Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP7498

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
200.071.715.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Tussenbeschikking: Hof kan op basis van door partijen verstrekte gegevens niet vaststellen hoe de huwelijkse voorwaarden dienen te worden afgewikkeld. Hof kan geen oordeel geven omtrent wijze verevening pensioenrechten. Mede bezien grote financiële belangen: noodzaak tot benoeming deskundige (fiscalist/pensioendeskundige).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 maart 2011

Zaaknummer : 200.071.715.01

Rekestnr. rechtbank : 08-8482 / 08-8835

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K. Beumer te Rhoon,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.H.G.C. Gremmen te Etten-Leur.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 6 augustus 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 mei 2010 van de rechtbank Dordrecht.

De vrouw heeft op 23 september 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 5 november 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 9 februari 2011 een gewijzigd beroepschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 23 augustus 2010 een brief met bijlagen d.d. 23 augustus 2010;

- op 31 januari 2011 een brief met bijlagen d.d. 31 januari 2011;

van de zijde van de vrouw:

- op 1 februari 2011 een brief met bijlagen d.d. 27 januari 2011.

Op 11 februari 2011 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de man en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De vrouw en de raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is bepaald - uitvoerbaar bij voorraad - dat de man met ingang van 2 april 2009 ten behoeve van de vrouw een alimentatie zal betalen van € 3.000,- per maand, vanaf de datum van deze beschikking bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts heeft de rechtbank de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen vastgesteld zoals overwogen in rechtsoverweging 3.12 tot en met 3.24 van de bestreden beschikking is weergegeven. De rechtbank verstaat dat partijen met elkaar zullen overgaan tot verevening van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten overeenkomstig de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd zo dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgegeven.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen, de verevening van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten alsmede de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud en de behoefte van de vrouw.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, met inachtneming van hetgeen de man onder de door hem geformuleerde grieven heeft aangevoerd, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie af te wijzen, althans vast te stellen op een bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren. Voorts verzoekt de man de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden opnieuw vast te stellen overeenkomstig hetgeen de man daaromtrent onder zijn grieven heeft aangevoerd, althans vast te stellen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt in incidenteel appel bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor wat betreft de vastgestelde alimentatie ten behoeve van de vrouw ad € 3.000,- per maand te vernietigen en opnieuw rechtdoende deze alimentatie vast te stellen op een bedrag van € 3.891,- per maand bruto, met ingang van 2 april 2009, althans op een dusdanig bedrag en met ingang van een dusdanige datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren en voor het overige de man in zijn grieven niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem zijn grieven als rechtens ongegrond en onbewezen te ontzeggen en de beschikkingen te bekrachtigen. Kosten rechtens.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt de vrouw in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar dit te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

Behoefte

5. Partijen verschillen van mening omtrent de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. De man stelt dat bij de bepaling van de behoefte rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de inkomsten en het uitgavenpatroon van de laatste jaren. De behoefte dient daarnaast ook zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter te worden bepaald.

6. Voorstaand uitgangspunt wordt eveneens gedeeld door de vrouw.

7. Het hof overweegt als volgt. Uit de gewisselde stukken alsmede het verhandelde ter terechtzitting is het hof onder meer gebleken dat:

• partijen een woning hadden in Nederland van rond de € 600.000,-;

• partijen de beschikking hadden over een tweede huis in Spanje ter waarde van € 427.533,49;

• de man de beschikking heeft over een BMW 530;

• de vrouw de beschikking had en heeft over een Peugeot 207cc cabriolet;

• de man een bruto inkomen had en heeft van € 9.231,- per maand;

• partijen vijf keer per jaar op vakantie gingen waaronder een luxe cruise.

8. Uitgaande van vorenstaande gegevens acht het hof de door de vrouw gestelde behoefte van € 3.240,- netto per maand alleszins redelijk. Ook rekening houdend met de concrete uitgaven die zij in de nabije toekomst dient te verrichten waaronder de huur van een appartement van € 1.000,-, de kosten van een auto, vakanties is de door de vrouw gestelde behoefte zeer redelijk te noemen.

Behoeftigheid

9. Het hof begrijpt uit het appel van de man, mede bezien de toelichting die hij ter zitting heeft gegeven, dat de vrouw volgens hem in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

10. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij in het verleden in de onderneming van de man heeft meegewerkt en dat dit niet meer tot de mogelijkheden behoort. De vrouw heeft een werkkring voor 20 uur kunnen vinden in de zorg en kan mede gezien haar leeftijd en huidige economische situatie niet meer uren werken.

11. Het hof is van oordeel dat de vrouw zich meer dan voldoende heeft ingespannen om zelfstandig in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Mede gezien haar leeftijd van thans 59 jaar is het hof van oordeel dat niet verwacht kan worden dat zij haar werkkring nog noemenswaardig kan uitbreiden. Bij de berekening van haar behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man zal het hof rekening houden met voormelde inkomsten.

Voorlopige alimentatie

12. Ter zitting is besproken dat de man voorlopig aan de vrouw een bruto partneralimentatie zal voldoen van € 3.000,- per maand. Voorts is toegezegd door de man dat de ontstane achterstand zal worden ingelopen. Mede bezien de financiële positie van de man gaat het hof er wel vanuit dat de man zijn gedane toezeggingen ook daadwerkelijk zal nakomen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Woning te [plaatsnaam].

13. Partijen zijn het erover eens dat tot een beperkte huwelijksgemeenschap behoort de woning te [plaatsnaam] alsmede de woning te Spanje.

14. Ter zake de woning te [plaatsnaam] bestaat het navolgende geschil:

• de waarde van de woning;

• de grondoppervlakte, die tot de woning behoort. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat op het huidige perceel in het verleden een oud woonhuis stond alsmede een bedrijfsloods. Die woning is door de man voor het huwelijk verworven. Tijdens het huwelijk zijn de woning en de loods afgebroken. De afgebroken loods stond op grond die in eigendom toebehoorde aan de vennootschap. Na de afbraak van de woning en de loods is op het perceel grond een woning en een dubbele garage gebouwd, waarvan een deel op grond van de besloten vennootschap. De man is van mening dat de grond die behoort tot de vennootschap niet in de financiële afwikkeling tussen partijen dient te worden betrokken. Het vorenstaande wordt niet door de vrouw betwist.

15. Het hof overweegt als volgt. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens kan het hof niet vaststellen welk deel van de onroerende zaak in de financiële afwikkeling van partijen dient te worden betrokken en welk deel behoort tot het vermogen van de vennootschap. Naar het oordeel van het hof dient een deskundige te onderzoeken op welke wijze de splitsing dient te worden aangebracht.

Pensioenrechten

16. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem opgebouwde pensioenrechten in de besloten vennootschap [pensioenfonds] voor verevening in aanmerking komen.

17. De vrouw is van mening dat de opgebouwde pensioenrechten in de hiervoor vermelde besloten vennootschap wel onder de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (hierna Wvp) vallen. De vrouw heeft voorts gesteld dat de pensioenrechten zijn opgebouwd ten tijde van de huwelijkse samenleving.

18. Het hof overweegt als volgt.

In artikel 11 Wvp is bepaald dat geen verevening van pensioenrechten plaatsvindt, indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding "uitdrukkelijk" anders hebben bepaald. De partijen hebben in artikel 9 lid 2 van de akte van huwelijksvoorwaarden van 7 februari 1992 de navolgende bepaling opgenomen:

"Ingeval van ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood zullen de echtgenoten met betrekking tot aanspraken op al of niet ingegaan pensioen en hetgeen daarvoor is opgeofferd onderling een redelijke en billijke regeling of afrekening treffen op grondslag van de opbouw van die aanspraken gedurende het bestaan van het huwelijk, waarbij acht geslagen wordt op de omstandigheid tot verzorging van wie die aanspraken bestemd zijn en in welke mate en in hoeverre op andere wijze in de verzorging van een echtgenoot is of wordt voorzien. Ten aanzien van de voormelde regeling of afrekening zal met de belangen van beide echtgenoten rekening worden gehouden.”

Het hof is van oordeel dat uit voornoemde bepaling niet is af te leiden dat de partijen de bedoeling hebben gehad pensioenverevening - zoals die later wettelijk is geregeld - uitdrukkelijk uit te sluiten. De man heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel zouden leiden. De man heeft tijdens het huwelijk pensioen opgebouwd. Die pensioenrechten zijn naar maatschappelijke opvatting bestemd voor beider oudedagvoorziening. Nu de partijen bij huwelijkse voorwaarden de verevening van pensioenrechten niet uitdrukkelijk hebben uitgesloten en aannemelijk is dat dit ook niet de bedoeling was van de partijen, is het hof van oordeel dat de door de man gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenrechten verevend dienen te worden overeenkomstig de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding.

19. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens kan het hof geen oordeel geven omtrent de wijze waarop de pensioenrechten dienen te worden verevend. Mede bezien de grote financiële belangen die voor partijen op het spel staan, acht het hof het noodzakelijk om door een fiscalist/pensioendeskundige te worden voorgelicht omtrent de wijze van pensioenverevening.

20. Ter zitting hebben beide partijen verklaard dat zij het erover eens zijn dat een deskundige wordt benoemd en dat zij er mee instemmen dat als deskundige wordt benoemd drs. S.C.M. Schilder, fiscaal econoom en fiscaal mediator (FM).

In het geding brengen van stukken

21. In het kader van het onderzoek dient de man binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking de navolgende stukken in het geding te brengen:

• alle aanwezig zijnde pensioenbrieven;

• alle pensioenberekeningen;

• de financieringsovereenkomst tussen [onderneming] en de besloten vennootschap [pensioenfonds];

• de jaarrekeningen van de besloten vennootschap [pensioenfonds] over de afgelopen drie jaren;

• de jaarrekeningen van de besloten vennootschap [onderneming] over de afgelopen drie jaren;

• de jaarrekeningen van de besloten vennootschap [onderneming II] over de afgelopen drie jaren;

• de aangifte vennootschapsbelasting over de afgelopen drie jaren van alle vennootschappen.

Deskundigenonderzoek

22. De deskundige zal op grond van artikel 198 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn opdracht uitvoeren onder leiding van een raadsheer-commissaris.

23. Met partijen is overeengekomen dat de vragen voor de deskundige zullen worden geformuleerd op een regiezitting alwaar eveneens aanwezig zal zijn drs S.C.M. Schilder FM.

24 Het hof acht het eveneens gewenst dat de accountant van de vennootschappen tijdens de regiezitting aanwezig is. Het hof gaat ervan uit dat de man zorg draagt voor de oproeping van hem.

Aansprakelijkheid deskundige

25. De deskundige wenst zijn opdracht alleen te aanvaarden indien zijn algemene leveringsvoorwaarden op de opdracht van toepassing zijn.

26. De deskundige dient binnen twee weken na deze beschikking zijn leveringsvoorwaarden te doen toekomen aan het hof, aan de man en aan de vrouw.

27. Partijen dienen tijdens de regiezitting zich uit te laten over de vraag of zij zich gebonden achten aan de leveringsvoorwaarden.

Klachten over de deskundige

28. De deskundige, een fiscaal econoom en fiscaal mediator, dient zijn werkzaamheden te verrichten conform de voor hem geldende gedrag- en beroepsregels.

29. Indien een partij een klacht tegen de deskundige wenst in te dienen, dient deze het hof daarvan in kennis te stellen, zodat het hof in staat is - na partijen en de deskundige te hebben gehoord - te beoordelen of die partij conform artikel 198 lid 3 Rv aan het onderzoek zijn of haar medewerking heeft verleend.

Deskundige

30. Het staat de deskundige vrij om tijdens zijn onderzoek te onderzoeken of een onderlinge regeling tot de mogelijkheden behoort.

31. De opdracht dient door de deskundige zelf te worden uitgevoerd. Het staat de deskundige vrij om bij de uitvoering van zijn werkzaamheden zich te laten bijstaan door derden, indien de deskundige dit in de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk acht. Alvorens hij derden bij zijn werkzaamheden inzet, zal hij de raadsheer-commissaris inlichten.

Kosten deskundige

32. Het uurtarief van de deskundige bedraagt € 280,- exclusief BTW. De deskundige dient zijn declaratie op te stellen aan de hand van de door hem gehanteerde uren en verrichtingenstaat. Het hof zal, alvorens over te gaan tot uitbetaling van de declaratie aan de deskundige, aan partijen om een reactie vragen. Partijen dienen binnen tien dagen te laten weten of zij instemmen met de declaratie. Na die periode stelt het hof de declaratie vast en zal overgaan tot uitbetaling.

33. Ter dekking van de kosten van de deskundige stelt het hof een voorschot vast van € 14.875,- inclusief BTW. De man dient voorlopig er voor zorg te dragen dat het voorschot wordt gedeponeerd ter griffie van het hof door overmaking op bankrekeningnummer van Royal Bank of Scotland 56.99.90.580 ten name van MvJ, arrondissement ’s-Gravenhage 537, en onder vermelding van zaaknummer 200.071.715.01.

Deskundigenbericht

34. Het deskundigenbericht dient binnen vier maanden na de regiezitting met redenen omkleed toegestuurd te worden aan de griffier van het hof.

Communicatie

35. Indien de advocaten en/of de deskundige vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw mr. M. Braat (tel.nr. [nummer]) en bij haar afwezigheid tot mevrouw A.W.M. Verheijen (tel. nr. [nummer]).

Regiezitting

36. Voor de nadere uitwerking van de opdracht aan de deskundige vindt op woensdag 30 maart 2011 een regiezitting plaats.

37. Het hof gelast dat partijen, hun advocaten en de deskundige bij deze zitting, die om 10.00 uur zal beginnen, aanwezig zijn. Voorts dient aanwezig te zijn de accountant van de vennootschappen.

Identificatiebewijs

38. Ten behoeve van het dossier van de deskundige dienen partijen ter zitting aan de deskundige een kopie van hun paspoort of ander rechtsgeldig identificatiebewijs te verstrekken.

Raadsheer-commissaris

39. Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen mr. A.N. Labohm en bij diens afwezigheid mr. C.M. Pannekoek-Dubois.

40. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hof zal beslissen als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bepaalt dat de man de in rechtsoverweging 21 verzochte stukken in het geding brengt;

benoemt de heer drs. S.C.M. Schilder, fiscaal econoom en fiscaal mediator, kantoorhoudende te 1440 AT Purmerend aan de Waterlandlaan 96, tot deskundige;

bepaalt dat de man binnen veertien dagen na heden een voorschot van € 14.875,- ter griffie van het hof zal deponeren door overmaking op bankrekeningnummer van Royal Bank of Scotland 56.99.90.580 ten name van MvJ, arrondissement ’s-Gravenhage 537 en onder vermelding van zaaknummer 200.071.715.01;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. A.N. Labohm en bij diens afwezigheid mr. C.M. Pannekoek-Dubois;

bepaalt een regiezitting op woensdag 30 maart 2011 om 10.00 uur en gelast partijen, hun advocaten en de deskundige aanwezig te zijn;

bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor partijen, hun advocaten en de deskundige te verschijnen ter regiezitting van woensdag 30 maart 2011 om 10.00 uur, welke regiezitting zal worden gehouden in één van de zittingszalen van het Hof in het Paleis van Justitie, gevestigd aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag;

bepaalt dat de deskundige zijn deskundigenbericht met redenen omkleed binnen vier maanden na de regiezitting toezendt aan de griffier van dit hof, onder vermelding van zaaknummer 200.071.715.01;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat partijen bij het onderzoek in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen;

bepaalt voorlopig de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten tot levensonderhoud op € 3.000,- bruto per maand;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Pannekoek-Dubois en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2011.