Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP7248

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
200.076.586/01 en 200.076.590/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opheffing ondertoezichtstelling. Wettelijke gronden niet aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 19 januari 2011

Zaaknummer : 200.076.586/01 en 200.076.590/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-2002

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. D. van der Wilt te 's-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. I.G.M. van Gorkum te ’s-Gravenhage,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

3. [de stiefvader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de stiefvader.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 5 november 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 september 2010 van de kinderrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage (hierna: de bestreden beschikking).

De raad heeft op 3 december 2010 een verweerschrift ingediend.

De vader heeft op 26 november 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 16 november 2010 en op 2 december 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 10 december 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens de raad: mevrouw J.J. de Kok, de vader, bijgestaan door mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen, een kantoorgenote van zijn advocaat, namens Jeugdzorg: mevrouw M. de Winter, en de stiefvader. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - de na te noemen minderjarige van 16 september 2010 tot 16 september 2011 onder toezicht gesteld van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarige: [X], geboren op [geboortedatum in 2001] te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige) voor de periode van 16 september 2010 tot 16 september 2011.

2. De moeder verzoekt het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

3. De raad bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking in stand te laten en te bevestigen.

5. De moeder stelt dat de gronden voor de ondertoezichtstelling ontbreken. Volgens de moeder zijn de rapporten van de raad louter gericht op het bewerkstelligen van omgang, terwijl de vader in de periode voorafgaand aan de gevoerde procedure inzake kinderalimentatie nooit initiatief tot omgang heeft genomen. Ter terechtzitting heeft de moeder nog gewezen op de voorgeschiedenis van de vader waarin onder meer sprake was van drugsverslaving. De moeder stelt dat de band tussen haar en de minderjarige hecht is. De verstoring van de relatie met de zus van de moeder, die de minderjarige enige tijd heeft opgevangen, is ontstaan doordat deze zus de minderjarige niet meer aan de moeder wilde afgeven. Volgens de moeder zijn de prestaties van de minderjarige op school goed en geeft haar gedrag aldaar evenmin aanleiding tot zorgmeldingen. De moeder stelt dat zij samen met stiefvader de minderjarige een stabiel en liefdevol gezinsleven biedt, zodat de beschermingsmaatregel niet nodig is en niet in het belang is van de minderjarige.

6. De raad stelt dat de minderjarige veel heeft meegemaakt. Zij is een aantal keren gewisseld van woning, school en van primaire verzorger. Volgens de raad bestaan er veel conflicten tussen de moeder en de vader en de zus van de moeder, hetgeen een loyaliteitsconflict bij de minderjarige teweegbrengt. De raad stelt dat de minderjarige hierdoor op school zorgelijk gedrag vertoont en beneden haar kunnen presteert. Volgens de raad staat de moeder niet open voor vrijwillige hulpverlening en is de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de nodige hulpverlening voor de minderjarige te indiceren, te coördineren en te waarborgen.

7. De vader stelt dat aan de voorwaarden van artikel 1:254 BW is voldaan, zodat de ondertoezichtstelling terecht is uitgesproken. De vader ontkent dat er sprake zou zijn van een zogenaamde omgangs-ondertoezichtstelling. De vader stelt zich op het standpunt dat niet de omgangsregeling tussen hem en de minderjarige de hoogste prioriteit heeft, maar toezicht op de opvoedingssituatie en de minderjarige door een gezinsvoogd. De vader wijst hierbij onder meer op de voorgeschiedenis van de moeder waarin alcoholproblematiek een rol speelde.

8. De stiefvader heeft ter terechtzitting verklaard dat het goed gaat met de minderjarige, dat het veel te vroeg is voor een ondertoezichtstelling, alsmede dat de moeder en de stiefvader contact zullen houden met Jeugdzorg.

9. Het hof overweegt als volgt. Uit de aan het hof overgelegde stukken en uit het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat de minderjarige bij de moeder en de stiefvader in een stabiele opvoedingssituatie verkeert. De moeder heeft gemotiveerd en onbetwist gesteld dat zij geen alcohol meer gebruikt. Voorts heeft zij onweersproken verklaard dat de minderjarige regelmatig contact heeft met de grootouders en andere familieleden van vaderszijde en dat haar dochter een vrolijk kind is. De moeder heeft ter terechtzitting vervolgens verklaard dat het de minderjarige vrij staat contact op te nemen met de vader en de tante - zus van moeder - indien zij dat zou wensen. Zij zal dat contact niet beletten. De moeder heeft tevens aangegeven dat haar zus welkom is om de minderjarige thuis te bezoeken. Het hof is voorts niet gebleken dat het met de minderjarige op school niet goed zou gaan. Het overgelegde schoolrapport laat overwegend goede resultaten zien en de opmerkingen over het gedrag van de minderjarige geven naar het oordeel van het hof geen aanleiding tot ernstige zorgen. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de minderjarige thans zowel thuis als op school stabiel functioneert. Van overige gronden voor de ondertoezichtstelling is evenmin gebleken, zodat de ondertoezichtstelling van de minderjarige moet worden opgeheven. De bestreden beschikking dient dan ook te worden vernietigd.

10. Ten aanzien van de door de moeder verzochte schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking overweegt het hof als volgt. Nog daargelaten dat de moeder heeft verzuimd voormeld verzoek te onderbouwen, heeft zij hierbij geen belang nu haar verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking zal worden toegewezen. Het schorsingsverzoek zal derhalve worden afgewezen.

11. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

heft de ondertoezichtstelling van de minderjarige met ingang van de datum van deze beschikking op;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Stollenwerck en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2011