Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9630

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
MHD 200.059.466
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2009:BL1939, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt vast dat de erven en SVB in de “akte van cessie ter incasso” op grond waarvan de erven aan SVB de last hebben verstrekt de vorderingen van de erven op de Schelde in eigen naam te innen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector civiel recht

zaaknummer MHD 200.059.466

arrest van de achtste kamer van 29 maart 2011

in de zaak van

de rechtspersoon naar publiek recht SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. dr. A.J. Van,

tegen:

KONINKLIJKE SCHELDE GROEP B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. G.C. Endedijk,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 maart 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, gewezen tussenvonnis van 7 december 2009 tussen principaal appellante - SVB - als eisende partij en principaal geïntimeerde - De Schelde - als gedaagde partij.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 181507/09-1229)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld tussenvonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft SVB, onder overlegging van drie producties, vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het tussenvonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen met veroordeling van De Schelde in de proceskosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft De Schelde de grieven bestreden. Voorts heeft zij incidenteel appel ingesteld, daarin één grief aangevoerd en geconcludeerd kort gezegd, tot vernietiging van het tussenvonnis waarvan beroep voor zover in incidenteel appel bestreden en tot afwijzing van de vorderingen van SVB met veroordeling van SVB in de proceskosten van het hoger beroep.

2.3. SVB heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. De heer [X.] (hierna: [X.]), geboren op [geboortedatum] 1937, heeft van 1 september 1951 tot en met 29 juni 1962 als metaaldraaier gewerkt in de machinefabriek van De Schelde. Op 18 april 2007 is bij [X.] de diagnose maligne mesothelioom gesteld. Bij brief van 11 mei 2007 heeft [X.] De Schelde aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade.

4.1.2. Op 22 mei 2007 heeft [X.] bij het Instituut Asbestslachtoffers (hierna: IAS) een aanvraag tot bemiddeling ingediend. Het IAS heeft een arbeidshistorisch onderzoek verricht, gerapporteerd en op 30 augustus 2007 bij SVB voor [X.] een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Regeling Tegemoetkoming Asbest Slachtoffers (hierna: regeling TAS). Bij beschikking van 6 september 2007 heeft SVB op basis van de regeling TAS aan [X.] een netto uitkering toegekend van € 16.665,-- en uitbetaald.

4.1.3. [X.] is overleden op 7 juni 2008. Blijkens een verklaring van erfrecht d.d. 2 juli 2008 (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) is het vermogen van [X.] onder algemene titel overgegaan op zijn echtgenote, [Y.], en twee kinderen, [A.] en [B.] (hierna gezamenlijk: de erven).

4.1.4. De erven en SVB hebben met elkaar in februari 2009 een onderhandse akte, met als opschrift ‘akte van cessie ter incasso’, opgemaakt en ondertekend (eveneens productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg).

4.2. In eerste aanleg heeft SVB bij de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, de volgende, hier kort weergegeven, vorderingen ingesteld:

- verklaring voor recht dat De Schelde aansprakelijk is voor de door [X.] en zijn erven geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel,

- veroordeling van De Schelde tot betaling aan SVB van

1. een voorschot van € 54.133,00,

2. de door [X.] en zijn erven geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als

immaterieel, op te maken bij staat,

3. de wettelijke rente over voornoemde schade vanaf 18 april 2007

en

4. de proceskosten.

4.2.1. De Schelde heeft tegen het gevorderde verweer gevoerd. Naast een beroep op verjaring heeft zij o.m. de geldigheid van de cessie betwist. Zij heeft aangevoerd dat bij gebrek aan een geldige titel voor overdracht de vorderingen van de erven niet rechtsgeldig zijn gecedeerd aan SVB en dat in ieder geval de vordering tot vergoeding van immateriële schade door de erven niet aan SVB is overgedragen omdat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6:106 lid 2 BW. De Schelde heeft voorts nog gewezen op het gebrek aan belang van SVB bij de gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaat.

4.2.2. Bij tussenvonnis van 7 december 2009 heeft de kantonrechter inzake de cessie geoordeeld, kort gezegd, dat sprake is van cessie nu aan de voorwaarden voor cessie, waaronder overdracht van de vorderingen van de erven aan SVB, is voldaan. Een beroep op artikel 3:84 lid 3 BW faalt volgens de kantonrechter daar sprake is van een geldige titel.

Wat betreft de vordering tot vergoeding van immateriële schade komt de kantonrechter tot de conclusie dat de cessie geen effect heeft gehad, omdat niet is voldaan aan de eisen die artikel 6:106 lid 2, eerste volzin, BW stelt voor een rechtsgeldige overgang van deze vordering.

De kantonrechter heeft de zaak verwezen naar de rol opdat SVB zich zou uitlaten omtrent de schade en voorts bepaald dat hoger beroep tegen het (tussen)vonnis open staat.

Voorts in incidenteel appel

4.3. De Schelde voert in haar grief, kort gezegd, aan dat de kantonrechter in het tussenvonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldige cessie.

Zij stelt dat de erven en SVB blijkens de inhoud van de onderhandse akte van februari 2009 zijn overeengekomen dat SVB de vordering zal proberen te incasseren bij De Schelde om deze vervolgens door te betalen aan de erven na verrekening van het door SVB betaalde voorschot. Het gaat volgens De Schelde om een obligatoire overeenkomst ter incasso met als doel dat de eigenaar van de vordering de uitkering ontvangt. Nu sprake is van een obligatoire overeenkomst die geen verbintenis tot overdracht in het leven roept, levert deze geen geldige titel op voor levering, zoals bepaald in artikel 3:84 lid 3 BW.

4.3.1. Het (primaire) standpunt van SVB is dat sprake is van een rechtsgeldige cessie.

Voor het geval het hof zou oordelen dat sprake is van een cessie ter incasso heeft SVB (subsidiair) erop gewezen dat SVB gerechtigd is tot het instellen van de onderhavige vordering aangezien cessie ter incasso moet worden opgevat als een last van de erven aan SVB om de onderhavige vordering in eigen naam te innen.

4.3.2. Het hof oordeelt als volgt.

In geschil is de uitleg en kwalificatie van hetgeen de erven en SVB in de onderhandse akte van februari 2009 zijn overeengekomen.

Het hof is op grond van het navolgende van oordeel dat sprake is van een overeenkomst van lastgeving.

In de considerans van de akte hebben SVB en de erven onder meer in aanmerking genomen dat zij overeenstemming hebben bereikt over de overdracht van de vordering van de erven op De Schelde aan SVB door middel van cessie, waarmee blijkens het opschrift van de akte 'cessie ter incasso' is bedoeld.

Onder 3.1. van de akte is bepaald dat "indien en voor zover ter zake van de Vordering een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door Partij 1 (hof: de erven) geleden en/of te lijden schade zal worden toegewezen bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak, dan wel op andere wijze een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door Partij 1 geleden en/of te lijden schade zal worden gerealiseerd, deze vergoeding onverwijld door SVB aan Partij 1 zal worden doorbetaald, vermeerderd met de over de vergoeding bij de rechterlijke uitspraak toegekende of op andere wijze overeengekomen of bepaalde rente".

Naar het oordeel van het hof blijkt aldus uit die considerans en het bepaalde onder 3.1. de bedoeling van de erven en SVB, te weten dat SVB op eigen naam ten behoeve van de erven een uitkering/schadevergoeding van De Schelde zal (trachten) te innen teneinde deze door te betalen aan de erven.

Voorts merkt het hof op dat in de akte uitdrukkelijk een aantal bevoegdheden van SVB zijn weergegeven onder nummer 4:

“4. Bevoegdheid SVB

4.1. SVB is - met uitsluiting van Partij 1 en/of anderen - bevoegd voor en/of namens Partij 1 met betrekking tot de Vordering, desgewenst op eigen naam:

4.1.1. overeenkomsten te sluiten met Partij A en/of derden, waaronder een vaststellingsovereenkomst waarbij de aan Partij 1 toe te kennen schadevergoeding op ook voor Partij 1 bindende wijze wordt vastgesteld;

4.1.2. gerechtelijke of arbitrale procedures te voeren om te geraken tot vaststelling van aansprakelijkheid van Partij A en/of te geraken tot een veroordeling van Partij A tot betaling van (een deel van) de Vordering;

4.1.3. voor het aan Partij 1 toekomende bedrag verhaal te zoeken op Partij A en/of derden en het aan Partij 1 toekomende bedrag te innen en daartoe al datgene te doen wat SVB wenselijk of noodzakelijk acht.

4.2. Partij 1 en SVB komen - voor zoveel nodig - overeen dat op de Vordering de wettelijke bepalingen betreffende de schadestaatprocedure van overeenkomstige toepassing zullen zijn.

Indien de akte een akte van cessie zou zijn, zou het opnemen van deze bevoegdheden van de cessionaris overbodig zijn, omdat de cessionaris na een voltooide overdracht als schuldeiser bevoegd is met betrekking tot de door cessie verkregen vordering een vaststellingsovereenkomst te sluiten, procedures te voeren etc. en die bevoegdheden niet behoeft te bedingen.

Het hof concludeert op grond van bovenstaande dat hier geen sprake is van cessie, maar van een cessie ter incasso, zijnde een obligatoire overeenkomst van lastgeving. SVB zal de vordering(en) tot vergoeding van materiële en immateriële schade in eigen naam kunnen vorderen ten behoeve van de erven.

Aan deze conclusie doet niet af dat in de akte -o.m. onder 1.1. en 1.2.- van overdracht van de vordering wordt gesproken, omdat, blijkens de verdere inhoud en strekking van de akte, met die omschrijving niet is bedoeld een zakenrechtelijke overgang maar het toekennen van de bevoegdheid om op eigen naam vorderingen te innen.

4.3.2.1. Naar het oordeel van het hof is de incidentele grief gegrond zodat het tussenvonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Opnieuw rechtdoende oordeelt het hof dat de 'akte van cessie ter incasso' een overeenkomst van lastgeving behelst op grond waarvan de erven aan SVB de last hebben verstrekt de vordering(en) van de erven op De Schelde in eigen naam te innen.

Nu partijen zich over een dergelijke kwalificatie van de overeenkomst reeds hebben uitgelaten (De Schelde in de memorie van antwoord, tevens inhoudende memorie van grieven in incidenteel appel, onder 15 en 31, en SVB in haar subsidiaire standpunt in de memorie van antwoord in incidenteel appel) is er geen aanleiding partijen nog in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.

4.3.2.2. Nu het hof heeft vastgesteld dat sprake is van een last van de erven aan SVB tot inning van de vordering(en) van de erven jegens De Schelde in eigen naam, is het belang van SVB bij de gevorderde verklaring voor recht erin gelegen dat zij met de erven die lastgevingsovereenkomst heeft gesloten. SVB zal aan die overeenkomst uitvoering dienen te geven.

De opmerking van De Schelde dat niet gesteld of gebleken is dat SVB voor het gedeelte van de TAS-uitkering is gesubrogeerd in de rechten van de erven treft geen doel. Nu sprake is van lastgeving is subrogatie niet van belang.

4.3.2.3. Hetgeen De Schelde voor het overige heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

4.4. Gelet op al het bovenstaande zal het hof het tussenvonnis van 7 december 2009 vernietigen en de zaak terugverwijzen naar de kantonrechter teneinde de zaak verder te beoordelen en af te wikkelen met inachtneming van de inhoud van dit arrest.

4.5. SVB zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

Voorts in principaal appel

4.6. De grieven van SVB betreffen de vraag naar de overdracht van de vererfde vordering tot vergoeding van immateriële schade door de erven.

Deze grieven nemen tot uitgangspunt dat door de akte van cessie ter incasso de vordering(en) van de erven op De Schelde zakenrechtelijk kunnen zijn overgedragen aan SVB. Gelet op hetgeen door het hof hiervoor in incidenteel appel is overwogen is dit uitgangspunt onjuist. SVB heeft derhalve geen belang bij de beoordeling van haar grieven. Het principaal appel moet daarom bij gebreke van belang worden verworpen en SVB dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

op het incidenteel appel

vernietigt het tussenvonnis van 7 december 2009, waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende;

stelt vast dat de erven en SVB in de 'akte van cessie ter incasso' een lastgeving als bedoeld in r.o. 4.3.2.1. zijn overeengekomen;

verwijst de zaak terug naar de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, teneinde met inachtneming van de inhoud van dit arrest de zaak verder te beoordelen en af te wikkelen;

veroordeelt SVB in de proceskosten van het (incidenteel) hoger beroep, welke kosten aan de zijde van De Schelde worden begroot op € 815,50 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

op het principaal appel

verwerpt het beroep;

veroordeelt SVB in de proceskosten van het (principaal) hoger beroep, welke kosten aan de zijde van De Schelde tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 263,-- aan verschotten en € 1.631,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Waaijers en Zweers-van Vollenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 maart 2011.