Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8227

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
200.041.989-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Melkquotum; superheffing; erfpacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2012/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.041.989/01

Rolnummer rechtbank : 311269/HA ZA 08-1636

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 25 januari 2011

inzake

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),

zetelend te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. F. Sepmeijer te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 27 augustus 2009 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 augustus 2009, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] tegen het bestreden vonnis twee grieven aangevoerd, die de Staat bij memorie van antwoord heeft bestreden. Op 29 november 2010 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten door hun advocaten, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s. Ten slotte hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 Aangezien geen grieven zijn gericht tegen de feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.6 van haar vonnis heeft vastgesteld zal ook het hof van deze feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.2 De vader van [appellant] exploiteerde een varkens- en melkveebedrijf, dat [appellant] sinds 1996 als zijn erfgenaam voortzet. In het kader van de ruilverkaveling Daarle-Hellendoorn is het bedrijf, dat oorspronkelijk 16.56 ha groot was, verplaatst en tevens vergroot met 8.7.50 ha grond die door het Bureau Beheer Landbouwgronden (onderdeel van de Staat) aan vader [appellant] in erfpacht is uitgegeven.

1.3 Vóór de ruilverkaveling beschikte het bedrijf van vader [appellant] over een melkquotum van 191.801 kg. Na de verplaatsing en uitbreiding van zijn bedrijf werd een extra melkquotum toegekend van 158.199 kg.

1.4 De Staat en [appellant] hebben in 2006 onderhandelingen gevoerd over de koop door [appellant] van de bloot eigendom van de in erfpacht uitgegeven grond van 8.77.50 ha. In die onderhandelingen zijn partijen het eens geworden over de koopprijs voor de bloot eigendom (€ 118.463). Een probleem bleek echter dat de Staat aan de totstandkoming van deze transactie de voorwaarde stelde dat [appellant] bovendien een bedrag van € 63.543 zou betalen als vergoeding voor het op deze grond rustende melkquotum. Partijen, die kennelijk niet ter discussie stellen dat tussen hen een koopovereenkomst ten aanzien van de bloot eigendom tot stand is gekomen, zijn in de eerste plaats verdeeld over de vraag of [appellant] de door de Staat gestelde voorwaarde heeft aanvaard (standpunt Staat), dan wel of partijen zijn overeengekomen dat [appellant], die om het transport van de bloot eigendom doorgang te laten vinden zowel het bedrag van € 118.463 als het bedrag van € 63.543 aan de Staat heeft voldaan, het recht heeft behouden om aan de rechter voor te leggen of hij dit laatste bedrag onverschuldigd heeft betaald (standpunt [appellant]). Daarnaast verschillen partijen van mening over de vraag of, indien [appellant] zich dat recht heeft voorbehouden, hij aanspraak kan maken op terugbetaling van € 63.543.

1.5 De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] (i) zich op voor de Staat kenbare wijze bij voortduring het recht heeft voorbehouden de materiële hoofdvraag van dit geding aan de burgerlijke rechter voor te leggen en (ii) op goede gronden heeft kunnen begrijpen dat de Staat dat recht, waarvan het bestaan door de Staat inhoudelijk werd betwist, heeft gerespecteerd. De rechtbank kwam aldus tot de conclusie dat [appellant] het recht heeft behouden om aan de rechter voor te leggen of hij het bedrag van € 63.543 onverschuldigd heeft betaald.

1.6 Wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak heeft de rechtbank [appellant] echter in het ongelijk gesteld. De rechtbank overwoog, kort gezegd, het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat, als aangenomen moet worden dat op de erfpachtgrond een melkquotum rustte, hiervan een derde gedeelte (in dit geval € 63.543) aan de erfverpachter, de Staat, toekwam. Het geschil kan worden samengevat in de vraag of er een directe relatie heeft bestaan tussen de extra (erfpacht)grond, met de oppervlakte van 8.77.50 ha, die [vader van appellant] in 1985 heeft verworven, en het extra melkquotum van (toen) 158.199 kg. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend, omdat de toekenning van het extra melkquotum en de hoogte daarvan hun grondslag vonden in (de omvang van het areaal van) de bedrijfsvergroting. Op deze grond heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen.

De grieven

2.1 Voordat het hof overgaat tot de bespreking van de grieven stelt het voorop dat geen grief is gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil dat, als aangenomen moet worden dat op de erfpachtgrond een melkquotum rustte, hiervan een derde gedeelte (in dit geval € 63.543) aan de erfverpachter, de Staat, toekwam, en evenmin tegen het oordeel van de rechtbank dat het in dit geding gaat om de vraag of er een directe relatie heeft bestaan tussen de extra (erfpacht)grond, met de oppervlakte van 8.77.50 ha, die [vader van appellant] in 1985 heeft verworven, en het extra melkquotum van (toen) 158.199 kg. Ook in hoger beroep gaat het derhalve om de vraag of er een directe relatie heeft bestaan tussen de extra erfpachtgrond en de verhoging van het melkquotum. In grief I komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank, waarin zij deze vraag bevestigend beantwoordt.

2.2 [appellant] voert in de eerste plaats aan dat de toekenning van het (extra) melkquotum niet op grond van art. 5 Uitvoeringsregeling superheffing heeft plaatsgevonden maar op grond van art. 6 Uitvoeringsregeling superheffing. Het hof is evenwel met de Staat van oordeel dat voor de in dit geding te beslissen vraag niet relevant is of toekenning van het melkquotum op grond van art. 5 of art. 6 Uitvoeringsregeling superheffing heeft plaatsgevonden. Bij toekenning op grond van art. 5 vindt een verhoging van het melkquotum plaats aan de hand van het extra land dat de melkveehouder ter beschikking heeft gekregen. Bij toepassing van art. 6 wordt een nieuw melkquotum toegekend, berekend aan de hand van al het land (inclusief een eventuele uitbreiding) dat de melkveehouder na de verplaatsing ter beschikking heeft. Zowel in het eerste als in het tweede geval betekent dit dat de uitbreiding van de aan [vader van appellant] ter beschikking staande gronden met 8.77.50 ha erfpachtgrond, in een directe (numerieke) relatie staat tot het melkquotum waarover [vader van appellant] uiteindelijk kon beschikken.

2.3 Het voorgaande betekent dat [vader van appellant] minder melkquotum zou hebben gehad indien hij niet de extra 8.77.50 ha in erfpacht had gekregen. Dit brengt mee dat het ook redelijk en in lijn met de jurisprudentie van de pachtkamer van het Gerechtshof Arnhem is dat [appellant] over het voordeel dat het extra melkquotum hem oplevert afrekent met de Staat, die immers door het in erfpacht uitgeven van land ertoe heeft bijgedragen dat [vader van appellant] meer melkquotum kreeg dan zonder dat het geval zou zijn geweest. Dat [vader van appellant] wellicht ook meer melkquotum had gekregen indien hij zijn bedrijf had verplaatst zonder uitbreiding, doet niet ter zake. Vaststaat dat het melkquotum - in ieder geval mede - is berekend naar evenredigheid van de uitbreiding. Voor zover [appellant] bedoelt dat de Staat geen aanspraak kan maken op het melkquotum voor zover dat hem ook in het geval van enkele verplaatsing zou zijn toegekend, heeft dit betoog geen succes. [appellant] heeft immers geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat indien aangenomen moet worden dat op de erfpachtgrond een melkquotum rustte, hiervan een derde gedeelte (in dit geval € 63.543) aan de erfverpachter, de Staat, toekwam.

2.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief I faalt.

2.5 Bij pleidooi heeft [appellant] nog aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de eigenaar/verpachter de hoedanigheid van producent (van melk) moet bezitten om voor een melkquotum in aanmerking te komen. Dit betoog kan niet anders worden opgevat dan als een nieuwe grief, waarvoor bij pleidooi geen plaats meer is. De Staat verzet zich er dan ook terecht tegen dat deze grief in aanmerking zou worden genomen.

2.6 Grief II heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van grief I.

3.1 Nu alle grieven falen zal het vonnis van de rechtbank worden bekrachtigd.

3.2 [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de Staat begroot op € 1.905,-- voor verschotten en € 4.893,-- voor salaris van de advocaat , en bepaalt dat over deze bedragen vanaf veertien dagen na deze uitspraak de wettelijke rente verschuldigd zal zijn;

- verklaart deze uitspraak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, S.A. Boele en J.C.F. Talman en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2011, in aanwezigheid van de griffier.