Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP7060

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
200.062.489-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Vaststelling draagkracht. Winst uit onderneming, gemiddelde van een aantal jaren, maar ook feitelijke financiële situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 26 januari 2011

Zaaknummer : 200.062.489/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-5280

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.B. Streefkerk te Almere,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.J. Post te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 8 april 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 januari 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 28 mei 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 10 juni 2010 en 1 december 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 15 december 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door mr. P.I.A.P.M. Zwaga, een kantoorgenoot van haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd, mr. Zwaga onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, de beschikking van 24 juni 2004 van het gerechtshof Amsterdam en de beschikking van 19 november 2003 van de rechtbank Amsterdam.

Bij beschikking van 19 november 2003 heeft de rechtbank Amsterdam de door de man met ingang van 19 november 2003 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarige op € 600,-- per maand vastgesteld.

Bij beschikking van 24 juni 2004 heeft het gerechtshof Amsterdam de beschikking van 19 november 2003 van de rechtbank Amsterdam vernietigd en opnieuw rechtdoende het inleidende verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarige alsnog afgewezen, met dien verstande dat voorzover de man van 2 mei 2003 tot 24 juni 2004 enige bijdrage heeft betaald en/of op hem is verhaald de bijdrage wordt bepaald op hetgeen door hem is betaald en/of op hem is verhaald.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank ’s-Gravenhage uitvoerbaar bij voorraad – met wijziging in zoverre van de beschikking van 24 juni 2004 van het gerechtshof Amsterdam – de door de man met ingang van 12 januari 2010 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige op € 600,-- per maand bepaald, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook kinderalimentatie) van de minderjarige [kind X], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige.

2. De man verzoekt het hof, voor zover uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, een beslissing te nemen op grond van het in het beroepschrift gestelde, inhoudende dat de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige alsnog wordt afgewezen.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het hoger beroep van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in staat moet worden geacht om binnen afzienbare tijd weer inkomsten te verwerven en dat hem een verdiencapaciteit toegedicht kan worden van € 35.000,-- bruto per jaar uit inkomsten uit dienstbetrekking en € 16.000,-- per jaar aan belastbare winst uit onderneming. Daarnaast stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de beschikking uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. De man stelt onvoldoende draagkracht te hebben om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 600,-- per maand te kunnen voldoen. De man voert daartoe aan dat zijn dienstverband per 1 oktober 2008 is beëindigd en dat hij, ondanks meerdere sollicitatiepogingen, nog geen nieuw dienstverband heeft gevonden. Voorts stelt de man dat zijn eigen onderneming zwaar heeft te lijden onder de recessie, waardoor hij nauwelijks nog opdrachten heeft en zijn omzet is gedaald. De man stelt dat op grond van een prognose zijn belastbare winst uit onderneming voor 2010 wordt geschat op €18.968,--.

5. De vrouw stelt dat de man zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. De vrouw voert daartoe aan dat de man sinds 2004 een aantal jaren een aanzienlijk inkomen heeft genoten en dat van hem kan worden verwacht dat hij in die jaren een buffer heeft aangelegd om perioden van minder inkomsten op te vangen, dan wel dat van hem verwacht kan worden dat hij binnenkort weer een vergelijkbaar inkomen verwerft. De vrouw stelt dat de man nog steeds inkomsten uit zijn onderneming heeft en dat zij vermoedt dat hij een deel van zijn inkomen in het buitenland verdient.

6. Het hof overweegt als volgt. Waar bij het bepalen van de behoefte ter zake van het inkomen gekeken kan worden naar meerdere jaren, dan wel een gemiddelde van een aantal jaar, geldt dit voor het bepalen van de draagkracht niet. Naar het oordeel van het hof dient bij het bepalen van de draagkracht als uitgangspunt te worden gehanteerd de feitelijke financiële situatie, waarbij tevens van belang is welk inkomen de alimentatieplichtige zich in redelijkheid kan verwerven. Nu geen van partijen bezwaar heeft gemaakt tegen de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van 12 januari 2010 gaat het hof daarvan uit en dient derhalve gekeken te worden naar de financiële situatie van de man in 2010. Naar het oordeel van het hof heeft de man – na betwisting door de vrouw – voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zich in 2009 en 2010 heeft ingespannen om een nieuw dienstverband te vinden. Voorts is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn onderneming te kampen heeft gehad met een daling van de omzet en dat zijn bedrijfsresultaat over 2010, inmiddels weer wat aangetrokken, omstreeks € 19.000,-- bedraagt. Rekeninghoudend met de overige financiële omstandigheden van de man, waaronder zijn lasten zoals door de rechtbank vastgesteld en waartegen geen van partijen bezwaar heeft gemaakt, constateert het hof dat de draagkracht van de man nauwelijks ruimte overlaat om een bedrag aan kinderalimentatie te voldoen.

Ter terechtzitting heeft de man aangeboden om met ingang van 1 januari 2011 voorlopig als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige een bedrag van € 150,-- per maand aan de vrouw te voldoen. Gelet op de financiële verantwoordelijkheid van de man ten opzichte van de minderjarige en zijn plicht om zich tot het uiterste in te spannen om binnen afzienbare tijd een inkomen te verwerven vergelijkbaar met zijn inkomen over de jaren 2006, 2007 en 2008 acht het hof het aanbod van de man niet onredelijk. Het hof gaat er van uit dat de man de vrouw op de hoogte zal houden van de positieve ontwikkelingen in zijn inkomen, zodat zij te zijner tijd in onderling overleg een (nieuw) passend bedrag aan kinderalimentatie kunnen vaststellen.

7. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

8. Voor zover de vrouw meer kinderalimentatie heeft ontvangen dan haar op grond van deze beschikking toekomt, zal het hof, gelet op het consumptief karakter van de kinderalimentatie, alsook de financiële situatie van de vrouw, bepalen dat zij hetgeen zij tot op heden eventueel teveel heeft ontvangen niet behoeft terug te betalen.

Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling dat de rechtbank ten onrechte haar uitspraak uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard onvoldoende heeft onderbouwd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 24 juni 2004 van het gerechtshof Amsterdam in zoverre – de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 januari 2011 op € 150,-- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw niet gehouden is terug te betalen hetgeen ter uitvoering van de vernietigde beschikking teveel is betaald of verhaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Dusamos en Van der Zanden, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2011.