Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8571

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
105.002.910-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bouwzaak; gebreken bij verbouwing ; PI na deskundigenbericht; comparitie van partijen gelast in aanwezigheid van deskundige ter bespreking/regling resterende gebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.002.910/01

Rolnummer (oud) : 05/438

Rolnummer rechtbank : 94/4262

Arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 18 januari 2011

inzake

[naam],

wonende te [plaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te ’s-Gravenhage,

tegen

[naam] h.o.d.n. BOUWBEDRIJF [naam],

wonende en zaakdoende te [plaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. W. Sluiter te Leiden.

Het verdere geding

Het hof verwijst naar zijn in deze zaak gewezen tussenarresten van 16 september 2008 en 29 september 2009. De bij het laatste tussenarrest benoemde deskundige heeft op 12 januari 2010 zijn deskundigenbericht en op 10 februari 2010 een “aanvullend deskundigenbericht” ter griffie van het hof gedeponeerd. Vervolgens hebben partijen ieder een memorie na deskundigenbericht genomen en is opnieuw arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In dit geding heeft [geïntimeerde] in conventie betaling gevorderd van de door hem in 1994 verrichte werkzaamheden aan het pand van [appellant] aan het [adres] te [plaats]. [appellant] heeft in reconventie (voorwaardelijk) ontbinding van de aannemingsovereenkomst en schadevergoeding gevorderd, stellende dat [geïntimeerde] in de nakoming van de overeenkomst toerekenbaar is tekortgeschoten.

Nadat [appellant] van een tussenvonnis van de rechtbank in beroep was gekomen, heeft het hof in zijn daarop gewezen arrest van 21 maart 2001 overwogen dat op 6 juli 1994 de (finale) oplevering heeft plaatsgevonden en dat dit feit [appellant] het recht ontneemt te klagen over het door [geïntimeerde] uitgevoerde werk behalve waar het, voor zover thans nog van belang, gebreken betreft die toen wel reeds aanwezig waren maar bij een normaal, met de vereiste zorgvuldigheid verricht, onderzoek niet hadden moeten zijn opgemerkt doch zich eerst later zouden openbaren (“verborgen gebreken”).

Nadat de zaak was terugverwezen naar de rechtbank, heeft de rechtbank in haar eindvonnis aangenomen dat [appellant] zijn stellingen met betrekking tot de door hem gestelde verborgen gebreken niet heeft kunnen onderbouwen en dat [geïntimeerde] niet is tekort geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, tegen welk eindvonnis [appellant] (dit) beroep heeft ingesteld. In dit beroep zijn nog slechts de verborgen gebreken aan de orde.

2. In zijn tussenarresten van 16 september 2008 en 29 september 2009 heeft het hof de door [appellant] gestelde verborgen gebreken besproken. Het hof heeft ten aanzien van twee gestelde gebreken (niet functioneren van de vloerverwarming in de derde hal en de ontbrekende isolatie van de achtergevel) geoordeeld dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en een deskundigenonderzoek gelast naar de herstelnoodzaak en – mogelijkheden en de kosten daarvan. Ten aanzien van zes andere gestelde gebreken heeft het hof een deskundigenonderzoek gelast naar de oorzaak daarvan en, zo nodig, de kosten van herstel. Ten aanzien van de overige gestelde gebreken heeft het hof geoordeeld dat [geïntimeerde] daarvoor niet (meer) aansprakelijk kan worden gehouden.

3. De deskundige heeft zijn rapport op 12 januari 2010 ter griffie van het hof gedeponeerd. Vervolgens heeft mr Duijsens - zonder kopie aan de wederpartij - bij brief d.d. 1 februari 2010 aan de deskundige een brief van de echtgenote van [appellant] d.d. 31 januari 2010 gezonden, waarin commentaar wordt geleverd op het rapport. Bij aan mrs Duijsens en Sluiter gerichte brief van 8 februari 2010 heeft de deskundige zijn reactie d.d. 5 februari 2010 op voormeld commentaar aan partijen doen toekomen. Deze reactie heeft hij ook op 10 februari 2010 ter griffie gedeponeerd. [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze gang van zaken en stelt dat de deskundige door op het commentaar van [appellant] te reageren zonder hem, [geïntimeerde], daarvan op de hoogte te stellen in strijd met de leidraad deskundigen heeft gehandeld. Hij stelt primair dat op grond daarvan het deskundigenbericht niet (mede) als grondslag kan dienen voor het oordeel van het hof. Het hof verwerpt deze stelling. Voormeld verzuim van de deskundige staat aan het gebruik van het deskundigenbericht voor het bewijs niet in de weg. Uit de reactie van de deskundige blijkt dat het commentaar geen reden was zijn oordeel zoals neergelegd in zijn rapport te herzien.

4. Het hof zal hieronder de nog van belangzijnde acht gestelde gebreken puntsgewijs (in dezelfde volgorde als de deskundige en partijen) bespreken, met inachtneming van het deskundigenbericht, voormelde reactie van de deskundige d.d. 5 februari 2010 en de stellingen van partijen, inclusief de (technische) rapporten waarop zij zich beroepen.

[appellant] heeft zich in dit verband onder meer op de volgende rapporten beroepen

- het eerste en tweede rapport van Van den Broeke van 20 maart/13 juni 1995 respectievelijk 12 juli 1996 (producties 3 bij de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie en 9 bij conclusie van repliek in conventie, tevens tot vermeerdering van eis en conclusie van antwoord in reconventie) - hierna: rapport Van den Broeke I en II;

- het rapport van het bedrijfschap Stukadoors -, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf: afbouwbedrijf d.d. 25 juli 1996 (productie 8 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie) - hierna: rapport STS;

- het rapport van PRC Bouwcentrum d.d. 23 december 1996, de brief van PRC Bouwcentrum d.d. 14 januari 1997 en het rapport van PRC Bouwcentrum d.d. 17 maart 1997 (overgelegd als producties 14, 15 en 20 bij de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie) - hierna: rapport Bouwcentrum I, brief Bouwcentrum en rapport Bouwcentrum II.

[geïntimeerde] heeft zich beroepen op

- het rapport van S.A.J. van Velzen van het Adviesburo voor bouwkonstrukties Ouwerkerk B.V. van 30 juli 1996 (productie 18 bij conclusie van repliek in conventie, tevens vermeerdering van eis en conclusie van antwoord in reconventie) - hierna: rapport Van Velzen.

Alvorens over te gaan tot bespreking van de gestelde gebreken merkt het hof op dat [appellant] heeft gesteld zich met de door de deskundige begrote bedragen voor herstel van de gebreken te kunnen verenigen, met uitzondering van de kostenbegroting van herstel van de marmeren/natuurstenen vloer en met dien verstande dat de deskundige geen bedrag heeft opgenomen voor de nevenkosten ten gevolge van het uitvoeren van de werkzaamheden, zoals het uitruimen van huisraad, opslag hiervan en tijdelijke vervangende huisvesting, van welke kosten hij ook vergoeding wenst.

Nu [geïntimeerde] de noodzaak van bedoelde nevenkosten niet heeft betwist, gaat het hof ervan uit dat [appellant] dit soort nevenkosten zal hebben ten gevolge van de uitvoering van de herstelwerkzaamheden. Het hof heeft behoefte aan nadere informatie over de omvang van de gestelde gevorderde kosten, in het bijzonder over de gevorderde kosten van vervangende huisvesting ten bedrage van € 6.400,-- en wenst aan de deskundige de vraag voor te leggen hoe lang de onderhavige herstelwerkzaamheden vermoedelijk in beslag zullen nemen.

4.1. Losgeraakt/losgekrompen stucwerk

De deskundige is van oordeel dat de oorzaak van het loskomen/loskrimpen ter plaatse van buitenmuren en met deze muren verbonden tussenmuren een gevolg is van optrekkend en doorslaand vocht in de muren en op de overige plaatsen een gevolg is van het niet deskundig voorbehandelen van de ondergrond. Voorts is de deskundige van oordeel dat optrekkend vocht voorkomen kan worden door de metselmuren te injecteren en dat [geïntimeerde] daartoe gehouden was nu was overeengekomen dat de buitenmuren zouden worden geïsoleerd. Ten slotte is de deskundige van oordeel dat de totale herstelkosten van het stucwerk inclusief injecteren € 12.495,-- bedragen.

[geïntimeerde] betwist dat het isoleren van de buitenmuren (aan de achterzijde) tot de opgedragen werkzaamheden behoorde. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 16 september 2008 aangenomen dat [geïntimeerde] gehouden was de muren (ook aan de achterzijde) te isoleren. De enkele stelling van [geïntimeerde] in zijn laatste memorie dat de buitenmuren niet zouden worden geïsoleerd is onvoldoende om op dit oordeel terug te komen. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat het niet isoleren (ondanks de vermelding daarvan in de overeenkomst) uitdrukkelijk onderwerp van gesprek is geweest. Zijn bewijsaanbod passeert het hof als onvoldoende geconcretiseerd.

Voorts betwist [geïntimeerde] aansprakelijk te zijn voor de schade aan het stucwerk van het plafond in de (slaap)kamer op de eerste verdieping in het achterhuis en ter plaatse van de hoekkeeper op de zolder van het voorhuis. De eerste schade zou een gevolg zijn van een lekkage bij het aanbrengen van een nieuw dakterras in 2007 door een derde en de tweede schade zou een gevolg zijn van een lekkage van het dak, waaraan hij geen werkzaamheden heeft verricht.

[appellant] heeft nooit gesteld dat sprake was van schade aan het stucwerk van het plafond van voormelde (slaap)kamer en [geïntimeerde] daar ook niet aansprakelijk voor gehouden. Dit geldt ook voor schade aan het stucwerk ter plaatse van de hoekkeeper op zolder. In het rapport Van den Broeke I wordt wel schade vermeld aan stucwerk van de achterkamer op de eerste verdieping, maar dit betreft slechts het stucwerk van de wand van de achtergevel. Nu [appellant] [geïntimeerde] deze door de deskundige geconstateerde schades niet heeft verweten, zal het hof [geïntimeerde] niet tot betaling van de herstelkosten daarvan veroordelen. Wel is [geïntimeerde] gehouden de herstelkosten van de schade aan de wand van de achterkamer op de eerste verdieping te vergoeden. Deze kosten stelt het hof voorshands ex aequo et bono vast op de helft van de door de deskundige bepaalde kosten van herstel van wanden en plafond, derhalve op € 1.480,--. Van het bovenstaande uitgaande dient [geïntimeerde] in totaal een bedrag van € 10.660,--(12.495,-- - (1480,-- + 355,--) te betalen.

4.2. Wateroverlast op het plaatsje door (het systeem van) afvoer van de douche/toilet samen met de hemelwaterafvoer

De deskundige vermeldt in zijn rapport dat [appellant] heeft medegedeeld dat er thans geen sprake (meer) is van wateroverlast en dat beide partijen hebben medegedeeld dat het afvoersysteem (de gezamenlijke afvoer van het water van de douche/toilet en hemelwater) sedert de verbouwing door [geïntimeerde] in 1993/1994 niet is gewijzigd. Op grond daarvan concludeert de deskundige dat geen sprake is van een tekortkoming van [geïntimeerde]. [appellant] heeft dit oordeel van de deskundige niet weersproken. Eerder heeft [appellant] gesteld dat het probleem van de wateroverlast is opgelost door, door een derde uitgevoerde, herstelwerkzaamheden in 1997 voor een bedrag van f. 1.865,50. Uit de factuur betreffende deze reparatie (productie 11 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie) blijkt dat deze werkzaamheden hebben bestaan in het verzwaard aanbrengen van regenafvoerbuizen en het verhogen van de dakopstand. Nu het hof in zijn tussenarrest van 16 september 2008 heeft beslist dat [geïntimeerde] niet gehouden was leidingen te vervangen, niet gesteld of gebleken is dat hij gehouden was werkzaamheden aan de dakopstand te verrichten en partijen geen commentaar hebben geleverd op dit oordeel van de deskundige, gaat ook het hof ervan uit dat de destijds aanwezige wateroverlast niet is veroorzaakt door een tekortkoming van [geïntimeerde] en zal het hof de vordering in zoverre afwijzen.

4.3. Het kraken van de grenen vloer in de woonkamer op de eerste verdieping

De deskundige vermeldt in zijn rapport dat het kraken van de vloer wordt veroorzaakt door de opbouw van de vloerconstructie, in die zin dat bij de aanwezige vloerbalkafstanden een zwaardere (stijvere) ondervloer had moeten worden toegepast, hetgeen hij aanmerkt als een tekortkoming van [geïntimeerde]. In de omschrijving van de opgedragen werkzaamheden is vermeld: (…) “bestaande vloer slopen en vervangen door grenen vloerdelen” en (…) “bestaande balkenlaag vervangen”. Ook op een, kennelijk door [geïntimeerde] gemaakte, tekening van de vloer verdieping is vermeld: “vervangen balken en vloerdelen”. Tenslotte is in de additionele overeenkomst van 24 april 1994 vermeld (pagina 3 onder III, onder g): ondervloer 6,75 m2 aanbrengen van underlayment 20 mm dikte t.b.v. versteviging vloer (afstand h.o.h. binten is te groot)”. Gelet op het bovenstaande gaat het hof ervan uit dat het tot de opgedragen werkzaamheden van [geïntimeerde] behoorde om te zorgen voor een deugdelijke (opbouw van de) vloerconstructie, inclusief een deugdelijke ondervloer. [geïntimeerde] heeft gesteld dat de ondervloer is gelegd nadat circa drie maanden na het sluiten van de aanneem-

overeenkomst was geconstateerd dat delen van de balken waren vergaan en dat daarvoor geen kosten in rekening zijn gebracht. Nu uit de stukken valt af te leiden dat rekening werd gehouden met te vervangen balken en [geïntimeerde] verplicht was een ondervloer aan te leggen, gaat het hof aan deze stelling als onvoldoende onderbouwd voorbij.

De deskundige is van oordeel dat herstel dient plaats te vinden door een nieuwe stijvere/ zwaardere ondervloer aan te brengen en dat de herstelkosten op basis daarvan € 11.900,-- bedragen. [geïntimeerde] betwist dat het noodzakelijk is een nieuwe ondervloer aan te brengen en stelt dat de klachten ook kunnen worden verholpen door het aan elkaar schroeven van de grenen vloer en de ondervloer. In de door [appellant] overgelegde rapporten van Van de Broeke is vermeld dat het kraken is veroorzaakt door het nagelen in plaats van schroeven van de gehele vloer (pagina 5 rapport Van den Broeke I) en dat als herstel de delen moeten worden vastgezet door middel van verdiept schroeven (pagina 5 rapport Van den Broeke II). In het door [appellant] overgelegde rapport Bouwcentrum I is op pagina 8 vermeld dat het kraken ontstaat doordat er beweging optreedt tussen de afwerkvloer en de onderliggende constructievloer doordat beide onderdelen op onvoldoende wijze met elkaar verbonden zijn, danwel onvoldoende van elkaar zijn vrijgehouden en/of doordat er een blijvende spanning tussen afwerk- en constructievloer aanwezig is. In de bij de memorie van grieven overgelegde brief van Bouwbedrijf Paardekooper d.d. 7 september 2004 is vermeld dat de sprake is van een O.B.S vloerplaat van 18 mm dik en dat de grenen vloerdelen zijn gespijkerd op de ondervloer. Dit is ook door de deskundige waargenomen, met dien verstande dat hij stelt dat de grenen vloer gespijkerd en geschroefd op de OBS plaat is aangebracht. Deze bevindingen zijn door [geïntimeerde] niet betwist. Uit voormelde stukken, in onderlinge samenhang gelezen, kan weliswaar worden afgeleid dat de ondervloer (iets) minder dik is dan overeengekomen, maar ook dat de klacht verholpen zou kunnen worden door de grenen vloer en de ondervloer op de juiste wijze (verdiept) aan elkaar te schroeven. Gelet op het bovenstaande wenst het hof aan de deskundige de vraag voor te leggen of het onacceptabel kraken van de vloer ook kan worden verholpen door het (verdiept) aan elkaar schroeven van de grenen vloer en de ondervloer en zo ja wat daarvan de kosten zouden zijn.

4. 4. Vloerverwarming in de derde hal

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in zijn verplichtingen door geen functionerende vloerverwarming te plaatsen. De deskundige heeft de kosten van herstel begroot op € 3.060,--.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat de deskundige op dit item geen commentaar heeft gegeven, omdat de vloerverwarming uitstekend werkt en dat hier geen sprake is van een tekortkoming.

Het hof heeft in zijn tussenarresten beslist dat de vloerverwarming niet functioneerde en heeft de deskundige ook niet gevraagd daarover te oordelen. De deskundige is slechts gevraagd wat de kosten zijn van het aanbrengen van een functionerende vloerverwarming, zodat de deskundige ook alleen op die vraag heeft geantwoord. De stelling dat de deskundige geen commentaar heeft omdat de vloerverwarming uitstekend werkt is dan ook onjuist. Tot aan zijn laatste akte heeft [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd betwist dat de vloerverwarming niet werkte. Aan de enkele stelling in deze laatste akte dat de vloerverwarming uitstekend werkt, gaat het hof als onvoldoende onderbouwd voorbij.

[appellant] heeft in zijn commentaar op het rapport gesteld dat de deskundige een aantal voor het aanbrengen van een functionerende vloerverwarming noodzakelijke werkzaamheden niet in acht heeft genomen. De aan te brengen slangen zouden niet op de bestaande vloerverwarmingsunit kunnen worden aangebracht, zodat een unit bijgebouwd zou moeten worden en bovendien zou de vloer in de gang (tussen de derde hal en de unit) er geheel uit moeten. De deskundige heeft in zijn reactie van 5 februari 2010 gemotiveerd weersproken dat deze extra werkzaamheden nodig zijn omdat het technisch mogelijk is in de derde hal een aansluiting te maken op het slangensysteem, waarna [appellant] niet meer op deze kwestie is ingegaan, terwijl hij bovendien in zijn daaropvolgende memorie heeft gesteld zich met de begroting van de(ze) kosten te kunnen verenigen. Het hof neemt het oordeel van de deskundige dat deze extra werkzaamheden niet nodig zijn over. Voorts heeft [appellant] gesteld dat door de verhoging van de vloer van de derde hal, die het gevolg zal zijn van de werkzaamheden, de deur tussen de derde hal en de gang niet meer geopend kan worden en er dus een nieuwe deur zou moeten worden aangebracht, waarbij hij er op wijst dat sprake is van een monumentaal pand, waaraan niet zomaar iets mag worden veranderd. Ook dit is door de deskundige weersproken. Hij stelt dat het gaat om een beperkte verhoging en het mogelijk moet zijn de deur in te korten, waardoor het monumentale karakter van het pand niet wordt aangetast. Ook hierop is [appellant] vervolgens niet meer teruggekomen, zodat het hof ook op dit punt het oordeel van de deskundige overneemt.

Dit geldt ook voor de door de deskundige begrote, door partijen (overigens) niet betwiste, herstelkosten. Het hof gaat er dan ook van uit dat de kosten van herstel van dit gebrek € 3.060,-- (inclusief BTW) bedragen en dat dit bedrag toewijsbaar is.

4.5 Gescheurde en losliggende tegels van natuurstenen vloer

De deskundige heeft geconstateerd dat in de marmeren vloertegels van de begane grondvloer (in grote mate) grotere en kleinere scheuren voorkomen. De deskundige noemt twee mogelijke oorzaken, namelijk ofwel mindere kwaliteit van de tegels - die door [appellant] zelf zijn gekocht -, ofwel een onvoldoende stijfheid van de ondervloer. Zekerheid kan slechts worden verkregen door destructief onderzoek, aldus de deskundige. [appellant] heeft in zijn memorie na deskundigenbericht gemotiveerd betwist dat de door hem gekochte marmeren tegels van onvoldoende of mindere kwaliteit waren, stellende dat de tegels juist van de hoogste kwaliteit waren en een prijs hadden van rond de fl. 190,-- per m2. Hierop is door [geïntimeerde] niet gereageerd. In de herstelvoorstellen in de rapporten Van den Broeke II en de brief Bouwcentrum wordt uitgegaan van een prijs van tussen de fl. 140,-- en fl. 180,-- voor vervangend marmer. Het hof gaat er dan ook van uit dat geen sprake was van marmer van een mindere kwaliteit. In het rapport Van den Broeke I wordt als mogelijke oorzaak een onjuiste uitvoering van het hele vloerpakket genoemd. In het rapport Bouwcentrum I wordt gesteld dat het scheurenpatroon er op wijst dat in de, door [geïntimeerde] gestorte, beton(onder) vloer zetting heeft plaatsgevonden die niet overal gelijk is, waardoor er spanningen in de vloer zullen optreden, die de marmeren vloer en de gebruikte tussenlaag niet kunnen opvangen. [geïntimeerde] heeft gesteld dat de scheurvorming een gevolg is van het te hoog opstoken van de vloerverwarming onder de vloer kort na het leggen daarvan. Hij beroept zich daarbij op het rapport Van Velzen. [appellant] heeft uitdrukkelijk betwist dat hij de vloerverwarming kort na het leggen van de vloer (te hoog) heeft gestookt. Dat [appellant] dat wel heeft gedaan is dan ook niet komen vast te staan. Nu [geïntimeerde] terzake geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan en de deskundige - die van de stukken en dus ook van voormeld oordeel van [geïntimeerde] over de oorzaak van de schade heeft kennisgenomen - dit niet als mogelijke oorzaak noemt, gaat het hof aan deze stelling van [geïntimeerde] voorbij zonder hem toe te laten tot bewijslevering. Voormelde rapporten Van den Broeke I en Bouwcentrum I mede in aanmerking nemende, volgt het hof de deskundige in zoverre dat het ervan uitgaat dat de oorzaak van de scheurvorming en losliggende vloertegels gelegen is in de constructie van de ondervloer in combinatie met de marmeren dekvloer. Dit brengt mee dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade en in het midden kan blijven of de legger van de marmeren tegels al dan niet door [appellant] was voorgeschreven.

De deskundige heeft het herstel van de kapotte tegels begroot op € 3.350,-- . De kosten voor het vervangen van de ondervloer heeft de deskundige niet begroot, omdat voor hem niet vaststond dat de betonnen ondervloer de oorzaak van de scheurvorming was. [appellant] stelt in zijn memorie na deskundigenbericht dat ook de onderconstructie vervangen zou moeten worden en wenst een nader onderzoek naar de onderconstructie. Het hof vraagt zich echter af of dit nodig is nu ook de door [appellant] ingeschakelde deskundigen, Van de Broeke (in rapport II op pagina 6) en Bouwcentrum (in haar rapport op pagina 9 en in haar brief) er in beginsel van uitgaan dat kan worden volstaan met herstel van de marmeren dekvloer, waarbij (onder meer) de kapotte tegels worden vervangen. Bouwcentrum stelt dat de vloer ook opnieuw zou moeten worden aangebracht in een flexibele lijm. Het hof heeft behoefte aan voorlichting door de deskundige over de vraag of de marmeren vloeren afdoende en blijvend kunnen worden hersteld door slechts de marmeren dekvloeren te herstellen met vervanging van de kapotte tegels en zo ja op welke wijze dit herstel moet plaatsvinden en wat de kosten daarvan zijn en zo neen wat de herstelkosten zouden zijn indien ook de onderconstructie moet worden vervangen.

4.6 Het herhaaldelijk loslaten van het kitwerk rond het bad op de begane grond

De deskundige is van oordeel dat het telkens loslaten van de kitrand langs het bad wordt veroorzaakt doordat het kunststoffen bad vervormt bij het geheel vullen met warm water en de vervormingen die bij de randen optreden te groot zijn om met een kitrand op te vangen en dat een deskundig aannemer voldoende ondersteuning onder het bad had moeten aanbrengen. [geïntimeerde] betwist thans voor het eerst in de memorie na deskundigenbericht dat kitranden hebben losgelaten. Nu hij dat eerder niet heeft betwist en de eigen deskundige van [geïntimeerde], Van Velzen (op pagina 12 van zijn rapport) stelt dat de kitrand moet worden vervangen, gaat het hof aan deze betwisting in deze fase van de procedure als onvoldoende onderbouwd voorbij. Het oordeel van de deskundige over de oorzaak van het telkens loslaten van de kitrand heeft [geïntimeerde] niet gemotiveerd bestreden. Zijn enkele stelling dat het bad op een verhoogde constructie staat is daartoe onvoldoende. Het hof neemt het oordeel van de deskundige dan ook over. Dit geldt ook voor de door de deskundige bepaalde, door partijen niet betwiste, herstelkosten ten bedrage van € 1.280,-- (inclusief BTW), welk bedrag voor toewijzing in aanmerking komt.

4.7 De constructie van de douches op de eerste en tweede verdieping

De deskundige is ten aanzien van de douche op de eerste verdieping van oordeel dat de constructie achter het wandtegelwerk voldoet en dat de constructie onder de douche te licht is uitgevoerd, nu deze doorbuigt, waardoor aansluitingen open gaan staan en lekkage kan optreden. Hij acht herstel daarvan nodig en begroot de kosten daarvan op € 1.755,-- (inclusief BTW). Over de douche op de tweede verdieping heeft hij geen oordeel gegeven, omdat die inmiddels is vernieuwd en thans geen herstel behoeft. Daardoor was het voor de deskundige niet meer mogelijk op basis van inspectie daarvan vast te stellen hoe deze destijds was aangebracht door [geïntimeerde]. [appellant] is niet ingegaan op de oordelen van de deskundige over de douche op de eerste verdieping, maar wenst ook vergoeding van de reeds door hem gemaakte herstelkosten van de douche op de tweede verdieping. [geïntimeerde] stelt dat de deskundige niet heeft kunnen vaststellen hoe de constructie onder de douche was en dus ook geen oordeel daarover heeft kunnen geven. Dit is niet juist ten aanzien van de douche op de eerste verdieping. Voorts stelt [geïntimeerde] dat [appellant] op de eerste verdieping een (te) hoge douchebak wenste en daar kennelijk later niet tevreden mee was en deze heeft vervangen. Uit het deskundigenbericht blijkt juist dat de douche op de eerste verdieping niet is vervangen. Nu bovendien niet gesteld of gebleken is dat de hoge douchebak de oorzaak was van de (lekkage)problemen en/of beperkingen voor de onderbouwing daarvan meebracht, gaat het hof aan deze verweren van [geïntimeerde] als niet relevant voorbij. Het hof neemt dan ook het oordeel van de deskundige over de douche op de eerste verdieping over en is van oordeel dat ter zake een bedrag van € 1.755,-- (inclusief BTW) toewijsbaar is.

De deskundige heeft geen oordeel gegeven over de douche op de tweede verdieping omdat deze inmiddels (in 2007 begrijpt het hof) is vervangen. In het rapport Bouwcentrum II wordt ernstige kritiek geleverd op de constructies achter de tegelwand en onder deze douche. Hieruit blijkt ook dat er foto’s zijn gemaakt tijdens eerdere herstelwerkzaamheden. Ook beschikt [appellant] kennelijk nog over verrot hout van de constructie. Tenslotte heeft de deskundige ernstige lekkage sporen geconstateerd in de hal voor de deur van de douchecel. Gelet hierop acht het hof voorshands aannemelijk dat ook de constructie van deze douche niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed. Het hof wenst - zo mogelijk - een oordeel van de deskundige hierover aan de hand van voormelde foto’s en waarnemingen. Daarbij kan tevens de factuur van het bedrijf dat de douche in 2007 heeft hersteld, Jobo, behulpzaam zijn. Deze wordt wel genoemd in het commentaar van (de echtgenote van) [appellant] als aangehecht, maar is niet aangehecht.

4.8. Isoleren van de achtergevel van de woonkamer op de eerste verdieping door voorzetwand van gasbetonblokken

Het hof heeft in zijn tussenarresten aangenomen dat [geïntimeerde] in de nakoming van zijn verplichtingen is tekortgeschoten door de muur aan de achterzijde van de binnengevel niet te isoleren. Het hof heeft de deskundige gevraagd aan te geven in hoeverre de tegen een deel van die muur aan de achterzijde (naar het hof uit het deskundigenbericht begrijpt: in de woonkamer op de eerste verdieping in het voorhuis (voor het overige is de ontbrekende isolatie aan de orde onder punt 4.1)) geplaatste voorzetwand van gasbetonblokken een gelijkwaardig alternatief is voor de overeengekomen isolatie en/of herstel nodig en mogelijk is en zo ja, wat de kosten daarvan zijn.

De deskundige heeft hierop geantwoord dat de voorzetwand van gasbetonblokken geen gelijkwaardig alternatief is voor de volgens het Bouwbesluit 1993 vereiste isolatiewaarde, dat herstel nodig en mogelijk is door het verwijderen van de aanwezige voorzetwand en het aanbrengen van een nieuwe voorzetwand, die wel voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit en dat de kosten daarvan in totaal € 1.730,-- (inclusief BTW) bedragen.

[appellant] heeft de juistheid van het oordeel van de deskundige niet betwist.

[geïntimeerde] stelt bij zijn memorie na deskundigenbericht (voor het eerst) dat de thans aanwezige constructie met medeweten en toestemming van [appellant] is geplaatst en een andere constructie voor hem niet acceptabel was. Nu [geïntimeerde] dit verweer niet eerder heeft gevoerd (maar steeds stelde dat niet overeengekomen was de achterzijde te isoleren) en [appellant] (bij pleidooi in hoger beroep van 15 mei 2006, punt 40) heeft gesteld dat hem pas bleek dat niet was geïsoleerd toen het stucwerk van de muren viel en dat voorzetwanden van gas(beton)blokken hem niets zeggen, gaat het hof aan de stelling van [geïntimeerde], dat deze wijze van isoleren met [appellant] is overeengekomen, als onvoldoende onderbouwd en bovendien tardief, voorbij. Het hof neemt het oordeel van de deskundige op dit punt over en gaat ervan uit dat ter zake een bedrag van € 1.730,-- (inclusief BTW) verschuldigd is.

5. Uit het bovenstaande blijkt dat het hof (voorshands) van oordeel is dat [appellant] ten gevolge van verborgen gebreken schade heeft geleden ten bedrage van € (10.660,-- + 3.060,-- + 1.280,-- + 1.755,-- + 1.730,-- =) 18.485,--, te vermeerderen met de nog vast te stellen nevenkosten, kosten van het herstel van de grenen (woonkamer)vloer en de marmeren/natuurstenen vloeren (waarvoor de deskundige in totaal een bedrag van € 15.250,-- (11.900,-- + 3.350,--) heeft begroot) en van de douche op de tweede verdieping.

Uit het bovenstaande blijkt voorts dat het hof behoefte heeft aan nadere toelichting en aanvulling door de deskundige op zijn rapport over de vermoedelijke duur van de herstelwerkzaamheden en de hiervoor in rechtsoverwegingen 4.3, 4.5 en 4.7 genoemde punten. Gelet op de voortgang van de zaak, zal het hof gelasten dat deze toelichting/aanvulling mondeling wordt gegeven.

Voorts heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen over de nevenkosten, genoemd in de laatste alinea van rechtsoverweging 3. Het hof zal daartoe en comparitie van partijen gelasten die tegelijkertijd zal plaatsvinden met het horen van de deskundige en die tevens zal dienen om te bezien of na het horen van de deskundige en met inachtneming van het bepaalde in dit arrest, een minnelijke regeling kan worden bereikt. [appellant] dient de foto’s en de factuur, genoemd in rechtsoverweging 4.7, aan de raadsheer-commissaris, de wederpartij en de deskundige te doen toekomen.

Beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen,

beveelt partijen, vergezeld van hun advocaten, voor het verstrekken van inlichtingen, het beproeven van een minnelijke regeling en het horen van de deskundige te verschijnen voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. A.D. Kiers-Becking in het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te Den Haag op dinsdag 1 maart 2011 om 10.00 uur;

bepaalt dat, indien een der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van verhinderdata van beide partijen in de maanden maart tot juni 2011, opgeeft verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris een nadere datum en tijdstip voor de comparitie zal vaststellen;

beveelt dat de deskundige:

R.J. Budding, architect AvB/BNA

f2B architecten bna/bni

Postbus 18150.

1001 ZB Amsterdam

Budding@f2b.nl Tel: 020 6272539

een nadere mondelinge toelichting en aanvulling zal geven op zijn voormelde rapport voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. A.D. Kiers-Becking in het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te Den Haag op dinsdag 1 maart 2011 om 10.00 uur;

bepaalt dat [appellant] voor 15 februari 2011

- het procesdossier aan de deskundige ter hand zal stellen;

- de foto’s en de factuur, genoemd in rechtsoverweging 4.7, aan de raadsheer-commissaris, de wederpartij en de deskundige zal doen toekomen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest zal zenden aan de deskundige.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D. Kiers-Becking, G.J. Heevel en D. den Hertog; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.