Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9424

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
200.065.432-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil inzake de hoofdverblijfplaats van de minderjarige; vaststellingsovereenkomst, wijziging van omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 maart 2011

Zaaknummer : 200.065.432.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-61896

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K. Yousef te ’s-Gravenhage,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.D. Sint Nicolaas te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 10 mei 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 februari 2010 van de rechtbank ‘s-Gravenhage en heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking ingediend.

De vader heeft op 13 juli 2010 een verweerschrift in de hoofdprocedure ingediend, waarin hij tevens verweer voert tegen het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Tevens heeft de vader op 30 september 2010 een verweerschrift ingediend tegen het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 31 mei 2010, 7 juni 2010, 5 juli 2010 en 3 november 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 31 januari 2011 en 1 februari 2011 stukken ingekomen.

Bij beschikking van 8 december 2010 heeft dit hof het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking afgewezen.

Op 2 februari 2011 is de hoofdzaak mondeling behandeld. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Voorts is voor zover thans van belang - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de minderjarige [X], geboren op [in] 2004 te [woonplaats] (hierna: de minderjarige) zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking nog niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader is bepaald, alsnog het verzoek van de vader inzake de vaststelling van het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, de inhoud van de door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst en ouderschapsplan integraal op te nemen in de te wijzen beschikking, althans te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder zal zijn en de vader te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

3. De vader bestrijdt het beroep van de moeder en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, desgewenst onder aanvulling van de gronden en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in al haar verzoeken dan wel deze af te wijzen.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader heeft bepaald. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank met dit oordeel de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst, waarin onder meer de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder is bepaald, heeft miskend. Deze vaststellingsovereenkomst had volgens de moeder moeten worden opgenomen in de bestreden beschikking. Volgens de moeder is geen sprake van een wijziging van omstandigheden die het niet nakomen van de vaststellingsovereenkomst rechtvaardigt. Zij verblijft immers voorgoed in Nederland en heeft wel degelijk een stabiel bestaan hier te lande.

Ter terechtzitting heeft de moeder bezwaar gemaakt tegen de door de vader op 31 januari 2011 en 1 februari 2011 overgelegde stukken. Volgens de moeder dient het hof geen acht te slaan op die stukken, nu zij zeer kort voor de zitting zijn overgelegd en dit in strijd is met het procesreglement.

Indiening nadere stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling

5. De door de vader op 31 januari 2011 en 1 februari 2011 overgelegde stukken zijn buiten de termijn van tien kalenderdagen als bedoeld in artikel 1.4.3. van het geldende procesreglement overgelegd. Hoewel de moeder tegen het overleggen van deze stukken bezwaar heeft gemaakt, zal het hof toch acht slaan op die stukken, nu deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn.

Hoofdverblijfplaats van de minderjarige

6. Vaststaat dat partijen op 4 maart 2009 een vaststellingsovereenkomst hebben ondertekend, waarin partijen in artikel 2.3 van die overeenkomst zijn overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding, bij de moeder zal zijn. In dat artikel wordt voorts vermeld dat de vader zich op voorhand onvoorwaardelijk verenigt met het besluit van de moeder zich definitief in [land] met de minderjarige te gaan vestigen.

7. Ingevolge artikel 7:900 lid 1 BW binden partijen bij een vaststellingsovereenkomst, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mochten afwijken.

8. Partijen zijn in beginsel gebonden aan de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken en mitsdien ook aan de daarin opgenomen afspraak dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder zal zijn. Dit is slechts anders indien zich nadien een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor het belang van de minderjarige zich verzet tegen de nakoming van die afspraken.

9. Het hof is van oordeel dat van een dergelijke wijziging van omstandigheden sprake is en dat deze gelegen is in de omstandigheid dat de minderjarige nu al 1,5 jaar bij de vader woont. Niet gebleken is dat het met de minderjarige bij de vader niet goed gaat of dat de vader tekort schiet in de verzorging en opvoeding. Het hof acht het van belang dat de huidige regelmaat in de leefomgeving van de minderjarige blijft bestaan. Dit zou worden doorkruist indien de hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt gewijzigd. In hetgeen de moeder heeft aangevoerd, ziet het hof, daarbij het belang van de minderjarige in aanmerking nemende, geen aanleiding de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te wijzigen. Daarbij is medebepalend dat onvoldoende is gebleken dat de moeder haar leven inmiddels wel op orde heeft. Het hof is van oordeel dat de moeder onvoldoende inzage heeft gegeven in de bestendigheid van haar bestaan in Nederland.

Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader zal zijn. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

Proceskostenveroordeling

10. Het hof ziet geen reden, zoals door de moeder is verzocht, om de vader te veroordelen in de proceskosten en zal het verzoek derhalve afwijzen.

11. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Mos-Verstraten en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2011.