaagde F] zijn verschenen mrs. A. Verbruggen, P.M. van Russen Groen en R. de Bree. Als raadsvrouw van [beklaagde E] is verschenen mr. M. Bakker.

16.De raadslieden van de beklaagden hebben een reactie gegeven op het beklag. Zij hebben –zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:

Klaagster dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in het beklag om de navolgende redenen:

•Greenpeace Nederland kan niet als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 12 Sv worden beschouwd ten aanzien van de gebeurtenissen in Afrika. Greenpeace is internationaal actief. In 44 landen zijn Greenpeacekantoren gevestigd. Uit het jaarverslag 2008 blijkt dat Greenpeace Afrika is opgericht, een volwaardige vestiging met een volledig team. Stichting Greenpeace Nederland is reeds vanwege deze regionale spreiding van de organisatie niet te beschouwen als belanghebbende ten aanzien van gebeurtenissen in West-Afrika, nu het niet gaat om belangen die haar rechtstreeks aan gaan.

•Klaagster is niet rechtstreeks in enig rechtens te respecteren belang getroffen.

Indien klaagster als belanghebbende zou worden aangemerkt dan wil dat niet zeggen dat zij daardoor ook ontvankelijk is in het beklag.

Onderscheid moet worden gemaakt tussen een belanghebbende die zelf als slachtoffer of nabestaande direct door een strafbaar feit is getroffen en de belangenorganisatie die opkomt voor een abstract ideëel belang. Anders dan een slachtoffer of nabestaande kan een ideële organisatie – in het geval wel strafrechtelijk wordt vervolgd – niet met recht klagen over de wijze waarop dat gebeurt. Trafigura Beheer B.V. en twee van haar medewerkers, te weten [beklaagde B]en [beklaagde E] worden in Nederland reeds strafrechtelijk vervolgd. De officier van justitie heeft gekozen die vervolging anders vorm te geven dan door klaagster wordt beoogd. Greenpeace is als ideële organisatie, in het licht van de omstandigheid dat er reeds een vervolging plaats vindt, niet dusdanig rechtstreeks in enig rechtens te respecteren belang getroffen dat zij met vrucht kan klagen over de precieze aard van de beschuldiging;

•Greenpeace stelt zich blijkens haar statuten tot doel ‘het bevorderen van natuurbehoud’. Gelet hierop vallen de belangen die door de strafbepalingen waarvan Greenpeace thans vervolging verlangt (doodslag, zware mishandeling, dood door schuld, zwaar lichamelijk letsel door schuld of misdrijf in ambt of beroep, al dan niet in combinatie met de valsheid in en de criminele organisatie van artikel 140 Sr) worden beschermd, buiten haar doelstellingen;

•Uit niets kan worden afgeleid dat Greenpeace slachtoffers vertegenwoordigt of kan vertegenwoordigen of als rechtstreeks belang aan zich heeft getrokken de behartiging van de belangen van individuele slachtoffers;

Nederland heeft geen rechtsmacht ter zake van de in het beklag genoemde feiten en evenmin ten aanzien van de (rechts)personen wier vervolging wordt verlangd, om de navolgende redenen:

•De feiten waarvoor klaagster vervolging verlangt hebben niet in Nederland plaatsgevonden.

•In Nederland heeft Trafigura slechts haar formele vestigingsplaats. Trafigura Beheer B.V. was in Nederland niet meer dan een bij een trustkantoor gevestigde onderneming. De feitelijke bedrijfsactiviteiten van beklaagde Trafigura vinden plaats vanuit het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland. Gelet hierop was Trafigura Beheer B.V. ten tijde van de feiten waarvan Greenpeace vervolging verlangt, geen Nederlandse rechtspersoon als bedoeld in artikel 5 Sr;

•De natuurlijke personen tegen wie het beklag zich richt bezitten niet de Nederlandse nationaliteit, zijn niet in Nederland woonachtig en zijn of waren in dienst van een buitenlandse vennootschap.

•Ten aanzien van [beklaagde F] geldt dat deze vennootschap statutair in Nederland is gevestigd maar van betrokkenheid van deze vennootschap bij de gebeurtenissen in Ivoorkust is niet gebleken, terwijl [beklaagde F, vestiging CI, waarbij de [beklaagde G] in dienst was, niet in Nederland is gevestigd.

Er is in de visie van de beklaagden geen sprake van een haalbaar onderzoek of een haalbare vervolging. Zij voeren daartoe aan:

* Er is geen politie/justitie dossier dat met de nodige waarborgen tot stand is gekomen

* De slops zijn gedumpt door Compagnie T. en niet door de Trafigura Beheer B.V.. Om enige vorm van daderwetenschap vast te stellen moet bewezen worden dat Trafigura wetenschap had van de daden die Compagnie T. zou gaan verrichten en die wetenschap ontbreekt;

* Het door klaagster gepresenteerde materiaal bevat fundamentele onjuistheden en niet verifieerbare aannames en stellingen en de beweringen van klaagster omtrent de gevolgen in Ivoorkust kunnen niet hardgemaakt worden;

* Er zijn geen aanwijzingen die een onderzoek of vervolging rechtvaardigen van strafbare feiten gepleegd door de beklaagden;

* Er zijn geen mogelijkheden voor een deugdelijk strafrechtelijk onderzoek in Ivoorkust.

17. Ter zitting in raadkamer van 8 september 2010 hebben de raadslieden van klaagster aangegeven dat zij in de gelegenheid gesteld willen worden te reageren op het aanvullend ambtsbericht van de advocaat-generaal en hetgeen namens de beklaagden naar voren is gebracht.

Het hof heeft daarop het onderzoek in raadkamer geschorst tot de zitting van 24 november 2010.

18.Ter zitting in raadkamer van 24 november 2010 zijn namens klaagster verschenen R. van Delft, waarnemend directeur van klaagster en M. Harjono, campagneleider giftige stoffen bij klaagster bijgestaan door de raadslieden van klaagster mrs.

L. Zegveld en M. Pestman.

De beklaagden zijn niet in raadkamer verschenen.

Als raadslieden van Trafigura Beheer B.V., [beklaagde B] en [beklaagde F] waren aanwezig mrs. P.M. van Russen Groen en R. de Bree.Als raadsvrouw van [beklaagde E] is verschenen mr. M. Bakker.

19.De raadslieden van klaagster hebben –zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:

Klaagster is belanghebbende in de zin van artikel 12 Sv. Een Nederlandse belangenorganisatie zoals Greenpeace heeft evident belang bij vervolging van Nederlandse bedrijven die – binnen of buiten Nederlands grondgebied – strafbare feiten begaan, waarbij schade aan mens en milieu wordt toegebracht.

De rechtsmacht in deze zaak kan in de visie van klaagster zowel worden gestoeld op het nationaliteitsbeginsel van artikel 5 Sr als op het territorialiteitsbeginsel van artikel 2 Sr.

Klaagster stelt in dit verband dat het openbaar ministerie aanvankelijk ook van mening moet zijn geweest dat Nederland rechtsmacht heeft. Dit blijkt volgens haar onder meer uit het feit dat rechtshulpverzoeken zijn gedaan aan Ivoorkust en het openbaar ministerie ook een onderzoek doet naar corruptie die door Trafigura zou zijn gepleegd in Jamaica.

Voorts heeft klaagster aangevoerd dat het Amsterdamse hoofdkantoor van Trafigura veel meer is dan een bij een trustkantoor in Nederland gevestigde onderneming van waaruit geen bestuursactiviteiten zouden plaatsvinden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft klaagster als bijlage bij haar pleitaantekeningen een overzicht van activiteiten van Trafigura Beheer B.V. in Nederland gevoegd.

Voorts heeft klaagster enkele kopieën overgelegd van facturen die volgens klaagster op verzoek van de beklaagden valselijk zijn opgemaakt teneinde het te doen voorkomen dat Trafigura voor de verwerking van het afval veel meer heeft betaald dan daadwerkelijk het geval was.

Bewijsproblemen zijn er niet langer, volgens klaagster. Immers:

-Er is bewijs verzameld door Ivoriaanse opsporingsautoriteiten. Er ligt een dossier in Ivoorkust waar het openbaar ministerie over beschikt;

-Diverse commissies hebben in en buiten Ivoorkust onderzoek gedaan naar de dumping (onder andere de speciale rapporteur van de Verenigde Naties);

-Er zijn stukken van de Britse rechtbank verzameld in het kader van de civiele procedure;

-Er is bewijs verzameld door Greenpeace.

20.Ter zitting in raadkamer heeft klaagster beeldopnamen getoond waarop chauffeurs, die in opdracht van Compagnie T. de afvalstoffen hebben vervoerd en gedumpt, een verklaring afleggen. Door klaagster is een op schrift gestelde vertaling van deze verklaringen overgelegd, die in het dossier is gevoegd.

21.De advocaat-generaal mr. Plas heeft ter zitting in raadkamer het hof verzocht in de gelegenheid te worden gesteld schriftelijk te reageren op hetgeen namens klaagster is aangevoerd.

22.De raadslieden van de beklaagden hebben desgevraagd verklaard dat zij eveneens in de gelegenheid gesteld willen worden een reactie te geven op het pleidooi van de raadslieden van klaagster.

23. Tenslotte hebben de raadslieden van klaagster het hof verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om te reageren op hetgeen de advocaat-generaal naar voren zal brengen.

24.Het hof heeft daarop het onderzoek in raadkamer geschorst tot de zitting van 2 februari 2011.

25.De advocaat-generaal heeft in een aanvullend ambtsbericht gedateerd 12 januari 2011, -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:

De stelling dat het openbaar ministerie de dumping van gevaarlijk afval in een derde wereldland niet vervolgt is onjuist. Die dumping is door de officier van justitie juist in het kader van de procedure voor de rechtbank te Amsterdam centraal gesteld en zo is het – zoals uit het vonnis kan worden afgeleid - ook door de rechtbank opgevat.

Voorts heeft de advocaat-generaal opgemerkt:

Het enige dat klaagster en het openbaar ministerie op dit punt verdeeld lijkt te houden is dat het openbaar ministerie de dumping centraal heeft gesteld door het tenlasteleggen van overtreding van art. 10.60 Wet milieubeheer, maar dat klaagster vindt dat dit (tevens) had moeten gebeuren via tenlastelegging van overtreding van met name art. 173a, maar ook andere artikelen van het Wetboek van Strafrecht.

Met een veroordeling voor opzettelijke overtreding van artikel 10.60 Wet milieubeheer is op de meest efficiënte en effectieve manier recht gedaan aan de belangen van slachtoffers in Ivoorkust. Het is dan ook de vraag wat het belang is om alsnog over te gaan tot vervolging van Trafigura voor kort gezegd artikel 173a Wetboek van Strafrecht.

In feite is er dan sprake van een vorm van samenloop van strafbare feiten als bedoeld in Titel VI van Boek 1 WvSr.

Dit alles nog los van hetgeen reeds door het openbaar ministerie is aangevoerd ten aanzien van rechtsmacht, opportuniteit en haalbaarheid.

De advocaat-generaal reageert in het aanvullend ambtsbericht voorts op enkele stellingen van klaagster.

Ten aanzien van het onderzoek naar de Trafigura B.V. wegens corruptie in Jamaica meldt de advocaat-generaal dat dit onderzoek zich nog in de opsporingsfase bevindt en een standpunt ten aanzien van de rechtsmacht nog niet is ingenomen.

Uit verklaringen van de getuige I., directeur van P.B.V., het trustkantoor in Amstelveen waar Trafigura in 2006 was ondergebracht en getuige II, een pr-adviseur die door P.B.V. ten tijde van de verwikkelingen rond de Proba Koala was ingehuurd blijkt dat er vanuit het kantoor in Amstelveen geen feitelijke werkzaamheden voor Trafigura werden verricht.

De factuur die volgens klaagster vals zou zijn en naar een Nederlandse politieambtenaar zou zijn verstuurd is bij de betrokken politieambtenaar en het opsporingsteam niet bekend.

26.De raadslieden van de beklaagden hebben hun reactie op het pleidooi van klaagster op voorhand schriftelijk ingediend.

Beklaagden blijven bij hun standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat ze niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende.

Voorts handhaaft beklaagde Trafigura haar stelling dat in Trafigura Beheer B.V. geen bedrijfsactiviteiten plaatsvonden. Trafigura handelde vanuit vele vestigingen wereldwijd, maar niet vanuit Nederland. Daar werden uitsluitend beheerstaken verricht.

De namens klaagster overgelegde ‘valse facturen’ hebben beklaagden niet laten opmaken, niet ontvangen en niet naar de Nederlandse politie gestuurd.

27.Ter zitting in raadkamer van 2 februari 2011 is namens klaagster verschenen M. Harjono, campagneleider giftige stoffen bij klaagster bijgestaan door de raadslieden van klaagster mrs. L. Zegveld en M. Pestman.

De beklaagden zijn niet in raadkamer verschenen.

Als raadslieden van Trafigura Beheer B.V., [beklaagde B] en [beklaagde F] waren aanwezig mrs. A. Verbruggen, P.M. van Russen Groen en R. de Bree.

Als raadsvrouw van [beklaagde E] is verschenen mr. M. Bakker.

28.De raadslieden van klaagster hebben –zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:

Het enige punt dat het openbaar ministerie en klaagster nog werkelijk verdeeld houdt is de opportuniteit van de vervolging van Trafigura Beheer B.V. en anderen voor de dumping van gevaarlijke afvalstoffen in Ivoorkust.

In de visie van klaagster kan – anders dan de advocaat-generaal in de onderhavige zaak stelt – uit de tenlastelegging en de beslissingen van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat de strafbare feiten begaan door Trafigura in Ivoorkust uitdrukkelijk buiten de Amsterdamse strafzaak zijn gehouden en dat dit geheel in lijn was met de wens van het openbaar ministerie.

Klaagster wijst er voorts op dat het beklag behalve op Trafigura B.V. ook ziet op andere betrokkenen. Een aantal van hen is nog niet vervolgd. Voorts kan uit het vonnis in de zaak van [beklaagde E] worden afgeleid dat de feiten in Ivoorkust in zijn zaak in het geheel geen rol hebben gespeeld.

BEOORDELING VAN HET BEKLAG

29.Het hof stelt het volgende voorop. Zoals hiervoor is vermeld, is namens klaagster op 26 september 2006 aangifte gedaan ter zake van meerdere strafbare feiten, de dood, ernstig letsel en ernstige milieuvervuiling tot gevolg hebbend, vermoedelijk gepleegd door de eigenaar en/of de reder en/of de bemanning van het schip Proba Koala, varend onder Griekse vlag, (de directie van) de besloten vennootschap Trafigura Beheer B.V., gevestigd te Amstelveen, en mogelijk (de directie van) de besloten vennootschap Amsterdam Port Service B.V. en ambtenaren van de Dienst Milieu –en Bouwtoezicht van de gemeente Amsterdam en van het ministerie van VROM en alle mogelijke andere, bij het plegen van de strafbare feiten betrokken personen en organisaties.

Daarna is door het openbaar ministerie te Amsterdam een strafrechtelijk onderzoek ingesteld dat zich mede uitstrekte tot de gebeurtenissen in Ivoorkust en zijn in het voorjaar van 2008 de dagvaardingen uitgebracht zoals hiervoor onder punt 3 weergegeven.

Eerst op 16 september 2009, is namens klaagster bij het gerechtshof een klaagschrift ingediend waarin het hof wordt verzocht te bevelen dat vervolging wordt ingesteld tegen Trafigura Beheer B.V., [beklaagde B], [beklaagde C], [beklaagde D], [beklaagde E], [beklaagde F] en [beklaagde G] in verband met het handelen in Ivoorkust in augustus 2006.

In deze zaak is geen sprake van een sepotbericht, naar aanleiding waarvan het beklag is ingediend. De officier van justitie heeft in eerdergenoemde brief van 2 oktober 2009 wel bevestigd dat is besloten geen vervolging in te stellen tegen Trafigura voor in Ivoorkust begane feiten en toegezegd dat het ressortsparket en het gerechtshof geadviseerd zal worden klaagster te ontvangen in het beklag ofschoon de beslissing dateert van ná het indienen van het beklag.

Gebleken is dat een aanzienlijk aantal stukken, die als bijlagen bij het beklag zijn gevoegd, niet in het kader van de aangifte en evenmin bij de brief van 15 juni 2009 aan de officier van justitie was toegezonden, zodat de officier van justitie die stukken toen ook niet heeft kunnen betrekken bij zijn beoordeling.

Voorts stelt het hof vast dat in het klaagschrift meer strafbare feiten worden genoemd dan voorkwamen in de aangifte, namelijk ‘een misdrijf in ambt of beroep’, ‘valsheid in geschrift’ en ‘deelneming aan een criminele organisatie’ en dat in het klaagschrift de vervolging wordt verzocht van personen die in de aangifte niet met name zijn genoemd.

Op grond van deze vaststelling komt het hof tot de conclusie dat voor zover het de in het klaagschrift voor het eerst genoemde strafbare feiten betreft, strikt genomen bij gebreke van een sepotbeslissing van de officier van justitie geen sprake was van een situatie van niet-vervolgen van die feiten, als bedoeld in artikel 12 Wetboek van Strafvordering.

Het hof zal hieraan – om proces-economische redenen - evenwel voorbij gaan nu het openbaar ministerie in de loop van de onderhavige procedure alsnog de beschikking heeft gekregen over alle relevante stukken en de eerdere conclusie, ook na bestudering van deze stukken, heeft gehandhaafd. Het hof beschouwt dit als een impliciete sepotbeslissing achteraf.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET BEKLAG

30.Alvorens tot een inhoudelijke toetsing van het onderhavige beklag te kunnen overgaan, dient het hof te beoordelen of klaagster ontvankelijk is in het beklag. Daarbij komt primair aan de orde de vraag of klaagster in casu kan worden beschouwd als een rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Slechts degene die door het achterwege blijven van een strafvervolging getroffen is in een eigen belang dat hem bepaaldelijk aangaat, kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van dit artikel.

Blijkens haar statuten heeft de Stichting Greenpeace tot doel het bevorderen van natuurbehoud.

Doodslag, zware mishandeling, dood door schuld, zwaar lichamelijk letsel door schuld of een misdrijf in ambt of beroep, vallen buiten deze doelstelling. Klaagster treedt niet op namens slachtoffers van de dumping van slops in Ivoorkust, terwijl de behartiging van de belangen van slachtoffers evenmin tot haar doelstellingen behoort.

Zij heeft naar het oordeel van het hof dan ook een onvoldoende rechtstreeks belang bij het verzoek tot vervolging van beklaagden ter zake van de hier genoemde misdrijven. In zoverre dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beklag.

Beklaagden hebben aangevoerd dat klaagster, Greenpeace Nederland, geen belanghebbende kan zijn bij een vervolging van milieudelicten die zijn begaan in Ivoorkust. Het beklag in deze zaak is uitsluitend gedaan namens Greenpeace Nederland en niet (ook) door of namens de wereldwijde organisatie van Greenpeace en/of door Greenpeace Afrika, een organisatie die bestaat sedert 2008.

Klaagster heeft daartegen onder meer aangevoerd dat zij zichzelf ziet als onderdeel van de wereldwijde organisatie van Greenpeace en dat haar doelstelling meebrengt dat zij dient op te treden indien het gaat om dumping van schadelijke stoffen in een ACS –land door een in haar visie Nederlands bedrijf.

Het hof neemt in aanmerking dat de namens klaagster in september 2006 ingediende aangifte betrekking had op de uitvoer van gevaarlijke afvalstoffen vanuit Amsterdam naar Ivoorkust, tot en met de dumping van die afvalstoffen aldaar en voorts dat het door de Nederlandse autoriteiten ingestelde onderzoek naar aanleiding daarvan zich aanvankelijk ook op dit gehele traject heeft gericht.

Gelet hierop en op de omstandigheid dat de advocaat-generaal zich op het standpunt heeft gesteld dat klaagster in principe kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 12 Sv voor feiten die het milieu in ruime zin aangaan,

daaronder begrepen de EEG Verordening, nr. 259/93, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: EVOA) die met name bedoeld is om het milieu en de bevolking van ACS-staten te beschermen tegen de dumping van afvalstoffen, zal het hof klaagster in haar beklag ontvangen voor zover de klacht zich richt tegen de niet-vervolging van milieudelicten die in Ivoorkust zouden zijn begaan.

Beklaagden hebben nog aangevoerd dat klaagster, die als belangenorganisatie opkomt voor een abstract ideëel belang, anders dan een slachtoffer of nabestaande niet met recht kan klagen over de wijze waarop strafrechtelijk wordt vervolgd. Op die stelling zal hier niet afzonderlijk worden ingegaan nu zij nauw samenhangt met de vraag naar de opportuniteit van de vervolging, die hierna onder 32 zal worden besproken.

RECHTSMACHT

31.Door beklaagden is bestreden dat er rechtsmacht is om de gestelde strafbare feiten in Nederland te vervolgen en berechten. Ook de advocaat-generaal heeft aangevoerd dat niet is gebleken van voldoende aanknopingspunten om met betrekking tot de feiten en de (rechts)personen waarover wordt geklaagd rechtsmacht aan te nemen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het beklag richt zich op het niet-vervolgen van feiten die zich hebben afgespeeld in Ivoorkust. De beklaagde personen bezitten geen van allen de Nederlandse nationaliteit.

Trafigura Beheer B.V. heeft volgens beklaagden slechts een formele vestigingsplaats in Nederland. De werkelijke bedrijfsactiviteiten vinden plaats in Londen, UK (Trafigura Ltd), bij welk bedrijf de beklaagden [beklaagde C], [beklaagde D] en [beklaagde E] werkzaam waren. Voorts vinden bedrijfsactiviteiten plaats in Geneve, Zwitserland. Het bedrijf [beklaagde F, vestiging CI], waarbij [beklaagde G] werkzaam was, is gevestigd in Ivoorkust. Het te Amsterdam gevestigde [beklaagde F] is volgens haar bedrijfsomschrijving een beheers- en beleggingsmaatschappij. Van directe betrokkenheid van dit bedrijf bij de gebeurtenissen in Ivoorkust is uit de stukken niet gebleken.

Daarom kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat bij een eventuele vervolging van de beklaagden voor feiten begaan in Ivoorkust, de Nederlandse rechter rechtsmacht zal aannemen.

De niet zonder meer te beantwoorden vraag of er al dan niet voldoende aanknopingspunten zijn om rechtsmacht aan te nemen, leent zich evenwel naar het oordeel van het hof veeleer voor beantwoording in het kader van een aanhangig gemaakte strafzaak gelet op de onderzoeksmogelijkheden die de strafrechter ter beschikking staan. Deze vraag behoeft thans ook geen beantwoording gezien op hetgeen hierna wordt overwogen en beslist.

HAALBAARHEID EN OPPORTUNITEIT VAN DE VERVOLGING

32.De stelling van klaagster ter zitting in raadkamer van 2 februari 2011 inhoudende dat het enige punt dat het openbaar ministerie en klaagster nog werkelijk verdeeld lijkt te houden de opportuniteit is van de vervolging van Trafigura Beheer B.V. en anderen voor de dumping van gevaarlijke afvalstoffen in Ivoorkust, is door de advocaat-generaal op die zitting in raadkamer niet meer weersproken.

Om deze reden ziet het hof –ofschoon de rechtsmacht niet op voorhand is gegeven- aanleiding te beoordelen of vervolging van de beklaagden haalbaar en opportuun is.

Voor de beoordeling daarvan gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden:

•Door justitie in Ivoorkust is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar de gang van zaken rondom de afgifte van giftig afval door de Proba Koala in Abidjan. Verdachten in dit onderzoek waren onder meer [beklaagde B] en [beklaagde G].

•Uit het ambtsbericht van de officier van justitie van 3 december 2009 blijkt dat in juli 2006 door het Interregionaal Milieuteam van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland(IMT) een groot opsporingsonderzoek is ingesteld naar de gang van zaken bij het bedrijf APS. Dit onderzoek is na de gebeurtenissen in Ivoorkust in augustus 2006 uitgebreid.

In september 2006 zijn twee IMT functionarissen voor een technische missie naar Ivoorkust gegaan met als doel het verlenen van strafrechtelijke ondersteuning aan de bevoegde autoriteiten aldaar en het uitwisselen van strafrechtelijke informatie en het eventueel zorgen voor de overdracht van in Abidjan genomen monsters aan Nederland. In vervolg op dit bezoek is vanuit Nederland een rechtshulpverzoek uitgegaan naar de Minister van Justitie van Ivoorkust waarin onder meer wordt verzocht om diverse inlichtingen, verklaringen van verdachten en getuigen en monsters.

In november 2006 heeft het Ministerie van Buitenlandse zaken een rechtshulpverzoek uit Ivoorkust ontvangen waaruit bleek dat in Ivoorkust een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld naar de gang van zaken rondom de afgifte van giftig afval door de Proba Koala in Abidjan in augustus 2006.

Dit rechtshulpverzoek is gevolgd door een bezoek van een juridische delegatie uit Ivoorkust aan Nederland.

Vóór eind november 2006 is door de Nederlandse autoriteiten voor een groot deel voldaan aan de rechtshulpverzoeken uit Ivoorkust.

In reactie op het eerdergenoemde Nederlandse rechtshulpverzoek dat in november 2006 nog nader is aangevuld, is van de zijde van Ivoorkust, ondanks herhaalde verzoeken, geen informatie ontvangen.

•[Beklaagde B] en [beklaagde G], beiden beklaagden in de onderhavige zaak, zijn door de justitiële autoriteiten in Ivoorkust op 18 september 2006 gearresteerd en in hechtenis genomen. Vijf maanden later zijn zij vrijgelaten nadat er in februari 2007 tussen de staat Ivoorkust en Trafigura Beheer B.V., Trafigura Ltd en [beklaagde F, vestiging CI] een overeenkomst was gesloten.

•In Ivoorkust zijn in oktober 2008 twee personen tot gevangenisstraffen veroordeeld in verband met de dumping van de afvalstoffen uit de Proba Koala in en rond Abidjan.

Volgens de berichten is de directeur van Compagnie T., welk bedrijf de dumping van de afvalstoffen heeft laten verrichten, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren wegens vergiftiging en is een werknemer van de agent die de tanker onder zijn hoede had toen die het afval kwam lossen in de haven van Abidjan, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren wegens medeplichtigheid aan vergiftiging.

•Trafigura heeft ingevolge bovengenoemde overeenkomst aan de Ivoriaanse Staat in totaal een bedrag van 95 miljard CFA franc (Communauté Financière Africaine)- dat overeen kwam met ongeveer 150 miljoen US dollar betaald - waarvan 22 miljard CFA franc was bestemd voor de kosten van opruiming van het afval.

Voorts zou de Ivoriaanse overheid een substantieel gedeelte van deze 95 miljard CFA franc bestemmen voor compensatie van schade, geleden door Ivoriaanse burgers en bedrijven, als gevolg van dumping van de slops.

Trafigura heeft zich in het ‘Protocole d’Accord’ voorts verplicht verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van – kort gezegd – onderzoek naar status en reiniging van het milieu en voldeed volgens haar verklaring opvolgend additioneel tot tweemaal toe een bedrag van 7.6 miljoen euro aan de Staat Ivoorkust.

Eenmaal om “follow-up operations and post Works through its specialized environment agencies” te garanderen. Het tweede bedrag zou de Ivoriaanse regering bestemmen voor de gezondheidszorg in zijn algemeenheid, opleiding en milieu issues.

•In september 2009 is in het Verenigd Koninkrijk een schikking getroffen tussen Trafigura en circa 30.000 slachtoffers uit Ivoorkust, die werden vertegenwoordigd door het advocatenkantoor Leigh Day. Onderdeel van deze schikking is de betaling door Trafigura van een bedrag van 30 miljoen GBP (Britse pond) ten behoeve van de slachtoffers.

In deze procedure is door een twintigtal onafhankelijke deskundigen (10 van de zijde van de Ivoriaanse onderdanen en 10 van de zijde van Trafigura) onderzoek gedaan naar de gevolgen in Ivoorkust. Zij zijn in gezamenlijkheid tot de conclusie gekomen dat er geen oorzakelijk verband is tussen blootstelling aan de chemische stoffen van de slops enerzijds en ernstig letsel en dodelijke slachtoffers anderzijds, maar dat er op zijn hoogst sprake zou kunnen zijn geweest van “flu-like symptoms” en angst.

•Trafigura Beheer B.V. is door het openbaar ministerie in Amsterdam strafrechtelijk vervolgd voor –kort gezegd-:

1. Medeplegen van opzettelijk illegaal uitvoeren van afval naar Ivoorkust, een ACS staat (in de zin van de EVOA)

2. Het in Amsterdam afleveren van voor de gezondheid schadelijke waar, terwijl dat schadelijke karakter is verzwegen

3. Valsheid in geschrifte;

•[Beklaagde B], president-directeur van Trafigura Beheer B.V. is door het openbaar ministerie in Amsterdam strafrechtelijk vervolgd voor –kort gezegd-: Het feitelijk leiding geven aan dan wel medeplegen van opzettelijk illegaal uitvoeren van afval naar Ivoorkust, een ACS staat (in de zin van de EVOA);

•[Beklaagde E] is door het openbaar ministerie in Amsterdam strafrechtelijk vervolgd voor –kort gezegd-:

1. primair: feitelijk leiding geven aan het in Amsterdam afleveren van voor de gezondheid schadelijke waar, terwijl dat schadelijke karakter is verzwegen;

1. subsidiair: medeplegen van het in Amsterdam afleveren van voor de gezondheid schadelijke waar, terwijl dat schadelijke karakter is verzwegen;

2. primair: feitelijk leiding geven aan het plegen van valsheid in geschrifte, subsidiair: medeplegen van valsheid in geschrifte.

Met betrekking tot de vraag of een vervolging van beklaagden voor de dumping van schadelijke afvalstoffen in en rond Abidjan haalbaar zou zijn, staat voorop dat het openbaar ministerie dient te beschikken over een dossier dat met de nodige waarborgen is tot stand gekomen.Het openbaar ministerie beschikt thans niet over alle (proces-)stukken en het materiaal waar het in de rechtshulpverzoeken om heeft gevraagd.

Voorts vergt het wel beschikbare bewijsmateriaal nader strafrechtelijk onderzoek, waarvoor medewerking van de Ivoriaanse autoriteiten noodzakelijk is. Tot op heden heeft Ivoorkust echter geen medewerking gegeven aan rechtshulpverzoeken die in deze zaak vanuit Nederland zijn gedaan.

In geval van vervolging zullen de beklaagden, zoals zij hebben aangekondigd, nader onderzoek willen laten verrichten dat mede ziet op het toetsen door deskundigen van de bevindingen in de door Greenpeace gepresenteerde rapporten. Ook valt te voorzien dat van de zijde van de beklaagden verzoeken zullen worden gedaan om getuigen à decharge te horen die zich in Ivoorkust bevinden.

Volstrekt onduidelijk is of Ivoorkust daaraan nu dan wel in de toekomst medewerking zal gaan verlenen gezien de huidige situatie in Ivoorkust.

Het hof acht om deze reden de haalbaarheid van een vervolging twijfelachtig.

Met betrekking tot de opportuniteit van de vervolging overweegt het hof als volgt.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat de Nederlandse autoriteiten zich in aanzienlijke mate hebben ingespannen om grondig onderzoek te doen. Enkele beklaagden zijn in Nederland feitelijk vervolgd voor onder meer de uitvoer van afvalstoffen naar een ACS-staat, namelijk Ivoorkust. Dat de vervolging door het openbaar ministerie bij de rechtbank Amsterdam verder strekt dan het grondgebied van Nederland, ziet het hof bevestigd in de beschikking van de Hoge Raad van 6 juli 2010 (LJN: BK9263) waarin is uitgemaakt dat de uitvoer van afvalstoffen naar de ACS-staten in de zin van de EVOA eerst voltooid is wanneer deze stoffen hun uiterlijke bestemming, in dit geval dus Ivoorkust, hebben bereikt.

Daarnaast is er via rechtshulpverzoeken geprobeerd materiaal en inlichtingen uit Ivoorkust te verkrijgen, hetgeen blijkens het vorenstaande door gebrek aan medewerking van de justitiële autoriteiten van Ivoorkust niet is gelukt.

Dat deze autoriteiten niet hebben meegewerkt, valt wellicht daaruit te verklaren dat het primaat voor de vervolging in eerste instantie ligt bij de soevereine staat waarbinnen het strafbare feit is gepleegd en dat in de visie van de autoriteiten ter plaatse door het eigen optreden van de justitiële autoriteiten in Ivoorkust de noodzaak en urgentie om mee te werken aan vervolging in Nederland, zijn verminderd of komen te vervallen.

Zoals hiervoor reeds is vermeld, is Ivoorkust overgegaan tot vervolging van de directeur van Compagnie T. en een werknemer van de agent die de tanker onder zijn hoede had toen die het afval kwam lossen in de haven van Abidjan, terwijl ten aanzien van [beklaagde B] en [beklaagde G] voorlopige hechtenis is toegepast die is beëindigd nadat een financiële regeling was getroffen tussen Trafigura en de staat Ivoorkust, onder meer ter compensatie van de (milieu) schade.

Voorts zijn er in civilibus met nabestaanden en slachtoffers regelingen getroffen.

Het opportuniteitsbeginsel brengt met zich mee dat het openbaar ministerie als vervolgingsmonopolist een bepaalde vrijheid heeft om te beslissen of het tot vervolging overgaat en, zo dat het geval is, voor welke strafbare feiten.

De vrijheid van het openbaar ministerie gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid om wel of niet te vervolgen wordt mede bepaald door de eisen van het algemeen belang. Daarbij moeten mede de te verwachten inspanningen om tot een succesvolle vervolging te komen worden afgewogen, alsook de mogelijke risico’s.

Het hof betrekt bij zijn oordeel dat in deze zaak niet zonder nader onderzoek rechtsmacht kan worden aangenomen en voorts dat om tot een bewijsbare zaak te komen nog allerlei onderzoeksinspanningen noodzakelijk zijn.

Op grond van voorgaande overwegingen met betrekking tot de haalbaarheid en opportuniteit van de vervolging is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie bij afweging van alle in aanmerking komende belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten ter zake van de gebeurtenissen in Ivoorkust geen strafvervolging in te stellen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beklag voor zover dit betrekking heeft op de strafbare feiten doodslag, zware mishandeling, dood door schuld, zwaar lichamelijk letsel door schuld of een misdrijf in ambt of beroep;

Wijst het beklag voor het overige af.

Deze beschikking is op 12 april 2011 gewezen door

mr. R. Noordam, voorzitter,

mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.P.J. Myjer, leden,

in bijzijn van griffier mr. M.C. Zuidweg.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.