Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP6854

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
22-005703-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor oplichting. De verdachte en zijn medeverdachte hebben (jonge) vrouwen bewogen tot het aangaan van een krediet bij een bank, door het te doen voorkomen alsof hun schuld zou worden "gewist" door een bevriende kennis bij de bank en door hen te vertellen dat het geld snel moest worden opgenomen zodat die bankmedewerker kon worden betaald. De oplichting van de banken kan niet worden bewezenverklaard, nu door het ontbreken van aangiften niet kan worden vastgesteld dat banken door de handelwijze van de verdachte en zijn medeverdachte zijn bewogen tot afgifte van het geldbedrag. De oplichting van de vrouwen kan met name niet worden bewezenverklaard, omdat een enkele leugen niet het oplichtingsmiddel "samenweefsel van verdichtsels" zoals bedoeld in artikel 326 Sr oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005703-08

Parketnummers: 09-535338-08 en 09-655366-08

Datum uitspraak: 7 maart 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 oktober 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats](Marokko) op [geboortedag] 1980,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 21 februari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 4 en 5 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep zijn -onder meer- de benadeelde partijen [vrouw 4], [vrouw 5] en [vrouw 6] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Deze benadeelde partijen hebben zich niet opnieuw in hoger beroep gevoegd. De namens deze benadeelde partijen in eerste aanleg ingediende vorderingen tot schadevergoeding zijn derhalve in hoger beroep niet meer aan de orde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 5 december 2005 te Leiden en/of Wassenaar en/of Zoetermeer en/of Leidschendam en/of Den Haag, in elk geval in het arrondissement 's Gravenhage en/of te Eibergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels [vrouw 1] en/of [vrouw 2] en/of [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] en/of [vrouw 6](telkens) heeft bewogen tot het aangaan van een schuld en/of tot de afgifte van (telkens) een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- die [vrouw 1] en/of [vrouw 2] en/of [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] en/of [vrouw 6] voorgesteld om een (studenten)krediet af te sluiten en/of

- daarbij aan voornoemde personen verteld dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) iemand bij de bank kende(n) die de lening, na uitbetaling, kon wissen, althans ongedaan kon maken, althans het saldo op nul kon zetten en/of

- voornoemde personen verteld hoe zij zich bij de bank het beste als studenten konden voordoen en/of (daarbij)

- voornoemde personen (telkens) een vals(e)/vervalst(e) diploma en/of cijferlijst en/of propedeuse en/of inschrijvingsbewijs en/of getuigschrift overhandigd en/of

- voornoemde personen het (studenten)krediet bij de ABN Amrobank en/of de Postbank en/of de Rabobank laten afsluiten en/of

- voornoemde personen meegedeeld dat het gestorte geld snel opgenomen moest worden (teneinde de door verdachte en/of zijn mededader(s) eerder genoemde medewerker van de bank te betalen om het krediet te kunnen wissen) en/of

- voornoemde personen het gestorte geld aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) laten afdragen;

waardoor voornoemde [vrouw 1] en/of [vrouw 2] en/of [vrouw 3]en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] en/of [vrouw 6](telkens) werd(en) bewogen tot het aangaan van een schuld en/of tot bovengenoemde afgifte;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 5 december 2005 te Leiden en/of Wassenaar en/of Zoetermeer en/of Leidschendam en/of Den Haag, in elk geval in het arrondissement 's Gravenhage en/of te Eibergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels de ABN Amrobank en/of de Rabobank en/of de Postbank (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van (telkens) een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich bij die bank(en) voorgedaan als studente en/of als studente die (reeds) de propedeuse had behaald en/of

- aan die bank(en) een vals(e) diploma en/of propedeuse en/of cijferlijst en/of getuigschrift en/of inschrijvingsbewijs overhandigd;

waardoor de ABN Amrobank en/of de Rabobank en/of de Postbank (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 5 december 2005 te Leiden en/of Wassenaar en/of Zoetermeer en/of Leidschendam en/of Den Haag in elk geval in het arrondissement 's Gravenhage en/of te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [vrouw 7] en/of [vrouw 8] en/of [vrouw 9] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of de ABN Amrobank en/of de Rabobank (telkens) heeft bewogen tot het aangaan van een schuld en/of tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- die [vrouw 7] en/of [vrouw 8] en/of [vrouw 9] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] voorgesteld om een (flexibel) krediet af te sluiten en/of

- daarbij aan voornoemde personen verteld dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) iemand bij de bank kende(n) die de lening, na uitbetaling, kon wissen, althans ongedaan kon maken, althans het saldo op nul kon zetten en/of

- voornoemde personen verteld hoe zij zich bij de bank het beste konden voordoen en/of (daarbij)

- voornoemde personen het (flexibele)krediet bij de ABN Amrobank en/of de Rabobank laten afsluiten en/of

- voornoemde personen meegedeeld dat het gestorte geld snel opgenomen moest worden (teneinde de door verdachte en/of zijn mededader(s) eerder genoemde medewerker van de bank te betalen om het krediet te kunnen wissen) en/of

- voornoemde personen het gestorte geld aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) laten afdragen;

waardoor voornoemde [vrouw 7] en/of [vrouw 8] en/of [vrouw 9] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of de ABN Amrobank en/of de Rabobank (telkens) werd(en) bewogen tot het aangaan van een schuld en/of tot bovenomschreven afgifte;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 5 december 2005 te Leiden en/of Zoetermeer en/of Wassenaar en/of Leidschendam en/of Den Haag, in elk geval in het arrondissement Den Haag en/of te Eibergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) diploma en/of propedeuse en/of cijferlijst en/of getuigschrift en/of inschrijvingsbewijs, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, en bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat voornoemd(e) diploma en/of propedeuse en/of cijferlijst en/of getuigschrift en/of inschrijvingsbewijs getoond/afgegeven werd(en) om een (studenten)krediet af te (kunnen) sluiten en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat door de op voornoemd(e) papier(en) vermelde perso(o)n(en) geen (deel)opleiding(en) was/waren genoten en/of voltooid en/of mitsdien geen van voornoemde papieren door de betrokken onderwijsinstelling was/waren opgesteld en/of uitgereikt en/of ondertekend;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 5 december 2005 te Leiden en/of Zoetermeer en/of Wassenaar en/of Leidschendam en/of Den Haag, in elk geval in het arrondissement Den Haag en/of te Eibergen, althans in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) één of meer diploma('s) en/of propedeuse(s) en/of cijferlijst(en) en/of getuigschrift(en) en/of inschrijvingsbewijs/ inschrijvingsbewijzen en/of een aanvraagformulier voor een lening op naam van [vrouw 6], - (elk) zijnde een geschrift/geschriften die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar (telkens) valselijk

- voornoemd(e) diploma('s) en/of propedeuse(s) en/of cijferlijst(en) en/of getuigschrift(en) en/of inschrijvingsbewijs/inschrijvingsbewijzen (door middel van een computer) vervaardigd, zulks terwijl door de op voornoemde diploma('s) en/of propadeuse(s) en/of cijferlijst(en) en/of getuigschrift(en) en/of inschrijvingsbewijs/inschrijvingsbewijzen vermelde perso(o)n(en) geen (deel)opleidingen was/waren genoten en/of gevolgd en/of voltooid en/of

- op dat aanvraagformulier op naam van die [vrouw 6] in strijd met de waarheid ingevuld dat die [vrouw 6] studiefinanciering ontving, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

5.

ter berechting gevoegd de zaak met nummer 09/655366-08:

hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2004 tot en met 24 oktober 2006 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 3] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld en/of tot de afgifte van 28.500 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- die [benadeelde partij 3] verteld dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een kledingwinkel, althans een bedrijf wilde(n) beginnen en/of

- die [benadeelde partij 3] verteld dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) iemand zocht(en) die hem/hun geld kon lenen om in het bedrijf te investeren en/of

- die [benadeelde partij 3] een businessplan laten zien en/of

- met die [benadeelde partij 3] afgesproken dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) de lening en/of de aflossing en/of de rente binnen zes maanden, althans binnen een jaar, aan die [benadeelde partij 3] zou(den) terugbetalen,

waardoor die [benadeelde partij 3] werd bewogen tot het aangaan van een schuld en/of tot bovenomschreven afgifte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de inleidende dagvaarding met betrekking tot feit 1 tweede cumulatief/alternatief en feit 3 nietig behoort te worden verklaard omdat het onder 1 tweede cumulatief/alternatief en 3 tenlastegelegde onvoldoende feitelijk bepaald is, nu met betrekking tot feit 1 tweede cumulatief niet duidelijk is om welke bankfilialen het precies gaat en ten aanzien van feit 3 onduidelijk is onder welke omstandigheden precies gebruik zou zijn gemaakt van valse of vervalste geschriften.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het op de inleidende dagvaarding onder 1 tweede cumulatief/alternatief en 3 gestelde een voldoende duidelijke omschrijving bevat van hetgeen de verdachte wordt verweten, mede gelet op het feit dat de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg wist over welke gebeurtenissen het ging en niet te kennen heeft gegeven niet te hebben begrepen wat hem ten laste is gelegd. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Vrijspraak

Vrijspraak van de tenlastegelegde feiten 1 en 2

De onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten betreffen het verwijt aan de verdachte dat hij samen met een ander banken met behulp van (jonge) vrouwen heeft opgelicht; deze vrouwen zouden daarbij op hun beurt óók door de verdachte en zijn mededader zijn opgelicht, waardoor zij zich bij die banken in de schuld hebben gestoken. De verdachte zou samen met die mededader de vrouwen onder valse voorwendselen een lening bij een bank hebben laten afsluiten; daarbij zou onder meer gebruik zijn gemaakt van valse dan wel vervalste papieren om de bank tot het afsluiten van die leningen te bewegen (zie feit 3).

Uit het dossier komt de navolgende werkwijze naar voren. De medeverdachte ontmoette een aantal van de vrouwen (veelal) in het uitgaansleven, ging een relatie met hen aan en bracht hen er op enig moment toe om een studentenlening of een (flexibel) krediet af te sluiten; in andere gevallen bracht een vrouw met wie de mededader een relatie onderhield zelf een andere vrouw met hem in contact om een dergelijke lening af te sluiten. De mededader bracht de vrouwen vervolgens in contact met de (financieel onderlegde) verdachte die hen instrueerde hoe zij dienden te handelen in hun contact met de bank. De vrouwen - die zich (in strijd met de waarheid) in een aantal gevallen als (gevorderde) studentes moesten voordoen - werd voorgehouden dat de verdachte en zijn mededader iemand bij de bank kenden die de afgesloten lening kon 'wissen', ongedaan kon maken. De vrouwen, die voor hun medewerking een beloning ontvingen, droegen het na het afsluiten van de lening contant opgenomen geldbedrag aan de verdachte en zijn mededader af.

Hun lening werd - anders dan was voorgespiegeld - echter niet gewist.

De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring van deze feiten bepleit. Het hof is echter van oordeel dat de verdachte van beide vormen van oplichting (van de banken en van de vrouwen) dient te worden vrijgesproken en overweegt daartoe als volgt.

Met betrekking tot de tenlastegelegde oplichting van de banken overweegt het hof dat deze niet kan worden bewezen, reeds vanwege het gegeven dat door het ontbreken van aangiften van de betreffende banken niet kan worden vastgesteld dat één of meer van deze banken door de geschetste handelwijze van de verdachte, zijn mededader (en de vrouwen) is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag. De verdachte dient dan ook van oplichting van de banken te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de tenlastegelegde oplichting van de vrouwen overweegt het hof dat - hoe kwalijk de handelwijze van de verdachte en zijn mededader ook is - in het onderhavige geval aan een bewezenverklaring vaste rechtspraak in de weg staat, namelijk dat een enkele leugen niet het oplichtingsmiddel "samenweefsel van verdichtsels" zoals bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, oplevert. De tenlastelegging houdt als het door de verdachte en zijn mededader gebezigde oplichtingsmiddel in de kern slechts in dat zij hebben gezegd iemand bij de bank te kennen die de af te sluiten lening kon wissen of ongedaan kon maken. Dit is - zoals door de verdediging ook bepleit - onvoldoende om een samenweefsel van verdichtsels te kunnen aannemen. Dat de verdachte en zijn mededader er bij de vrouwen op aandrongen het te lenen bedrag snel op te nemen, opdat de relatie bij de bank zou kunnen worden betaald, maakt dat niet anders.

Het tenlastegelegde kan evenmin als het aannemen van een valse naam of hoedanigheid dan wel een listige kunstgreep (de andere tenlastegelegde, mogelijke oplichtingsmiddelen) worden gekwalificeerd. Daarbij merkt het hof op dat het in het contact met de banken gebruiken van valse dan wel vervalste papieren ten aanzien van de vrouwen niet kan worden gezien als een jegens hen gebruikte listige kunstgreep, mede omdat zij over het gebruik daarvan bij het afsluiten van de lening steeds op de hoogte waren.

Vrijspraak van de tenlastegelegde feiten 4 en 5

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich aan het hem onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 5 december 2005 te Wassenaar en Leidschendam en Den Haag en Eibergen tezamen en in vereniging met een ander meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals diploma en/of propedeuse en/of cijferlijst en/of getuigschrift en/of inschrijvingsbewijs, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, en bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat voornoemd(e) diploma en/of propedeuse en/of cijferlijst en/of getuigschrift en/of inschrijvingsbewijs getoond/afgegeven werd(en) om een (studenten)krediet af te kunnen sluiten en bestaande die valsheid hierin dat door de op voornoemde papieren vermelde personen geen (deel)opleidingen waren genoten en/of voltooid en/of mitsdien geen van voornoemde papieren door de betrokken onderwijsinstelling waren opgesteld en/of uitgereikt en/of ondertekend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsook op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander meermalen schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften zoals propedeuses en getuigschriften, met behulp van welke geschriften bij diverse banken studentenkredieten zijn afgesloten. Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming als de onderhavige.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 februari 2011 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van misdrijven. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is -alles overwegende- van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 weken een passende en geboden reactie vormt.

Het hof heeft geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de zaak niet binnen 2 jaren na het instellen van het hoger beroep op 9 oktober 2008 is afgedaan. Het hof zal de overschrijding van de bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat en de op te leggen gevangenisstraf met 2 weken bekorten.

Vorderingen tot schadevergoeding [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

[benadeelde partij 1] heeft zich met betrekking tot het onder 2 aan de verdachte tenlastegelegde feit als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van dat feit, tot een bedrag van € 24.000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 24.000,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 18.000,- en afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het overige.

[benadeelde partij 2] heeft zich met betrekking tot het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde feit als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van dat feit, tot een bedrag van € 28.935,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 14.000,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.925,- en afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het overige.

[benadeelde partij 3] heeft zich met betrekking tot het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde feit als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van dat feit, tot een bedrag van € 28.763,22.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 28.763,22.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de zich in het dossier bevindende vorderingen tot schadevergoeding geen deel uitmaken van de onderhavige zaak nu deze vorderingen uitsluitend zijn ingediend in de zaak tegen de medeverdachte.

Anders dan de verdediging ziet het hof geen reden om de betreffende vorderingen tot schadevergoeding, die klaarblijkelijk mede blijkens hun inhoud betrekking hebben op de aan de verdachte onder 2 en 5 tenlastegelegde feiten, buiten beschouwing te laten.

Nu de verdachte van het onder 2 en 5 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dienen de benadeelde partijen echter niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen.

Omdat door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

10 (tien) weken.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler,

mr. C.J. van der Wilt en mr. P.J. Wurzer, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 maart 2011.

Mr. P.J. Wurzer en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.