Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP6720

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
BK-09-00675
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4148, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accijns. Boete. Naheffingsaanslag is terecht opgelegd aangezien de uitslag van accijnsgoederen plaatsvond vanuit een AGP naar B die geen houder meer was van een belastingentrepot. Niet wordt voldaan aan art. 2, derde lid, aanhef en onderdeel b, WA. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, nu vaststaat dat B op het tijdstip waarop de goederen de AGP verlieten geen houder meer was van een belastingentrepot, niet meer wordt toegekomen aan artikel 86a WA. Ook geen sprake van materiële zuivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00675

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 26 januari 2011

op het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., statutair gevestigd te [Z], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 juli 2009, nr. AWB 08/4677 ACCIJ, betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikkingen.

Naheffingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is, met dagtekening 29 augustus 2007, door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Douane (kantoor [P]) voor het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 een naheffingsaanslag accijns van overige alcoholhoudende producten ten bedrage van € 98.507. Bij gelijktijdig genomen beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 4.537 opgelegd en € 3.261 aan heffingsrente in rekening gebracht. De naheffingsaanslag en beschikkingen zijn in een geschrift vervat.

1.2. Belanghebbende heeft op 11 september 2007 tegen de naheffingsaanslag en beschikkingen bezwaar gemaakt bij de Inspecteur. Bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 juni 2008 heeft de Inspecteur de door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en beschikkingen gemaakte bezwaren afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 26 juni 2008 tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank Haarlem ingesteld. De griffier van de rechtbank Haarlem heeft dat beroepschrift op 1 juli 2008 aan de rechtbank 's-Gravenhage doorgezonden. Die rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van € 447.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 december 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Het Hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, opgenomen onder 2.1 tot en met 2.9 van haar uitspraak, waarbij de rechtbank belanghebbende als "eiseres" en de Inspecteur als "verweerder" heeft aangeduid:

"2.1. Eiseres kreeg begin 2006 van [A] S.L. opdracht tot het vervoeren van 2400 kartons [goederen] (hierna: de goederen) onder schorsing van accijns naar Spanje, alwaar de kartons dienden te worden afgeleverd bij [B] S.L. (hierna: [B]).

2.2. Eiseres heeft op 15 februari 2006 per fax bij de douanepost District [P] geïnformeerd of [B] bekend was als belastingentrepot voor (gedestilleerde) drank. Deze fax is door een medewerker van de douanepost voorzien van een stempel en de aantekening "Is accoord". Bij faxbericht van 4 april 2006 heeft eiseres nogmaals dezelfde vraag gesteld aan de douanepost District [P]. Ook deze fax is door een medewerker van de douanepost voorzien van een stempel, alsmede van de aantekening "is ok alleen voor ov. alc. prod.". Eveneens op 4 april 2006 heeft eiseres per fax van [B] een afschrift ontvangen van de vergunning van [B] voor het beheren van een belastingentrepot. De vergunning was volgens de tekst ervan geldig van 1 april 2005 tot en met 31 december 2009.

2.3. Op 5 april 2006 heeft de Spaanse douane de vergunning van [B] ingetrokken. Eiseres is hiervan niet op de hoogte gesteld door de Nederlandse of de Spaanse douane. De intrekking van de vergunning is op 1 augustus 2006 geregistreerd in de databank System Exchange Excise Data (hierna: SEED).

2.4. Het vervoer van de goederen vanuit de accijnsgoederenplaats (hierna: AGP) van eiseres is aangevangen op 7 april 2006. Op die dag heeft eiseres met inachtneming van artikel 2b van het Uitvoeringsbesluit Accijns per fax het vervoer aangemeld bij de Nederlandse douane. De douane heeft deze melding niet doorgegeven aan de Spaanse douane.

2.5. Eiseres heeft op 18 mei 2006 per fax van [B] een kopie ontvangen van het derde exemplaar (het zogeheten terugzendingsexemplaar) van het door [B] afgetekende administratief geleidedocument nr. [00000000] (hierna: het AGD). Het originele AGD is op 12 april 2006 door [B] ter visering aangeboden aan de Spaanse douane. Visering heeft evenwel niet plaatsgevonden.

2.6. Op vragen van de Nederlandse douane in het kader van een verzoek om wederzijdse bijstand heeft de Spaanse douane geantwoord dat het belastingentrepot van [B] per 5 april 2006 is afgesloten (vergrendeld), dat [B] geen goederen van eiseres heeft ontvangen met het AGD met nummer [00000001] (Hof: bedoeld moet zijn [00000000]) en dat geen visering van het AGD heeft plaatsgehad, omdat [B] geen acht heeft geslagen op de vereisten voor inschrijving in de administratie en de bestemming van de goederen.

2.7. Tot de gedingstukken behoren in kopie de volgende bescheiden:

- de CMR-vrachtbrief waarmee de goederen zijn vervoerd en welke is voorzien van een stempel en een handtekening van (een medewerker van) [B] (bijlage VI bij het bezwaarschrift);

- het geleidedocument bij door [B] bij de Spaanse douane ingediende bescheiden waarin het nummer van het AGD en de naam van eiseres worden genoemd en als datum van ontvangst is vermeld 10 april 2006 (bijlage VII bij het bezwaarschrift);

- een opgave van [B] waarbij de daarachter gevoegde documenten aan de Spaanse douane zijn aangeboden en waarop onder meer het nummer van het AGD en het BTW-nummer van eiseres zijn vermeld (bijlage VIII bij het bezwaarschrift).

2.8. Zowel de factuur van eiseres ter zake van het vervoer van de goederen als de factuur ter zake van de levering van de goederen is betaald.

2.9. Bij een op 1 februari 2007 bij eiseres ingestelde deelcontrole is geconstateerd dat het AGD niet is gezuiverd en dat eiseres de niet-zuivering tijdig heeft gemeld. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de naheffingsaanslag en de verzuimboete opgelegd. De verzuimboete is opgelegd op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. "

3.2.1. In aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten, stelt het Hof de volgende feiten vast.

3.2.2. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt in dier voege dat de Inspecteur en belanghebbende akkoord gaan met vermindering van de opgelegde verzuimboete tot nihil waar tegenover belanghebbende haar beroep op een proceskostenvergoeding laat vallen.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de naheffingsaanslag heeft opgelegd welke vraag de Inspecteur bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende neemt in hoger beroep de volgende standpunten in:

primair: de uitspraak van de rechtbank geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat in casu aan toepassing van artikel 86a van de Wet op accijns niet wordt toegekomen;

subsidiair: er is sprake van materiële zuivering;

meer subsidiair: de plaats waar de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan ligt niet in Nederland maar in Spanje.

4.3. Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering voor wat betreft de boete, welke kan komen vervallen.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1.1.De rechtbank heeft voor zover in hoger beroep voor de beoordeling van het primaire standpunt van belanghebbende van belang omtrent het geschil het volgende overwogen. Daarbij dient onder "eiseres" te worden verstaan: belanghebbende, en onder "verweerder": de Inspecteur.

"4.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, en derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet wordt onder uitslag verstaan het brengen van een accijnsgoed buiten een plaats die voor dat soort accijnsgoed als accijnsgoederenplaats is aangewezen, en wordt niet als uitslag aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een belastingentrepot.

4.2. Verweerder neemt het standpunt in dat ten tijde van de aanvang van het vervoer van de goederen op 7 april 2007 [B] niet meer beschikte over een vergunning voor een belastingentrepot, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 2, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet en sprake is van uitslag doordat de goederen de AGP van eiseres hebben verlaten. Het vorenstaande brengt mee dat niet wordt toegekomen aan een discussie omtrent de vraag of eiseres op alternatieve wijze (dat wil zeggen op andere wijze dan is voorgeschreven in artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit accijns) heeft aangetoond dat de goederen vanuit de AGP van eiseres naar een belastingentrepot zijn gebracht, aangezien geen sprake (meer) is van een belastingentrepot bij [B], aldus verweerder.

4.3. Dit standpunt van verweerder is juist. Vaststaat dat zowel op het moment waarop de goederen de AGP van eiseres verlieten (7 april 2007) als op het moment waarop de goederen volgens eiseres door [B] zijn ontvangen (10 april 2007) [B] geen houder meer was van een belastingentrepot. Bijgevolg is niet voldaan aan de in artikel 2, derde lid, onderdeel c (Hof: bedoeld moet zijn onderdeel b), gestelde voorwaarde dat de goederen naar een belastingentrepot zijn gebracht. Verweerder heeft terecht terzake van die uitslag de accijns nageheven van eiseres.

4.4. Eiseres heeft zich beroepen op artikel 20 van de Richtlijn 92/12/EG (hierna: de Richtlijn). Dit artikel is geïmplementeerd in artikel 86a van de Wet, dat voor zover hier van belang als volgt luidt:

"3. Wanneer met betrekking tot accijnsgoederen die vanuit Nederland zijn verzonden tijdens het intracommunautaire vervoer onder schorsing van de accijns een onregelmatigheid of een overtreding in Nederland wordt begaan, worden deze goederen geacht te zijn uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht.

4. Wanneer tijdens het in het derde lid bedoelde vervoer van accijnsgoederen blijkt dat deze goederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid of de overtreding is begaan, wordt deze geacht te zijn begaan in Nederland en worden deze goederen geacht te zijn uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht, tenzij binnen een termijn van vier maanden vanaf de datum van verzending van de goederen wordt aangetoond dat de handeling regelmatig was of dat de onregelmatigheid of de overtreding daadwerkelijk werd begaan in een andere lid-staat."

4.6. Nu vaststaat dat [B] op het tijdstip waarop de goederen de AGP verlieten geen houder meer was van een belastingentrepot wordt naar het oordeel van de rechtbank niet meer toegekomen aan artikel 86a WA. Dit artikel ziet op de situatie dat er tijdens het intracommunautair vervoer van accijnsgoederen onder schorsing van accijns iets gebeurt als gevolg waarvan de goederen uiteindelijk de bestemming belastingentrepot niet (volledig) bereiken. In het voorliggende geval was echter reeds op het moment dat de goederen de AGP van eiseres verlieten geen sprake van het brengen van de goederen naar een belastingentrepot. Van onregelmatigheden tijdens vervoer met als bestemming een belastingentrepot kan dan geen sprake meer zijn.

4.7. Eiseres stelt dat met de onder 2.5 bedoelde kopie en de onder 2.7 genoemde bescheiden afdoende is aangetoond dat de goederen hun bestemming in Spanje hebben bereikt. Dat de goederen na het verlaten van de AGP volgens eiseres wel naar Spanje zijn vervoerd en aldaar zijn aangekomen, wat daar overigens van zij, maakt echter niet dat daarmee sprake is van het met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een belastingentrepot in de zin van artikel 2, derde lid, aanhef en onder b van de Wet."

6.2.1. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt deze tot de zijne onder overneming van de daarvoor gebezigde gronden.

6.3.1. Ten aanzien van het door belanghebbende in hoger beroep ingenomen subsidiaire standpunt (er is sprake van materiële zuivering) en het meer subsidiaire standpunt (de plaats waar de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan ligt niet in Nederland maar in Spanje) overweegt het Hof - al dan niet in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank - als volgt.

6.3.2. Belanghebbende betoogt, met verwijzing naar onder meer de in 3.1 onder de punten 2.5, 2.7 en 2.8 vermelde documenten en met aanhaling van onder meer artikel 15, vierde lid en artikel 20 van de Richtlijn, dat de onderhavige accijnsgoederen geacht moeten worden te zijn gelost in het belastingentrepot van [B]. Deze redenering van belanghebbende volgt het Hof niet, reeds omdat de bepalingen opgenomen in Titel III Verkeer van de Richtlijn steeds aanknopen bij het uitgangspunt dat het verkeer van accijnsproducten dat onder de schorsingsregeling plaatsvindt tussen belastingentrepots moet geschieden (vergelijk artikel 15, eerste lid, Richtlijn). Nu, gelet op het in 6.1.1 onder punt 4.3. overwogene, van een dergelijk verkeer in casu geen sprake is, kan het door belanghebbende aangevoerde niet tot het door haar bepleite gevolg van "materiële zuivering" leiden.

6.3.3. Belanghebbende bepleit voorts dat op basis van alle door haar in het geding gebrachte stukken geconcludeerd moet worden dat de plaats waar de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan, en daarmee de plaats waar de verschuldigdheid van accijns is ontstaan, niet in Nederland maar in Spanje is gelegen. Dit betoog faalt eveneens. Artikel 20 van de Richtlijn is van toepassing wanneer tijdens het verkeer een onregelmatigheid is begaan. Met het woord verkeer kan niets anders bedoeld zijn dan het verkeer tussen belastingentrepots waarvan zoals in 6.3.2 is overwogen in casu geen sprake is, zodat aan beantwoording van de vragen of een onregelmatigheid als vorenbedoeld zich heeft voorgedaan en zo ja op welke plaats niet wordt toegekomen.

6.4. Gelet op de tussen partijen bereikte overeenstemming, vermeld in 3.2.2, dient de opgelegde verzuimboete te worden verminderd tot nihil.

6.5. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ten dele gegrond is. Beslist moet worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht, gelet op het in 3.2.2 vermelde, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7.2. Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 288 alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 447 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- bevestigt de uitspraken op bezwaar behoudens de uitspraak op bezwaar tegen de verzuimboetebeschikking;

- vermindert de verzuimboete tot nihil;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 735 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.P. Baldewsing. De beslissing is op 26 januari2011 in het openbaar uitgesproken. Wegens ontstentenis van de griffier is de uitspraak alleen door de voorzitter ondertekend.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.