Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9423

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
200.053.090-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 maart 2011

Zaaknummer : 200.053.090/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-9801

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.F.L. Beckand te Zoetermeer,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Lindhout te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 5 januari 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 oktober 2009 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De man heeft op 22 februari 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 7 juni 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 19 januari 2010 stukken ingekomen.

Op 18 februari 2011 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de verdeling van de huwelijksgemeenschap, welke door de scheiding wordt ontbonden, vastgesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 6 november 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

1. In geschil is met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap welke door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 6 november 2009 is ontbonden:

- de toedeling aan de man van de helft van de resterende waarde (ad € 13.302,-) van de koopsom garantiepolis bij ABN AMRO met polisnummer [X], zijnde € 6.651,-;

- de toedeling aan de vrouw van de koopsom garantiepolis bij ABN AMRO met polisnummer [X], onder de verplichting om de helft van de resterende waarde (ad € 13.302,-), zijnde € 6.651,- aan de man te voldoen;

- de toedeling aan de man van de helft van de lening bij de moeder van de vrouw

(ad € 7.000,-), zijnde € 3.500,-;

- de toedeling aan de vrouw van de lening van de moeder van de vrouw (ad € 7.000,-), onder de verplichting voor de man om de helft van de lening voor zijn rekening te nemen, zijnde € 3.500,-;

2. De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de waardering van de koopsom garantiepolis met polisnummer [X] en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de waarde van de koopsom garantiepolis met polisnummer [X] op de peildatum nihil bedroeg.

3. De man bestrijdt het beroep van de vrouw en verzoekt het hof het verzoek van de vrouw, zoals vermeld in het beroepschrift, af te wijzen.

4. De man verzoekt het hof in incidenteel appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de waardering van de koopsom garantiepolis met polisnummer [X] en de waardering van de lening bij de moeder van de vrouw en, opnieuw beschikkende, te bepalen:

- dat de restant waarde van de koopsom garantiepolis met polisnummer [X] moet worden vastgesteld op € 14.280,55 en dat aan de man wordt toegedeeld de helft van de resterende waarde ad € 14.280,55 van de koopsom garantiepolis bij ABN AMRO met polisnummer [X], zijnde € 7.140,27;

- dat aan de man wordt toegedeeld de helft van de door hem betaalde hypotheekrente in de maand augustus 2008 ad € 1.161,-, zijnde een bedrag van € 580,55;

- dat de lening van de moeder van de vrouw € 5.950,- bedraagt en dat aan de man wordt toegedeeld de helft van de lening bij de moeder van de vrouw ad € 5.950,-, zijnde € 2.952,50;

- dat aan de vrouw wordt toegedeeld de koopsom garantiepolis bij ABN AMRO met polisnummer [X] onder de verplichting om de helft van de resterende waarde ad € 14.280,55, zijnde € 7.140,27 aan de man te voldoen;

- dat de vrouw aan de man dient te vergoeden de helft van de door de man betaalde hypotheekrente in de maand 2008 ad € 1.161,-, zijnde een bedrag van € 580,50;

- dat de lening van de moeder van de vrouw € 5.950,- bedraagt en dat aan de vrouw wordt toegedeeld de helft van de lening bij haar moeder ad € 5.950,-, zijnde € 2.952,50.

5. De vrouw verzet zich tegen het incidenteel appel van de man en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel appel, althans de verzoeken van de man ongegrond te verklaren, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie mocht vermenen te behoren.

Schadevergoeding bij benadeling van gemeenschap

6. Ter zitting heeft de man medegedeeld dat de door hem gestelde grond, dat sprake is van een benadeling van de huwelijksgemeenschap door de vrouw en dat de vrouw verplicht is de schade aan de gemeenschap te vergoeden, niet langer wordt gehandhaafd.

Peildatum omvang gemeenschap

7. Het moment van de ontbinding van de gemeenschap geldt als peildatum voor de omvang van de gemeenschap en is bepalend voor de vraag welke activa en passiva deze omvat. Deze peildatum is in onderhavige zaak 6 november 2009.

Koopsom garantiepolis ABN AMRO met polisnummer [X]

8. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de waarde van de koopsom garantiepolis op de peildatum nihil was en dat er derhalve geen verdeling kan plaatsvinden. De vrouw stelt dat de gelden van de koopsom garantiepolis zijn besteed aan de lasten met betrekking tot de gezamenlijke huishouding.

9. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat van de koopsom garantiepolis nog een bedrag resteert van € 13.302,-. Volgens de man bedraagt het restantbedrag van de koopsom garantiepolis € 14.280,55. De man stelt dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem dient te vergoeden.

10. Partijen hebben ter zitting gesteld dat zij tijdens de voorlopige voorzieningen procedure een afspraak hebben gemaakt over de wijze van aanwending van de koopsom garantiepolis. Partijen verschillen echter van mening over de inhoud van deze afspraak. De vrouw stelt dat partijen hebben afgesproken dat uit de koopsom garantiepolis alle kosten van de huishouding zouden worden voldaan. Volgens de vrouw is de koopsom garantiepolis dan ook opgegaan aan de kosten van de huishouding. De man stelt dat partijen hebben afgesproken dat uit de koopsom garantiepolis slechts de hypotheekrente en overige vaste lasten zoals de gemeentelijke belastingen zouden worden voldaan. Volgens de man dient er nog een aanzienlijk bedrag van de koopsom garantiepolis te resteren.

11. Nu het hof niet kan vaststellen wat destijds, ten tijde van de voorlopige voorzieningen- procedure, tussen partijen is afgesproken over de koopsom garantiepolis, gaat het hof uit van de hoofdregel, te weten dat, zolang de gemeenschap bestaat, alle activa en passiva uit die gemeenschap gemeenschappelijk zijn. Daar de vrouw,onweersproken door de man, heeft gesteld dat de koopsom garantiepolis op de peildatum reeds was opgesoupeerd, is dit komen vast te staan. De koopsom garantiepolis behoort mitsdien niet tot de te verdelen gemeenschap en de rechtbank heeft dan ook ten onrechte ieder der partijen de helft van het bedrag van € 13.302,- van de koopsom garantiepolis toegedeeld. De bestreden beschikking dient dan ook op dit punt te worden vernietigd.

Lening van de moeder van de vrouw

12. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de lening aan de moeder van de vrouw € 7.000,- bedraagt. Volgens de man is een bedrag van € 1.050,- afgelost van de gezamenlijke rekening van partijen. Dit bedrag dient dan ook in mindering te worden gebracht, aldus de man.

13. Ter zitting is komen vast te staan dat een bedrag van € 1.050,- voor de peildatum is afgelost. Gelet hierop bedraagt de lening van de moeder van de vrouw op de peildatum nog € 5.950,-. Ieder der partijen dient de helft van deze lening bij de moeder van de vrouw te voldoen, te weten ieder een bedrag van € 2.975,-. In zoverre dient de bestreden beschikking te worden vernietigd.

Betaalde rente in verband met de hypothecaire geldlening over de maand augustus 2008

14. Het verzoek van de man, te bepalen dat de vrouw de helft van de door de man betaalde rente ter zake de hypothecaire geldlening over de maand augustus 2008 aan hem dient te voldoen, zal worden afgewezen, daar dit een verzoek in verband met kosten van de huishouding betreft, voor welke kosten ook de man verantwoordelijk was. Naar het oordeel van het hof zijn er geen gronden door de man aangevoerd die afwijking van voormelde hoofdregel rechtvaardigen.

15. Het overige door partijen gestelde met betrekking tot de omvang van de gemeenschap en de betaalde kosten behoeft geen verdere bespreking meer, nu dit niet aan het oordeel van het hof afdoet.

16. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo¬ver daarbij in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap de koopsom garantiepolis bij ABN AMRO met polisnummer [X] en de lening van de moeder van de vrouw aan partijen is toegedeeld en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de waarde van de koopsomgarantiepolis bij ABN AMRO [X] nihil bedraagt;

bepaalt dat de man de helft van de lening van de moeder van de vrouw, ad € 2.975,-, voor zijn rekening neemt;

bepaalt dat de vrouw de helft van de lening van de moeder van de vrouw, ad € 2.975,-, voor haar rekening neemt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Mink en Ydema, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 maart 2011.