Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8897

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
200.076.459/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Kinderen wonen thans op Curaçao: geen rechtsmacht hier van de Nederlandse rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 februari 2011

Zaaknummer : 200.076.459/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-1004

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.A. Oosterveen te Rotterdam,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening Leger des Heils,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: het Leger des Heils.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 3 november 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 september 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Van de zijde van Jeugdzorg is op 3 december 2010 bij het hof een schriftelijke reactie ingekomen.

Van de zijde van het Leger des Heils is op 1 december 2010 een brief ingekomen waarin wordt medegedeeld dat afgezien wordt van het voeren van schriftelijk verweer.

Van de zijde van de moeder zijn op 23 november 2010 aanvullende stukken bij het hof ingekomen.

Op 15 december 2010 is de zaak mondeling behandeld tezamen met de zaak met zaaknummer 200.077.638. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens Jeugdzorg: mevrouw C.F. Hiltermann, en mevrouw J. Twisk en namens het Leger des Heils: mevrouw E. de Wit en de heer J. Nijzink. Namens de raad is mevrouw A. Timmers verschenen. Zij heeft alleen in de zaak met zaaknummer 200.077.638 de mening van de raad naar voren gebracht. De overige aanwezigen hebben in beide zaken het woord gevoerd.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting bij het hof – met instemming van de overige aanwezigen – een brief van 21 september 2010 van de huisarts van de moeder overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, (het hof begrijpt) de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen) verlengd tot 14 september 2011. Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot plaatsing van de minderjarigen is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Vast staat dat de moeder het gezag heeft over de minderjarigen.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat Jeugdzorg de uitvoering van de ondertoezichtstelling van het Leger des Heils heeft overgenomen en dat de minderjarigen vanaf 30 mei 2010 in Curaçao verblijven.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen tot 14 september 2011.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, zodat de ondertoezichtstelling van de minderjarigen niet zal worden verlengd tot 14 september 2011, doch zal worden beëindigd met onmiddellijke ingang, althans met ingang van een datum door het hof in goede justitie te bepalen.

3. De moeder betwist dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van de minderjarigen aanwezig zijn. De minderjarigen verblijven bij familie op Curaçao. Zij gaan naar school, worden goed verzorgd en hebben familie en vrienden in de buurt. De moeder wil op korte termijn ook terugkeren naar Curaçao. Echter niet zonder haar andere kind, dat thans bij een pleeggezin woont.

BEVOEGDHEID NEDERLANDSE RECHTER

4. Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling zal het hof, nu gebleken is dat de minderjarigen niet in Nederland verblijven, beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in deze zaak.

5. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is onweersproken vast komen te staan dat de minderjarigen met ingang van 30 mei 2010 hun gewone verblijfplaats in Curaçao hebben.

De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is in deze zaak dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv), waarin wordt bepaald dat de Nederlandse rechter in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht heeft indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel - nu zich een uitzonderlijk geval als bedoeld in voornoemd artikel niet voordoet - dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. Hieruit volgt dat de rechtbank ten tijde van het indienen van het verzoekschrift in eerste aanleg op 28 juni 2010, eveneens geen rechtsmacht had; de minderjarigen hadden op dat moment niet hun gewone verblijfplaats in Nederland.

6. Uit het voorgaande volgt dat het hof niet aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil toekomt. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen en vaststellen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft met betrekking tot de onderhavige procedure.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft met betrekking tot de onderhavige procedure.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Van Leuven en Montfoort, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2011.