Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8062

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
200.062.583-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

procedure huisvesting vluchteling met verblijfsvergunning door COA; voldoende voorlichting; inbreng medische omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 200.062.583/01

Rolnummer rechtbank: KG ZA 10-132

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 15 maart 2011

inzake

CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,

gevestigd te Rijswijk (ZH),

appellant,

hierna te noemen: COA,

advocaat: mr. F. Sepmeijer te 's-Gravenhage,

tegen

[APPELLANTE],

verblijvende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. R. Scheltes te Rotterdam.

Het vervolg van het geding

Het hof heeft in deze zaak een tussenarrest gewezen op 28 december 2010. Het verwijst daarnaar voor het procesverloop tot die datum. Het heeft daarbij een comparitie van partijen bevolen, die op 11 februari 2011 heeft plaatsgevonden. Vóór die comparitie hebben beide partijen producties in het geding gebracht. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Een schikking is niet tot stand gekomen. Ter gelegenheid van de comparitie is [dochter], dochter van [appellante] (verder: de dochter), als getuige gehoord. Partijen hebben vervolgens wederom om arrest gevraagd op de reeds overgelegde stukken.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof blijft bij hetgeen het in bovenvermeld tussenarrest heeft overwogen en beslist.

2. De eerste grief van het COA keert zich tegen het oordeel van de rechtbank, zakelijk weergegeven inhoudende dat er reden is voor heroverweging omdat [appellante] niet voldoende zou zijn voorgelicht over haar verantwoordelijkheid voor het correct invullen van het B6-formulier en het belang van de juistheid van de door haar verstrekte gegevens. Het COA meent dat dat oordeel onjuist is, omdat [appellante] zorgvuldig door het COA is geïnformeerd over de huisvestingsprocedure doordat zij blijkens de ondertekening van het B6-formulier, de antwoorden op de vragen 3 tot en met 6 van het B10-formulier en de schriftelijke verklaring van haar toenmalige casemanager, [casemanager] (verder: [casemanager]) de factsheet Huisvesting voor verblijfsgerechtigden heeft ontvangen. Het COA betwist bovendien dat [appellante] tijdens het invullen van het B6-formulier melding heeft gemaakt van haar medische problemen. Het COA wijst er voorts nog op dat uit de in eerste aanleg door [appellante] overgelegde brief van I-Psy niet een zodanige medische omstandigheid blijkt dat die tot een medische indicatie voor een woonruimte in Rotterdam zou hebben geleid.

3. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat het beleid van het COA ter zake van de huisvesting van verblijfsgerechtigden op zichzelf niet onredelijk is. Randvoorwaarde bij de uitvoering is wel, dat de houder van een verblijfsvergunning tijdig tevoren voldoende is voorgelicht over zijn verantwoordelijkheden en zijn mogelijkheden tot inbreng in de verschillende fasen van de procedure en dat aan de vergunninghouder de mogelijkheid wordt geboden de omstandigheden die deze van belang acht, naar voren te brengen en dat daarvan aantekening wordt gemaakt.

4. Hetgeen partijen in de eerste plaats verdeeld houdt, is de vraag of [appellante] aan het begin van de huisvestingsprocedure de factsheet Huisvesting voor verblijfsgerechtigden heeft ontvangen. [appellante] ontkent dat. [casemanager] heeft in zijn schriftelijke verklaring niet méér aangegeven dan dat hij tijdens de voor vergunninghouders bedoelde trainingen altijd de plaatsingscriteria doorneemt en de factsheet aan de deelnemers ter beschikking stelt. Dit houdt geen stellige verklaring in dat hij de factsheet aan [appellante] tijdens haar deelname aan de betreffende training aan haar heeft overhandigd. Een zodanige, stellige verklaring heeft [casemanager] ook tijdens de comparitie niet gegeven. In het B6-formulier is het vakje bij “Betrokkene heeft informatie ontvangen over de huisvestingsprocedure” niet aangekruist. Ook als, zoals zijdens het COA ter comparitie is verklaard, de factsheet aan [appellante] zou zijn uitgereikt tijdens het vergunninghoudersgesprek op 22 september 2009, waarbij het B6-formulier is ingevuld, dan acht het hof dat te laat, aangezien de factsheet dan niet meer door [appellante] bij de voorbereiding van dat cruciale gesprek kon worden geraadpleegd. Het hof acht voorshands de omstandigheid dat het betreffende vakje op het B10-formulier wèl is aangekruist, van onvoldoende betekenis, omdat het formulier pas is ingevuld na de woningweigering door [appellante] en het geen aanduiding inhoudt wanneer [appellante] de informatie heeft ontvangen.

5. Partijen strijden voorts over de vraag of [appellante] tijdens het gesprek op 22 september 2009 haar medische omstandigheden naar voren heeft gebracht en heeft kunnen brengen. Het COA beroept zich op het feit dat in het B6-formulier het vakje voor “Nee” is aangekruist bij “4.1 Betrokkene ondergaat een specifieke, niet over te dragen, medische behandeling in de gemeente”. [casemanager] heeft ter comparitie verklaard dat hij zich over het gesprek niet méér kan herinneren dan dat [appellante] heeft aangegeven dat ze haar studie weer wil oppakken. [appellante] heeft ter comparitie verklaard dat zij haar medische gegevens mee had genomen naar het betreffende gesprek, maar dat niemand van het COA daar naar wilde kijken. De dochter, die bij het gesprek tussen [casemanager] en [appellante] aanwezig was, heeft als getuige verklaard dat zij vóór het gesprek met [appellante] al aan [casemanager] heeft gezegd dat [appellante] medische problemen had. Zij heeft voorts verklaard dat [appellante] de medische gegevens wilde laten zien, maar dat overal haast bij was en dat tegen [appellante] werd gezegd dat de medische gegevens later aan de orde zouden komen. Zij heeft bovendien aangegeven dat het B6-formulier voor het gesprek met [appellante] al was ingevuld. Tegenover de verklaringen van [appellante] en de dochter legt de omstandigheid dat in het B6-formulier het betreffende vakje voor “Nee” is aangekruist, onvoldoende gewicht in de schaal. Niet kan worden uitgesloten dat [appellante] haar medische problematiek in het gesprek van 22 september 2009 aan de orde heeft willen stellen, maar dat haar daartoe de gelegenheid niet is geboden. Onder de door het COA niet weersproken omstandigheid dat het een tevoren ingevuld formulier betrof kan aan de handtekening van [appellante] daarop, mede gelet op het ter comparitie gebleken gebrekkige inzicht van [appellante] in de Nederlandse taal, niet meer betekenis worden gehecht dan een handtekening voor “gezien”.

6. Gelet op het in de rechtsoverwegingen 4 en 5 overwogene is het hof voorshands met de rechtbank van oordeel dat de mogelijkheid niet denkbeeldig is dat het COA onvoldoende zorgvuldigheid als omschreven in rechtsoverweging 3 heeft betracht bij de procedure tot huisvesting van [appellante]. In dat licht valt de door het hof in kort geding te maken belangenafweging ten gunste van [appellante] uit. Dat de brief van I-Psy onvoldoende zou zijn voor een medische indicatie, doet hieraan niet af. Het gaat immers niet om de inhoud van deze brief maar om hetgeen [appellante] in het gesprek van 22 september 2009 naar voren had willen brengen, de stukken die zij daarbij had willen overleggen en het naar aanleiding van een en ander eventueel te voeren overleg tussen het COA en de behandelaar(s) van [appellante]. Blijkens de overgelegde stukken, in het bijzonder het B10-formulier, is zodanig overleg niet ongebruikelijk.

7. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de eerste grief faalt. De tweede grief bouwt op de eerste voort en moet daarom het lot daarvan delen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen. Daarbij past een veroordeling van het COA in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2010;

- veroordeelt het COA in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden vastgesteld op € 2.102,-, waarvan te voldoen:

(a) aan de griffier van het hof € 2.023,50, te weten € 235,50 voor in debet gesteld griffierecht en € 1.788,- voor salaris advocaat, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 Rv, en

(b) aan [appellante] € 78,50 voor niet in debet gesteld griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, J. Kramer en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2011 in aanwezigheid van de griffier.