Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8234

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
105.007.775-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX5638, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5638
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring schadevergoedingsvordering na strafrechtelijk optreden; schadevergoeding wegens schending redelijke termijn van art. 6 EVRM (dreiging van) strafvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2011/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.007.775/01

Rolnummer (oud) : 08/365

Rolnummer rechtbank : 300634 HA ZA 08-365

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 22 februari 2011

inzake

1. [appellant 1],

wonende te [X], [woonland],

2. [appellant 2],

gevestigd te [X], [vestigingsland],

3. [appellant 3],

wonende te [X], [woonland],

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3]

en tezamen: [appellanten],

advocaat: mr. C.J. Knoops-Hamburger te Amsterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 6 maart 2008 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 6 februari 2008. Bij memorie van grieven (met producties) hebben [appellanten] negentien grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de Staat de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen op 10 januari 2011 de zaak doen bepleiten, [appellanten] door mr. C.J. Knoops-Hamburger, advocaat te Amsterdam, en de Staat door mr. A.Th.M. ten Broeke, advocaat te 's-Gravenhage, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ter gelegenheid van het pleidooi hebben [appellanten] producties overgelegd. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 De door de rechtbank in het vonnis van 6 februari 2008 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

Tussen partijen staat onder meer en kort gezegd het volgende vast.

1.2 [appellant 1] was directeur-grootaandeelhouder van het op 11 januari 1995 failliet gegane bedrijf [BV A] (hierna: [BV A]) en van [appellant 2]. Hij heeft zich in het kader van die hoedanigheid vanaf circa 1988 bezig gehouden met bemiddeling bij diverse transacties verband houdende met beleggingen in onroerend goed in met name Canada en de USA.

1.3 Naar aanleiding van aangiften wegens oplichting en valsheid in geschrift is het Openbaar Ministerie in Nederland in oktober 1996 een gerechtelijk vooronderzoek tegen [appellant 1] begonnen. Op 2 oktober 1997 heeft de officier van justitie een aanhoudingsbevel doen uitgaan en per 22 januari 1998 werd [appellant 1] internationaal gesignaleerd.

1.4 Op 18 maart 1998 is [appellant 1] in de USA door de Amerikaanse autoriteiten aangehouden en gedetineerd.

1.5 Op 29 maart 1998 is hij overgedragen aan de Nederlandse politie en vervolgens is hij in Nederland in verzekering en bewaring gesteld op verdenking van 1) feitelijk leiding geven aan oplichting door [BV A] dan wel verduistering, 2) feitelijk leiding geven aan oplichting van ABN-Amrobank, 3) bedrieglijke bankbreuk in het faillissement van [BV A] en 4) feitelijk leiding geven aan de onttrekking van goederen aan rechthebbenden.

1.6 De voorlopige hechtenis is op 15 oktober 1998 beëindigd.

1.7 De tenlastelegging verwoord in de dagvaarding van april 1998 kwam overeen met de verdenking zoals die was neergelegd in de vordering tot inbewaringstelling. De officier van justitie heeft op 12 april 2001 de tenlastelegging gewijzigd in die zin dat de als feiten 1 en 4 opgenomen verwijten zijn vervallen.

1.8 Bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te Amsterdam d.d. 7 februari 2002 is [appellant 1] vrijgesproken van het ten laste gelegde feit 2 en is de tenlastelegging nietig verklaard voor het resterende feit 3.

1.9 Op 23 april 2002 heeft [appellant 1] een verzoek tot schadevergoeding wegens ondergane voorlopige hechtenis op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bij de rechtbank te Amsterdam ingediend. Op 23 april 2002 heeft hij tevens een verzoek tot vergoeding van gemaakte kosten op grond van artikelen 591 en 591a Sv bij de rechtbank te Amsterdam ingediend. De behandeling van deze verzoekschriften heeft de rechtbank uitgesteld, omdat een artikel 12 Sv beklagprocedure aanhangig was. Nadat het gerechtshof in Amsterdam het verzoek op basis van artikel 12 Sv had afgewezen, zijn de verzoekschriften op 15 april 2004 in raadkamer behandeld. Op 16 september 2004 heeft de rechtbank aan [appellant 1] vergoedingen van € 96.265,20 ex artikel 89 Sv en € 131.676,18 ex artikel 591/591a Sv toegekend. Dit was minder dan verzocht. Het meerdere heeft de rechtbank afgewezen.

1.10 Bij brief van 1 augustus 2005 heeft [appellant 1] de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden door de strafrechtelijke procedure.

2.1 Op 11 januari 2006 hebben [appellanten] de Staat gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank de Staat op grond van onrechtmatige daad veroordeelt om te betalen aan [appellant 1] € 14.778.683,93 wegens materiële schade en € 400.000,- wegens immateriële schade, aan [appellant 2] € 11.447.608,- wegens bedrijf- en omzetderving (voor zover dit niet aan [appellant 1] wordt toegekend) en aan [appellant 3] € 549.205,- wegens inkomstenderving (voor zover dit niet aan [appellant 1] wordt toegekend) en € 50.000,- wegens immateriële schade, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente. Zij hebben aan hun vordering onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd, wegens een reeks van handelingen, die kort- zijn weergegeven in het vonnis onder nummers 1 t/m 48 en die neerkomen op:

a) gebruik en toepassing van dwangmiddelen en daarmee samenhangende en daaruit voortvloeiende feiten en omstandigheden (onder meer: aanhouding in de VS, detentie en geen schorsing daarvan, uitleveringsverzoek);

b) gedragingen in verband met het onderzoek maar die geen deel van het onderzoek uitmaken (schrijven aan zakenrelaties, uitlaten tegenover de pers, onjuist vertalen, aansporen tot indienen van klaagschriften en traag behandelen daarvan bij het hof);

c) het voortduren van de strafvervolging en de wijze waarop daaraan inhoud is gegeven (omgang met aangiften en verhoorde personen, inhoud van verhoren, nalaten van onderzoek, e.d.).

2.2 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, voor het merendeel omdat de vorderingen zijn verjaard (artikel 3:310 BW). [appellanten] waren volgens de rechtbank bekend met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon toen [appellant 1] in voorlopige hechtenis zat. De verjaring is volgens de rechtbank niet gestuit door de brieven uit 1998 of door de indiening van het verzoekschrift ex artikel 89 Sv of anderszins. De rechtbank is er van uitgegaan dat de eerste stuitinghandelingen hebben plaatsgevonden door [appellant 1] op 1 augustus 2005 (de brief genoemd onder 1.10) en door [appellant 2] en [appellant 3] op 11 januari 2006 (de dagvaarding in deze zaak), zodat de vorderingen uit een onrechtmatige daad ontstaan vóór 1 augustus 2000 ([appellant 1]) respectievelijk 11 januari 2001 ([appellant 2] en [appellant 3]) zijn verjaard. De rechtbank overwoog mede dat als aan het verzoekschrift ex artikel 89 Sv van 23 april 2002 stuitende werking zou toekomen, dit een stuiting is door het instellen van een eis als bedoeld in artikel 3:316 BW zodat de verjaring op grond van artikel 3:316, tweede lid, BW slechts gestuit was, indien [appellant 1] de onderhavige vorderingen had ingesteld binnen zes maanden nadat de uitspraak van 16 september 2004 kracht van gewijsde had gekregen.

Ten aanzien van een deel van de vorderingen achtte de rechtbank onvoldoende gesteld om een onrechtmatige daad of daaruit voortvloeiende schade aan te kunnen nemen. Voorts overwoog de rechtbank dat onvoldoende was gesteld om vast te stellen dat het voortduren van de strafvervolging na 1 augustus 2000 tot nieuwe inkomens-, pensioen- en bedrijfsschade en omzetderving heeft geleid (naast de vóór 1 augustus 2000 reeds aangerichte schade). Verder overwoog de rechtbank dat de advocaatkosten ofwel reeds zijn vergoed in het kader van de procedure ex artikel 591/591a Sv, ofwel vóór 1 augustus 2000 zijn gemaakt (en dus verjaard), ofwel kosten zijn waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden.

De immateriële schade van [appellant 1], de vordering van [appellant 3] en de vordering tot vergoeding van schade in eer en goede naam achtte de rechtbank deels vergoed op grond van 89 Sv en, voor zover dat niet het geval is, verjaard. De rechtbank oordeelde het beroep op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

2.3 [appellanten] zijn tijdig van het vonnis in hoger beroep gekomen.

3. Met hun grieven I, II, III, IV, VI, VII, VIII, X (gedeeltelijk), XI, XV, XVI en XVII richten zij zich met diverse klachten tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] in 1998 met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden. Deze grieven zullen hierna gezamenlijk worden besproken onder aanvang verjaringstermijn. Vervolgens komen onder stuiting aan de orde grief IX, die zich richt tegen het oordeel dat er niet eerder dan 1 augustus 2005 en 11 januari 2006 stuitinghandelingen hebben plaatsgevonden, en grief XIX. Daarna zal het hof onder verdere grieven, de grieven V, X (gedeeltelijk), XII, XIII en XIV behandelen. Ten slotte zal het hof onder redelijke termijn grief XVIII bespreken, die zich richt tegen de overweging dat de omstandigheid dat [appellant 1] het wachten op de afwikkeling van de strafzaak als zeer onaangenaam heeft ervaren, geen nadeel is als bedoeld in artikel 6:106 BW.

Aanvang verjaringstermijn

4. De rechtbank heeft overwogen dat de toepassing van de dwangmiddelen en de daaruit voortvloeiende dan wel daarmee samenhangende gestelde feiten en omstandigheden (waaronder die rond het uitleveringsverzoek) alle plaatsvonden vóór 15 oktober 1998.

[appellanten] hebben betoogd dat de rechtbank er daarbij aan voorbij is gegaan dat de vorderingen niet beperkt zijn tot enkel toepassing van dwangmiddelen. Dit betoog treft geen doel. De rechtbank heeft met haar overweging alleen geoordeeld over verwijten met betrekking tot de dwangmiddelen. De overige verwijten heeft de rechtbank eveneens, maar afzonderlijk, behandeld.

5.1 [appellanten] hebben voorts aangevoerd dat de rechtbank over het hoofd heeft gezien dat de vijfjaren termijn pas aanvangt als de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van zijn schade in te stellen en dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat [appellanten] al bij de toepassing van de dwangmiddelen op de hoogte waren van de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Volgens [appellanten] was dit pas op het moment van het onherroepelijk worden van het vonnis op 21 februari 2002. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

5.2 Op grond van de wet en vaste jurisprudentie is het onder het huidige recht niet zo dat een benadeelde tot het einde van de strafzaak moet wachten wanneer hij aan een vordering uit onrechtmatige daad tegen de Staat ten grondslag legt dat er dwangmiddelen in strijd met de wet, dan wel met omissies, dan wel met veronachtzaming van fundamentele rechten zijn toegepast. De onrechtmatigheid van het gebruik van dwangmiddelen, daaruit voortvloeiende schade en de aansprakelijke persoon blijken immers niet door de afloop van de strafzaak. Wel is juist dat de rechter slechts mag aannemen dat een verdenking ten onrechte heeft bestaan, indien zulks blijkt uit het strafvorderlijk onderzoek. De benadeelde kan de vordering op grond van een onterechte daad van strafvervolging echter direct bij het bekend worden van de daad en de schade instellen of ter stuiting meedelen, dus al tijdens het strafvorderlijk onderzoek. Hierbij geldt dat de verdachte zelf kan beoordelen of hij het feit waarvan hij wordt verdacht heeft begaan of niet en op basis van die wetenschap besluiten een vordering in te stellen of tot behoud van het recht daartoe de verjaring te stuiten. In de onderhavige strafzaak kon [appellant 1] vóór 21 februari 2002, en ook vóór 1 augustus 2000, bepalen of hij onschuldig was. Zijn onschuld is niet pas door het strafvonnis van 7 februari 2002 bepaald.

5.3 [appellant 2] en [appellant 3] hebben gesteld dat voor hen de verjaringstermijn pas op het moment van onherroepelijk worden van het strafvonnis ging lopen, omdat zij niet wisten dat [appellant 1] de hem verweten feiten niet had gepleegd. Zij brengen daartoe naar voren dat zij geen onderdeel van het strafvorderlijk onderzoek vormden en daar dus geen kennis van droegen (grieven VIII en X).

Het hof overweegt dienaangaande dat [appellant 2] en [appellant 3] geen kennis van de inhoud van het strafvorderlijk onderzoek hoefden te hebben voor het instellen van hun vorderingen of voor het doen van een mededeling aan de Staat dat zij alle rechten voorbehouden. Hun vorderingen baseren zij op de jegens [appellant 1] verrichte daden (de dwangmiddelen en andere handelingen en nalatigheden rond diens strafzaak). Dat de Staat strafrechtelijke dwangmiddelen jegens [appellant 1] gebruikte waardoor zij schade leden, wisten zij zonder inhoudelijke kennis van het onderzoek. Zij wisten ook dat [appellant 1] zichzelf toen onschuldig achtte. [appellant 2] wist dat omdat [appellant 1] haar directeur grootaandeelhouder was. [appellant 3] wist dat omdat zij als echtgenote de houding van [appellant 1] tot de strafzaak kende. [appellanten] hebben geen feiten of omstandigheden gesteld die er op wijzen dat [appellant 2] en [appellant 3] met het standpunt van [appellant 1] over zijn zaak tot op het moment van onherroepelijk worden van het strafvonnis geen rekening hoefden te houden. Er zijn hen ook geen mededelingen gedaan op grond waarvan zij tot aan dat vonnis mochten aannemen dat uit het strafvorderlijk onderzoek niet de onrechtmatigheid van het handelen van de Staat kon blijken.

5.4 [appellanten] hebben aangevoerd dat pas tijdens de eindzitting bleek dat het onderzoek in feite alleen in het teken had gestaan van de Canadese Unit-zaken, die door het openbaar ministerie in januari 2001 van de aanklacht waren geschrapt, zodat [appellant 1] pas toen een moment had voor de bepaling van de schade en de boordeling van de onderliggende verdenking.

Het hof volgt [appellanten] niet. De aanklachten waarop de strafvervolging gegrond was waren bekend en, zoals hierna wordt overwogen, ook daaruit voortvloeiende schade. De stelling dat later bleek dat het onderzoek alleen in het teken van geschrapte aanklachten stond, kan, ook als deze stelling juist is, daaraan niet afdoen.

5.5 Het bij de eerste grief (nr. 28) door [appellanten] aangevoerde “billijkheidsargument” gaat niet op, omdat de stuitinghandeling kan plaatsvinden zowel tijdens een strafvervolging die lang duurt als tijdens een strafvervolging die kort duurt, terwijl niets er op wijst dat stuitingen van vijfjarige termijnen tot ontwrichting van enig systeem leiden.

6.1 [appellanten] hebben betoogd dat de verjaringstermijn niet is gaan lopen omdat zij hun schade niet kenden. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

6.2 Zoals de rechtbank heeft overwogen houdt een groot deel van de schade die [appellanten] vorderen samen met het niet doorgaan van zakelijke transacties. Daardoor verloren [appellanten] omzet, orders, bedrijfskapitaal, zakelijke contacten, (ander) inkomen en pensioenrechten, zo stellen zij.

6.3 Ter zake van de bedrijfsschade en omzetderving hebben [appellanten] zelf aangevoerd dat zij zijn veroorzaakt door de aanhouding van [appellant 1] en de lange duur van zijn voorlopige hechtenis. Zij hebben gesteld dat ten gevolge van zijn afwezigheid en de beschadiging daardoor van zijn functie projecten (zoals onder andere Thompson Park Mall, Harbour Shopping Centre en Youbou) geen doorgang konden vinden, waardoor de bedrijfsschade en omzetderving de gevorderde € 11.447.608,- beloopt. De gevorderde schade betreft dus daden (aanhouden en detineren) uit 1998.

6.4 Ter zake van de gestelde inkomsten- en pensioenderving geldt eveneens dat deze reeds werd geleden toen [appellant 1] in voorlopige hechtenis werd genomen. [appellanten] stellen zelf, dat [appellant 1] doordat hij werd vervolgd zo beschadigd raakte dat hij nooit meer hetzelfde werk kon doen en ook geen (althans minder) gebruik kon gaan maken van ‘income splitting’ waardoor ook zijn bedrijf, [appellant 2], niet kon functioneren en [appellant 3] inkomstenderving had. Uit de door [appellanten] overgelegde schaderapportage van 30 december 2005 van M. Szekely blijkt eveneens dat de inkomensverliezen vanaf 1998 intraden. Op het moment van aanhouding en voorlopige hechtenis verloor [appellant 1] zijn inkomen en de tot dan toe bestaande mogelijkheden om inkomen te verwerven.

6.5 Dat deze schade geleden werd, was aan [appellanten] al in 1998, althans tijdens en kort na de detentie van [appellant 1], bekend. [appellant 1] wist toen dat hij de werkzaamheden tijdens de detentie niet kon doen en dat contacten door de strafvervolging verloren gingen. Reeds toen waren [appellant 1]s zakelijke contacten afgesneden en lagen zijn werkzaamheden stil. [appellant 1] was degene die als directeur-grootaandeelhouder de zaken voor [appellant 2] deed. Hij was ook degene die als echtgenoot voor [appellant 3] het gezinsinkomen binnenbracht. Daarom was het ook voor [appellant 2] en [appellant 3] al tijdens de detentie van [appellant 1], althans kort daarna – bij zijn terugkomst in Canada – duidelijk dat zij verlies aan inkomen, omzet, orders, bedrijfskapitaal en zakelijke contacten leden. Het hof kan er niet (zonder daartoe onderbouwde stellingen, die er niet zijn) vanuit gaan dat het verlies aan inkomen, omzet, orders, bedrijfskapitaal en zakelijke contacten al die tijd (en tot 1 augustus 2000 respectievelijk 11 januari 2001) aan [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] en [appellant 3] voorbij is gegaan. Het hof kan ook niet uitgaan van de juistheid van het betoog van [appellanten] – dat het hof afleidt uit hun verwijzing naar arresten van de Hoge Raad, waaronder dat van 24 januari 2003 (LJN: AF0694, NJ 2003/300) – dat zij niet wisten maar enkel konden vermoeden dat de detentie van [appellant 1] de oorzaak van hun verliezen was; zij wisten immers dat [appellant 1] degene was die voor hun vermogen en inkomsten zorgde.

6.6 Aan de aanvang van de verjaringstermijn kan niet afdoen dat [appellanten] niet wisten tot welk deel van het kapitaal en inkomen en tot welke hoogte de schade zou reiken en dat dit pas later inzichtelijk werd. Kennis van alle componenten van de schade of de gehele omvang daarvan is niet bepalend voor het aanvangen van de verjaringstermijn. Bij derving van inkomsten en bij andere voortdurende (doorlopende) schade, is de datum waarop bekend wordt dat dergelijke schade uit de onrechtmatige daad wordt geleden de datum waarop de verjaringstermijn gaat lopen.

6.7 Het voorgaande betekent dat de vorderingen ter zake van het verlies aan inkomen, omzet, orders, bedrijfskapitaal, zakelijke contacten en (ander) inkomen en pensioen ontstonden ten tijde van de jegens [appellant 1] toegepaste dwangmiddelen en dat de verjaringstermijnen van deze vorderingen in 1998, althans (ruim) vóór 1 augustus 2000, respectievelijk 11 januari 2001, zijn gaan lopen.

7.1 Hetzelfde geldt voor de aanvang van de verjaringstermijnen ter zake van de vorderingen wegens schades die voortvloeien uit of verergerd zijn door de fysieke gevolgen van de detentie voor [appellant 1] (gekneusde pols en/of gevoelloze duim en muis, knieblessure, gehoorbeschadiging, oogprobleem, trombose, rugprobleem en diabetes).

Volgens [appellanten] zijn deze schades veroorzaakt tijdens en door de (wijze van) toepassing van de dwangmiddelen in 1998. Reeds toen openbaarde elk gesteld lichamelijk letsel zich door klachten. Dit blijkt eveneens uit de door [appellanten] overgelegde medische rapportages van C.E. Williams van 29 april 2002.

7.2 Ook de verjaringstermijnen van de vorderingen wegens het psychisch letsel van [appellant 1] en [appellant 3] zijn vóór 1 augustus 2000 respectievelijk 11 januari 2001 gaan lopen. Immers, uit hun stellingen volgt dat de zorgen en de stress van zowel [appellant 1] zelf als zijn gezinsleden al enorm waren bij de arrestatie en tijdens de moeilijke periode van de detentie met de afwezigheid van [appellant 1] (en van inkomen). [appellant 1] en zijn gezinsleden liepen reeds in 1998 het psychische letsel op. Zij lieten zich daarvoor toen onderzoeken en (voor zover mogelijk) behandelen. Dit blijkt uit hetgeen partijen hebben gesteld en de daarbij overgelegde medische rapportages van C.E. Williams van 29 april 2002, J.J. van Norden van 7 juni 1998 en 5 januari 2000, M. Baghbannazary van 24 november 1999, H.J. van Norden van 29 april 1998, D. Kirkpatrick van 11 december 2000 en J.R. Schallow van 1 april 2002 en de ‘affidavits’ van [appellant 1] en van zijn dochter [naam dochter]. Het psychisch letsel is dus vóór 1 augustus 2000, respectievelijk 11 januari 2001 veroorzaakt en aan [appellanten] geopenbaard.

8.1 Met grief III bestrijden [appellanten] het oordeel van de rechtbank dat de verjaringstermijn van vorderingen op grond van het schrijven aan de in het bedrijfsbestand opgenomen relaties in opdracht van de officier van justitie dat [appellant 1] zich schuldig heeft gemaakt aan “frauduleuze malversaties” (brief van 23 februari 1998 van R.H. Romeijn) is gaan lopen op het moment van het versturen van de brief aan de zakenrelaties.

8.2 Deze grief treft geen doel. Het hof kan, met [appellanten], aannemen dat [appellanten] niet op het moment van sturen van de brief direct daarvan op de hoogte raakten. Echter, zij waren dat wel spoedig daarna, althans vóór 1 augustus 2000. De brief is in de bijlage bij het proces-verbaal van relaas van 1 april 1998 opgenomen in het strafdossier met de vermelding dat de brief aan 206 bedrijven en personen is gestuurd, zodat de brief en het versturen daarvan (in elk geval) toen via het strafdossier bekend werden. [appellanten] hebben gesteld dat het schrijven de situatie van stilstand in bedrijfsmatig handelen van einde van 1997 versterkte en het definitief einde aan de zakelijke mogelijkheden voor [appellanten] vormde. De bedrijfsmatige effecten van het schrijven waren dus ook bekend. Een en ander betekent dat [appellanten] vóór 1 augustus 2000 bekend waren met zowel het schrijven (de daad en de aansprakelijke persoon) als met van de gevolgen daarvan (de schade).

9. Zoals de rechtbank heeft overwogen, geldt mutatis mutandis hetzelfde voor wat betreft eventuele door de Staat gedane uitlatingen tegen de pers. Uit de stukken kan alleen blijken van berichtgeving in 1997 en 1998, dus vóór 1 augustus 2000. De zaken stonden toen (al) stil en de schade daardoor was bekend. Grief IV faalt dus eveneens.

10.1 De strafvervolging heeft na het einde van de voorlopige hechtenis voortgeduurd tot 2002. Behoudens het navolgende onder 10.2 en 10.3 en hetgeen onder ‘redelijke termijn’ wordt weergegeven, hebben [appellanten] geen door de Staat na afloop van de voorlopige hechtenis en tijdens de strafvervolging gepleegde onrechtmatige daden gesteld, waaruit nieuwe, andere schade ontstond, dan die welke het gevolg is van de verdenkingen en de detentie. Ook ter zake van de schade in eer en goede naam zijn geen zich na 1998 voordoende feiten gesteld.

10.2 Wel hebben [appellanten] in hun toelichting op grieven XI en XVII en bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat de internationale signalering van [appellant 1] niet na afloop van de strafzaak is verwijderd. Hun vorderingen zien echter niet op hieruit voortgevloeide schade. Bij pleidooi in hoger beroep is dit laatste uitdrukkelijk naar voren gebracht. Dit onderdeel van de grieven treft dus geen doel.

10.3 [appellanten] hebben voorts aangevoerd dat de officier van justitie De Graaf en de heer Romeijn voor onderzoek naar San Diego en in 2001 naar Toronto zijn afgereisd en mensen hebben benaderd met vragen, welke mensen niet meer wensten samen te werken met [appellanten] [appellanten] hebben echter niets gesteld op grond waarvan kan worden vastgesteld dat deze mensen ten gevolge van benadering in San Diego en/of Toronto hun contacten met [appellanten] hebben beëindigd. Dit had wel op hun weg gelegen in het licht van hun stellingen dat de zakelijke contacten al waren beëindigd door de aanhouding en de lange duur van de voorlopige hechtenis en dat het schrijven van februari 1998 het definitief einde aan de zakelijke mogelijkheden voor [appellanten] vormde. [appellanten] hebben geen toen, na 1998, nog bestaande relaties gesteld met opgave van wanneer en hoe die het contact door benaderingen in San Diego en/of Toronto hebben verbroken. Een verband tussen die benadering(en) en dat verbreken is niet vast te stellen zonder concrete onderbouwing, die ontbreekt. In deze civiele zaak kan dus niet geoordeeld worden dat enige benadering door de Staat -zo al onrechtmatig- tot (meer) schade voor [appellanten] heeft geleid. Ook in zoverre is grief XVII dus ongegrond.

Stuiten

11.1 Grief IX betreft het door de rechtbank passeren van een stuiting van de verjaringstermijn door vertegenwoordiging. Doordat namens het openbaar ministerie in 1998 werd gereageerd op een aansprakelijkheidsstelling van [appellant 1] aan alle aangevers, was de Staat binnen vijf jaar na 1998 bekend met het voornemen van [appellant 1] om een schadeclaim in te dienen en is de verjaring gestuit, zo betogen [appellanten]

11.2 Deze grief baat [appellanten] niet. Een aansprakelijkheidstelling van aangevers – dus aangaande vorderingen op aangevers – kan niet gelijk gesteld worden met een stuiting van de verjaringstermijnen van vorderingen op de Staat (althans niet zonder deugdelijke gronden, die niet zijn gesteld). Bovendien betreft de grief een aangevoerde stuitinghandeling uit 1998 en begint ingevolge artikel 3:319 BW een nieuwe verjaringstermijn (van weer vijf jaren) te lopen met de aanvang van de volgende dag. Genoemde aansprakelijkheidstelling belette dus ook daarom niet dat de verjaringstermijn op 1 augustus 2005 respectievelijk op 11 januari 2006 was verstreken.

12. Bij pleidooi in hoger beroep hebben [appellanten] aangevoerd dat de rechtbank over het hoofd heeft gezien dat de gehele civiele procedure reeds heeft plaatsgevonden tussen [appellanten] en de Staat (Openbaar Ministerie) voor de rechtbank te Amsterdam bij de behandeling van de verzoekschriften ex artikelen 89 en 591/591a Sv.

Ook dit baat [appellanten] niet. Daargelaten dat [appellanten] dit pas bij pleidooi hebben aangevoerd, dus tardief, geldt dat de rechtbank genoemde procedures niet ‘over het hoofd gezien’ heeft (zie onder meer 2.10 van het vonnis) en onder 4.2.2 heeft geoordeeld dat indien aan het indienen van het rekest op zichzelf stuitende werking kan toekomen, ingevolge artikel 3:316, tweede lid, BW aan het rekest alleen stuitende werking toekomt als na de (gedeeltelijke) afwijzing binnen zes maanden een hernieuwde eis wordt ingesteld, hetgeen niet is gebeurd. Tegen dit oordeel hebben [appellanten] geen grief gericht.

13.1 Bij pleidooi in hoger beroep hebben [appellanten] voorts gesteld dat de verjaring (ook) is gestuit doordat de Staat in 2002 kennis heeft genomen van de vorderingen van [appellant 1] door zijn beëdigde verklaring van 5 april 2002. Zij hebben daartoe (bij pleidooi) in hoger beroep een stuk in geding gebracht getiteld ‘Affidavit’, onder vermelding van “In the district court at Amsterdam, between: Openbaar Ministerie and: [appellant 1]” en “sworn April 5/02 Partketnummer 13/129124496” (hierna ook: de affidavit). Deze stuitinghandeling is pas bij pleidooi in hoger beroep gesteld, dus te laat. Ten overvloede overweegt het hof dienaangaande het volgende.

13.2 In de affidavit maakt [appellant 1] melding van de medische en de zakelijke schade (verloren zakentransacties, inkomstenderving, e.d.) die hij tengevolge van zijn arrestatie en detentie en de berichtgeving daarover heeft geleden en van de kosten die hij voor de gerechtelijke procedures heeft moeten maken (kantoor, advocaat, e.d.). Na de uitleg over de schadeposten, eindigt hij zijn affidavit met “50. Attached (…) is a copy of my summary of the damages I am claiming as a result of the actions of the O.M. The total claim is for $ 35.926.245,61 CDN (…). 51. I make this Affidavit in support of my claim for damages against the O.M. following the criminal investigation (…).” [appellant 1] heeft deze beëdigde verklaring bij de rechtbank te Amsterdam ingediend als een processtuk in de procedure ex artikel 89 Sv en het is (alleen) langs die weg bij de Staat terecht gekomen.

13.3 Uit de vermelding bij de titel van de affidavit, de (slot)inhoud en de wijze van kennisgeving ervan kan niet anders worden begrepen dan dat de affidavit is opgesteld om de claim in de procedure ex artikel 89 Sv te ondersteunen, in het geding is gebracht om als een processtuk in die procedure te dienen en alleen zo ter kennis van de Staat is gebracht. Een dergelijk processtuk vormt een zodanig onderdeel van de procedure – waarvoor, zoals de rechtbank heeft overwogen, artikel 3:316, tweede lid BW geldt – dat het niet tevens kan worden beschouwd als een van de procedure los staande mededeling conform artikel 3:317 BW waarvoor artikel 3:316, tweede lid BW niet geldt. Daarom oordeelt het hof dat de affidavit de verjaring van de onderhavige vorderingen niet heeft gestuit.

14. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan het hof kan oordelen dat [appellanten] niet daadwerkelijk in staat waren tijdig een vordering tot vergoeding van de thans geclaimde schade in te stellen (of de verjaring te stuiten). Van belemmeringen om zich tot de rechter te wenden (bijvoorbeeld door angst voor represailles of psychische druk) is geen sprake. [appellant 1] heeft zich ook daadwerkelijk tot de rechter kunnen wenden met verzoeken in het kader van artikel 89 Sv en 591/591a Rv, waarbij hij zijn door handelen van de Staat geleden schade naar voren heeft gebracht. Uit niets kan volgen waarom hij niet hetzelfde kon doen in het kader van onrechtmatige daad van de Staat. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld die voldoende verklaren waarom [appellant 1] na de gedeeltelijke afwijzing van de door hem gevraagde schadevergoedingen op 16 september 1994, tot januari 2006 heeft gewacht om zijn eis in te stellen. Een verjaringstermijn van vijf jaar vormt, mede gelet op de eenvoudige wijze waarop de verjaring kan worden gestuit, geen schending van het recht op toegang tot een rechter, het recht op een effectief rechtsmiddel of excessief formalisme. Ook grief XIX is ongegrond.

15.1 Bij pleidooi en ook in de toelichting op grief VI hebben [appellanten] aangevoerd dat in het wetsvoorstel voor de Wet schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden als aanvangsmoment voor de verjaringstermijn het moment van de strafrechtelijke uitspraak wordt genomen en dat de gedachte achter dit wetsvoorstel is zowel dat er een uniforme schadeprocedure moet zijn, als dat de verdachte niet meer voor de zware taak wordt gesteld zijn onschuld aan te tonen. Voorts wijzen [appellanten] op een wetsvoorstel Verruiming van de herziening ten nadele van gewezen verdachten, waarin verjaringstermijnen voor doodslag en andere delicten worden aangepast. Zij voeren aan dat ook op grond van deze omstandigheden, en gelet op jurisprudentie van het EHRM waarin het huidige politieke klimaat een rol speelt, de rechtbank ten onrechte verjaring heeft aangenomen.

15.2 Het hof volgt dit standpunt niet. Het voorstel voor de Wet schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden is niet in het parlement behandeld. Bovendien bepaalt het voorstel niets over verjaringstermijnen. Dat wordt voorgesteld om verzoeken tot schadecompensatie na het onherroepelijk worden van het strafvonnis (volgens de Memorie van Toelichting: binnen drie maanden daarna) in te laten dienen bij het College van procureurs-generaal, betekent niet dat [appellanten] met indiening van de onderhavige civiele vorderingen konden wachten tot 11 januari 2006 zonder dat de bestaande verjaringstermijnen zouden verstrijken.

Met het wetvoorstel Verruiming van de herziening ten nadele van gewezen verdachten is niet beoogd de schadevergoedingsmogelijkheden voor gewezen verdachten te verruimen, terwijl hiermee ook geen wens is geuit om de verjaringstermijnen voor schadevergoedingsclaims van gewezen verdachten te verlengen.

Voor enige anticipatie op wetsvoorstellen ziet het hof geen grond.

16. Concluderend overweegt het hof dat de grieven die zich richten tegen overwegingen aangaande de verjaring van vorderingen alle falen.

Overige grieven

17.1 Grief V richt zich tegen het oordeel van de rechtbank, inhoudend dat ten aanzien van de slechte vertalingen, het aansporen van de recherche tot het indienen van klaagschriften en de trage behandeling bij het hof, onvoldoende is gesteld.

17.2 Ter zake van vertaalfout(en) hebben [appellanten] ook in hoger beroep onvoldoende gesteld om vorderingen uit onrechtmatige daad ter zake toe te kunnen wijzen. Zij hebben geen feiten gesteld die er toe kunnen leiden dat het maken van een vertaalfout een onrechtmatige daad van de Staat jegens [appellanten] is. Evenmin hebben zij feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat het een vertaalfout (en niet de – volgens [appellanten] onjuiste – verdenkingen) was die tot de strafvervolging heeft geleid en die schade – anders dan door de daden van strafvervolging – heeft veroorzaakt. Het gedeelte van grief V dat hierop ziet is ongegrond.

17.3 Ter zake van het laten doen van beklag als bedoeld in artikel 12 Sv door de aangevers hebben [appellanten] ook in hoger beroep geen feiten gesteld die dit tot een onrechtmatige daad van de Staat maakt. [appellanten] hebben wel gesteld dat de klagers tot het doen van beklag zijn aangespoord, maar zij hebben geen handelingen gesteld die op een onrechtmatige aansporing duiden. Het is niet onrechtmatig dat de Staat aangevers van strafbare feiten voorlicht door hen te benaderen over de strafzaak, op de hoogte te stellen van de beslissingen en bij niet (verdere) vervolging te wijzen op de mogelijkheid beklag in te dienen. Als deze voorlichting leidt tot een beklagprocedure van artikel 12 Sv, is die beklagprocedure niet aan onrechtmatig handelen van de Staat te wijten. Grief V is dus ook voor dit onderdeel ongegrond.

18. Voorzover grief V mede ziet op onredelijk lange duur van de strafprocedure wordt zij hierna onder 22 behandeld.

19.1 Grief X is onder meer ook gericht tegen het oordeel dat niet (althans niet voldoende gemotiveerd) is gesteld, welke schadeposten zijn voortgevloeid uit de verwijten: niet signaleren of aan de curator mededelen, dat ook de politie de administratie al op twee plaatsen in beslag had genomen, terwijl het verwijt dat [appellant 1] de administratie achter zou houden is gehandhaafd tot en met de zitting op 24 januari 2002 (13), op de hoogte zijn door politie en officier van justitie dat tijdens [appellant 1]s detentie, de aangevers [appellant 1]s vrouw en kinderen in Canada bedreigden teneinde civiele zaken kracht bij te zetten en [appellant 3] te bewegen tot het treffen van een schikking (29), weigeren te onderzoeken of het waar was dat de aangevers [appellanten] geld schuldig waren in plaats van andersom (30) en weigeren naar aanleiding van het 4e verhoor de Sahara zaken te onderzoeken (31).

19.2 In eerste aanleg noch in hoger beroep specificeren [appellanten] – en het is ook niet uit de overgelegde stukken af te leiden – welke schade volgens hen door dit handelen is ontstaan naast de (hiervoor onder 6 en 7 reeds besproken) schade die [appellanten] hebben geleden doordat dwangmiddelen jegens [appellant 1] zijn toegepast. De grief is ongegrond.

20.1 Grief XII richt zich tegen de overweging van de rechtbank inhoudend dat de advocaatkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat zij voor een deel reeds vergoed zijn in het kader van de procedure ex artikel 591/591a WvSv en voor het overige deel ofwel kosten zijn die voor 1 augustus 2000 zijn gemaakt, ofwel kosten zijn waarvoor de proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 214 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geacht wordt een vergoeding in te houden. [appellanten] voeren aan dat de rechtbank over het hoofd ziet dat een deel van de gemaakte advocaatkosten ziet op kosten die [appellanten] pas na augustus 2005 gemaakt hebben doordat zij genoodzaakt waren een rechtszaak tegen de Staat te starten.

20.2 Ook deze grief is ongegrond. De kosten die [appellanten] na augustus 2005 hebben gemaakt, zijn kosten voor de onderhavige (civiele) rechtszaak. Dat betekent dat de kosten voor de advocaat worden vergoed op basis van de artikelen 237 en volgende Rv. In artikel 241 Rv is daarnaar verwezen. De rechtbank heeft bij kennelijke vergissing artikel 214 Rv in plaats van artikel 241 Rv genoemd. Een vergoeding wegens vermogensschade naast deze proceskostenvergoeding, is in artikel 241 Rv uitdrukkelijk uitgesloten.

Van een andere rechtszaak tegen de Staat dan de onderhavige, na augustus 2005, is niets gesteld, laat staan dat andere kosten zijn gesteld dan die waar artikel 241 Rv op doelt.

20.3 Hetzelfde geldt voor de bureau-, kopieerkosten en dergelijke en de reis- en verblijfkosten, tegen de afwijzing waarvan grief XIII zich richt. Nu [appellanten] stellen dat deze na 1 augustus 2000 zijn gemaakt in verband met de civiele schadeprocedure, zijn dit kosten waarop de regels betreffende proceskosten uit Rv van toepassing zijn.

21. De kosten die [appellanten] hebben gemaakt om een verjaarde vordering te onderbouwen, komen niet ten laste van de wederpartij jegens wie de vordering is verjaard, omdat het tegenover die wederpartij zinloos is om de verjaarde vordering te onderbouwen. Terecht heeft de rechtbank dan ook overwogen dat de kosten voor de deskundige in verband met het opstellen van de schadebegroting niet voor toewijzing in aanmerking komen. Dergelijke kosten hadden in redelijkheid niet gemaakt hoeven worden. Grief XIV is ongegrond.

Redelijke termijn

22.1 Grief XVIII is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat [appellant 1] ongetwijfeld het wachten op de afwikkeling van de strafzaak als zeer onaangenaam heeft ervaren, niet een nadeel is als bedoeld in artikel 6:106 BW en dus om die reden buiten beschouwing moet blijven. [appellanten] hebben aangevoerd dat de procedure extreem lang was, omdat [appellant 1] in het voorjaar van 1998 werd aangehouden, pas in 2002 werd vrijgesproken en vervolgens ten gevolge van de klaagschriftprocedure ex artikel 12 Sv nog twee jaar moest wachten op de afsluiting van de strafzaak. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

22.2 Uit constante jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), onder meer in de zaak Scordino v. Italy (36813/97 van 29 maart 2006), blijkt dat het EHRM uitgaat van een sterk doch weerlegbaar vermoeden dat excessief lange procedures immateriële schade veroorzaken. Het EHRM kent zelf schadevergoeding toe voor immateriële schade indien het van oordeel is dat de redelijke termijn van art. 6 EVRM substantieel is overschreden. Het EHRM is daarnaast van oordeel dat art. 13 EVRM van de lidstaten eist dat deze in geval van schending van het EVRM een rechtsmiddel bieden dat zowel vanuit praktisch als uit juridisch oogpunt effectief is (zie onder meer de zaak Boboc v. Moldova, 27581/04 van 4 november 2008). In het geval van een overschrijding van de redelijke termijn betekent dit volgens het EHRM dat het rechtsmiddel er hetzij uit dient te bestaan dat rechterlijke beslissingen worden versneld, hetzij dat de rechtzoekende een adequate compensatie vanwege de lange duur wordt geboden (zie de zaak Kudla v. Poland, 30210/96 van 26 oktober 2000). Indien het EHRM constateert dat de nationale rechter voor een overschrijding van de redelijke termijn immateriële schadevergoeding toekent die substantieel ligt onder de normen die het EHRM bij toekenning van dergelijke schadevergoeding aanhoudt, acht het Hof ook daarin een schending van art. 6 EVRM gelegen en kent het alsnog een hoger bedrag toe (zie de zaken Cocchiarella v. Italy, 64886/01 en Apicella v. Italy, 64890/01, beide van 29 maart 2006 en van 10 november 2004).

22.3 Het voorgaande is voor het hof aanleiding om, in navolging van zijn arrest van 24 februari 2009 (LJN: BL6379), te oordelen dat toewijzing van immateriële schadevergoeding bij een substantiële overschrijding van de redelijke termijn in beginsel mogelijk is. Art. 6:106 BW moet in een geval als dit worden toegepast met inachtneming van de rechtstreekse werking hebbende artikelen 6 en 13 EVRM, hetgeen betekent dat immateriële schadevergoeding voor [appellant 1] wegens spanningen en frustratie over het uitblijven van een definitieve beslissing over de gegrondheid van de tegen hem ingestelde vervolging in beginsel toewijsbaar is. Hetzelfde geldt voor het in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde criterium waaraan wordt getoetst of sprake is van onrechtmatige rechtspraak: dat criterium kan in gevallen als deze geen toepassing vinden; art. 6 en art. 13 EVRM brengen mee dat aangenomen moet worden dat een substantiële overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in art. 6 EVRM in beginsel een onrechtmatige daad van de Staat oplevert die aanleiding geeft tot toekenning van schadevergoeding. Het hof zal bij de beoordeling van een vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding wegens substantiële termijnoverschrijding uitgaan van het weerlegbare vermoeden dat een dergelijke termijnoverschrijding spanningen en frustratie oproept die grond opleveren voor vergoeding van immateriële schade. Deze gewijzigde gedragslijn is niet alleen in overeenstemming met de rechtspraak van het EHRM maar ook met die van de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

22.4 Voor beantwoording van de vraag vanaf wanneer [appellant 1] onder de dreiging van de strafvervolging moest leven (de aanvang van de redelijke termijn) overweegt het hof het volgende. Op 7 oktober 1996 heeft de officier van justitie een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek gedaan. Op 2 oktober 1997 is een aanhoudingsbevel uitgegaan jegens [appellant 1]. Volgens [appellanten] zelf had [appellant 1] hiervan echter niets van de Nederlandse autoriteiten vernomen, zodat de termijn niet reeds daardoor aanving. Uit de (in zoverre niet betwiste) stellingen blijkt wel dat [appellant 1] hiervan op de hoogte kwam toen zijn moeder op 8 april 1997 door opsporingsambtenaren werd benaderd. Voorts kwamen er in 1997 persberichten waarvan [appellant 1] op enig moment weet zal hebben gekregen. De aanvang van de termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM stelt het hof daarom op 8 april 1997.

22.5 Nadat in de strafzaak op 7 februari 2002 een einde kwam doordat de tenlastelegging deels was nietig verklaard en [appellant 1] verder werd vrijgesproken, liepen er nog klachten ex artikel 12 Sv bij het gerechtshof. Hierover is op 31 maart 2004 en 27 mei 2004 beslist. Hoewel de strafrechtelijke procedure met het onherroepelijk worden van het strafvonnis was beëindigd, bleef door het beklag ex artikel 12 Sv de vraag open of (verdere) vervolging van [appellant 1] zou moeten plaatshebben en bleef daardoor voor [appellant 1] de dreiging van strafvervolging in de zaak bestaan. De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM eindigde daarom naar het oordeel van het hof eind mei 2004.

22.6 Voor beantwoording van de vraag of met de duur van zeven jaar en bijna twee maanden de redelijke termijn is overschreden, zijn in beginsel van belang de ingewikkeldheid van de zaak, het gedrag van [appellant 1], het gedrag van de overheid en het belang dat voor [appellant 1] met de procedure op het spel staat. Daarbij neemt het hof tot uitgangspunt dat de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting in eerste aanleg in beginsel (behoudens bijzondere omstandigheden) moet zijn afgerond binnen twee jaar na aanvang van de termijn en dat dit ook geldt voor een procedure in het kader van de procedure ex artikel 12 Sv.

22.7 Als bijzondere omstandigheid heeft de Staat naar voren gebracht dat het ging om een complexe en omvangrijke fraudezaak, waarin ook (moeizaam verlopende) rechtshulpverzoeken aan Canada moesten worden gedaan en waarbij de bestudering van de replieken van [appellant 1] (een tiental ordners) veel tijd kostte. [appellanten] hebben dit onvoldoende bestreden. Zij hebben naar voren gebracht dat de verdediging van [appellant 1] zelf op 12000 uren neerkomt en dat de replieken van [appellant 1] slechts een fractie van het strafdossier waren. Dit wijst op een tijdrovend strafrechtelijk onderzoek voor (ook) het Openbaar Ministerie (die immers mede al hetgeen de verdediging aanvoert moet onderzoeken).

Daartegenover staat vast dat de opsporingshandelingen rond eind augustus 2000 waren afgerond en dat het onderzoek geruime tijd heeft voortgeduurd zonder inhoudelijke behandeling van de strafzaak ter zitting. Op 12 april 2001 oordeelde de rechtbank te Amsterdam dat de redelijke termijn werd overschreden. Daarna is de zaak pas op 24 januari 2002 ter zitting behandeld.

22.8 Gelet op een en ander is naar het oordeel van het hof de redelijke termijn voor behandeling van de zaak met twee jaren overschreden. Gelet op de ernst van de verdenkingen tijdens de behandeling van de zaak begroot het hof de immateriële schade voor [appellant 1] wegens deze overschrijding op € 2.500,-. De gevorderde wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding (11 januari 2006) kan worden toegewezen. Voor [appellant 1] treft grief XVIII dus doel.

22.9 Omdat tegen [appellant 2] en [appellant 3] geen vervolging was ingesteld, was er jegens hen geen zaak binnen een redelijke termijn te behandelen en is geen redelijke termijn overschreden. Grief XVIII treft voor hen geen doel.

Slot

23.1 De conclusie is dat alle grieven ongegrond zijn, behalve grief XVIII voor zover die de afwijzing van schadevergoeding voor [appellant 1] wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM betreft. Het hof zal het bestreden vonnis uitsluitend vernietigen voor zover immateriële schade van [appellant 1] tot € 2.500,- (met rente) is afgewezen. Voor het zal het vonnis worden bekrachtigd.

23.2 [appellanten] zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen [appellant 1] en de Staat gewezen vonnis van de rechtbank ’s Gravenhage van 6 februari 2008 voor zover daarbij de vordering van [appellant 1] tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met wettelijke rente, is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt de Staat om aan [appellant 1] te voldoen een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bekrachtigt het tussen [appellanten] en de Staat gewezen vonnis van 6 februari 2008 voor het overige;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 5.981,- aan verschotten en € 13.740,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, S.A. Boele en D.A.C. Slump en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2011 in aanwezigheid van de griffier.