Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP6279

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
22-000562-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BL0119, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW5164, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW5164
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 2.1.1.1 van de APV van Ridderkerk en artikel 6.2. van die APV

Aan de verdachte is op grond van artikel 184 Sr -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij niet heeft voldaan aan een door een politieambtenaar gegeven bevel om zich te verwijderen. Eén van de in artikel 184 Sr opgenomen bestanddelen van de delictsomschrijving is dat een dergelijk bevel dient te zijn gegeven 'krachtens wettelijk voorschrift'.

Het wettelijk voorschrift waar het gegeven bevel in het onderhavige geval volgens de tenlastelegging primair op is gegrond, is artikel 2.1.1.1 van de APV.

Wanneer artikel 2.1.1.1 van de APV in samenhang wordt gelezen met artikel 6.2 van de APV is daarmee aan de eis van uitdrukkelijkheid die de Hoge Raad aan een wettelijk voorschrift in de zin van 184 Sr stelt voldaan. Kort en goed regelen beide artikelen gezamenlijk uitdrukkelijk dat een opsporingsambtenaar bevoegd is in bepaalde situaties bevelen te geven en zijn deze opsporingsambtenaren belast met het toezicht op de naleving daarvan.

Het wettelijk voorschrift waar het in casu gegeven bevel zijn grondslag vindt is derhalve artikel 2.1.1.1 juncto 6.2 van de APV. Nu subsidiair ten laste is gelegd 'krachtens enig wettelijk voorschrift' kan dat bestanddeel op die wijze worden bewezenverklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000562-10

Parketnummer: 10-692117-08

Datum uitspraak: 18 januari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 januari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag], wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 14 december 2010 en 4 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van 50 euro, subsidiair één dag hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 januari 2008 te Ridderkerk opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2.1.1.1 onder 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Ridderkerk, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [A], hoofdagent van politie Rotterdam-Rijnmond en/of [B], agent van politie Rotterdam-Rijnmond, die was/waren belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was/waren belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze/die ambtena(a)r(en) hem had(den) bevolen, althans van hem had(den) gevorderd zich te verwijderen van de ingang/uitgang van sporthal "De Fakkel", gelegen op of aan de Fakkel, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden.1

De verbalisanten [A], hoofdagent van politie Rotterdam-Rijnmond en [B], agent van politie Rotterdam-Rijnmond, hebben gerelateerd dat zij zich op 1 januari 2008 ter hoogte van de sporthal De Fakkel te Ridderkerk bevonden. Daar was een feest gaande in verband met de viering van de jaarwisseling. Omdat er ter plaatse ongeregeldheden plaats vonden werden de bezoekers bij het naar buiten komen uit de sporthal gevorderd zich bij de uitgang te verwijderen. De verbalisanten hebben de verdachte tweemaal gevorderd zich bij de uitgang te verwijderen. De verdachte voldeed niet aan deze vordering.2

De verbalisanten hebben voorts gerelateerd dat zij op 1 januari 2008 te Ridderkerk ter plaatse waren in verband met de handhaving van de openbare orde bij het oud en nieuw feest in sporthal De Fakkel en dat zij op grond van artikel 2.1.1.1 onder 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) van de gemeente Ridderkerk de verdachte hebben gevorderd zich bij de uitgang van genoemde locatie te verwijderen.3

Ter terechtzitting in eerste aanleg zijn beide verbalisanten als getuige gehoord. [A] heeft verklaard dat bij het uitgaan van het feest wanordelijkheden ontstonden. Er ontstonden irritaties bij de gasten die naar buiten kwamen. Daarop hebben zij (het hof begrijpt: hij en zijn collega [B]) de mensen gevorderd naar huis te gaan. Zij waren daar voor het bewaken van de openbare orde en hadden als opdracht gekregen wanordelijkheden of komende wanordelijkheden te stoppen. [A] heeft de verdachte meerdere malen mondeling kenbaar gemaakt zich te verwijderen. De verdachte kwam steeds terug naar de plaats waar hij met zijn collega stond. [B] heeft verklaard dat toen zij (het hof begrijpt: hij en zijn collega [A]) er kwamen, er al vechtpartijtjes waren. Op het moment dat er wanordelijkheden ontstonden zijn ze gaan vorderen. Hij heeft verklaard dat hij de verdachte heeft aangesproken en hem heeft gewezen op de plaats waar hij naar toe moest, te weten de uitgang van het terrein. De verdachte kwam op een gegeven moment weer terug in de richting waar de verbalisanten stonden.4

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 1 januari 2008 aanwezig was bij het nieuwjaarsfeest in "De Fakkel" te Ridderkerk. Toen hij buiten was wilde hij weer naar binnen. Hij werd tegengehouden door de bewaking. Niemand mocht meer naar binnen. Toen hij even later in de richting van "De Fakkel" liep werd hij door twee agenten tegengehouden en in de richting van de weg gedrongen. Hij is daar blijven wachten op zijn vrienden. Twee à vier minuten later kwamen dezelfde agenten die hem naar de weg hadden gedrongen weer aanlopen. Ze zeiden hem dat hij al eerder was gewaarschuwd en dat hij nu echt weg moest gaan. Hij ging bij een groep mensen staan wachten, maar hoorde een agent zeggen dat ze weg moesten gaan van die plaats. Ze werden weggestuurd van "De Fakkel". Onbewust liep hij echter in de richting van "De Fakkel". Daar werd hij aangesproken door dezelfde twee agenten die hem zeiden dat ze hem nu al voor de derde keer aanspraken en dat dit een reden was om hem aan te houden.5

In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij door twee agenten tweemaal is aangesproken en dat hem toen is gezegd dat hij weg moest gaan. Hij heeft verklaard dat hij op zijn vrienden is blijven wachten en dat hij toen is aangehouden.6

Standpunt verdediging

A) De raadsman van de verdachte heeft -overeenkomstig zijn pleitnota- ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde nu artikel 2.1.1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Ridderkerk niet aangemerkt kan worden als een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.

Ter adstructie van zijn betoog heeft de raadsman -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat:

* de APV geen expliciete bevoegdheid aan ambtenaren geeft;

* de APV slechts een herhaling van de artikelen 2 en 12 van de Politiewet behelst.

B) De raadsman heeft in aanvulling op dit verweer bepleit dat wanneer artikel 2.1.1.1 van de APV (het hof begrijpt: de APV van Ridderkerk) in samenhang wordt gelezen met artikel 6.2 van die APV (het hof begrijpt: de APV van Ridderkerk) daarmee niet aan de eis van de uitdrukkelijkheid die de Hoge Raad aan een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht stelt is voldaan, nu artikel 6.2 van de APV slechts bepaalt wie er met het toezicht op de naleving is belast.

Volgens de raadsman is namelijk in artikel 6.2 van de APV van Ridderkerk het volgende bepaald:

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college of de burgemeester aangewezen ambtenaren van:

a. de dienst Stadstoezicht;

b. de Dienst van Gemeentewerken.

2. Tevens zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen andere ambtenaren.

C) Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, nu de verbalisanten niet bevoegd waren om te vorderen dat men zich verwijderde. Ter adstructie van zijn betoog heeft de raadsman -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat, nu uit het dossier niet blijkt dat er sprake was van één van de situaties zoals omschreven in artikel 2.1.1.1 onder 2 van de APV van Ridderkerk, de vordering van de verbalisanten niet is aan te merken als een bevel of vordering in de zin van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Hij heeft -overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir- geconcludeerd dat wanneer artikel 2.1.1.1 van de APV van Ridderkerk in samenhang wordt gelezen met artikel 6.2. van die APV, daarmee aan de eis van uitdrukkelijkheid die de Hoge Raad aan een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht stelt is voldaan. Beide artikelen regelen gezamenlijk uitdrukkelijk dat een opsporingsambtenaar bevoegd is in bepaalde situaties een bevel te geven en dat deze opsporingsambtenaren belast zijn met het toezicht op de naleving daarvan. De advocaat-generaal heeft voorts geconcludeerd dat, gelet op de verklaringen die de verbalisanten [A] en [B] ter terechtzitting in eerste aanleg hebben afgelegd, ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een situatie als omschreven in artikel 2.1.1.1, tweede lid, APV.

Oordeel hof

Ten aanzien van het onder B gevoerde verweer van de raadsman is het hof van oordeel dat dit feitelijke grondslag mist nu de raadsman ter onderbouwing ervan uitgaat van een artikel 6.2 dat niet in de APV van de gemeente Ridderkerk was opgenomen, doch dat ten tijde van het tenlastegelegde was terug te vinden in de APV van de gemeente Rotterdam. De raadsman gaat derhalve uit van een wettekst die niet van toepassing was op het tenlastegelegde feit. Uitgaande van de tekst van artikel 6.2 van de APV van Ridderkerk zoals geldend ten tijde van het tenlastegelegde feit is het verweer onvoldoende onderbouwd, zoals het hof hieronder nader uiteen zal zetten. Het hof verwerpt het verweer.

Het hof overweegt ten aanzien van het onder C gevoerde verweer als volgt.

De verbalisanten [A] en [B] hebben ter terechtzitting in eerste aanleg over de situatie ter plaatse verklaard dat reeds vechtpartijtjes en wanordelijkheden waren ontstaan en dat zij ter handhaving van de openbare orde de aanwezigen, onder wie de verdachte, hebben gevorderd zich te verwijderen. Gelet op deze verklaringen is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval de openbare orde daadwerkelijk in het geding was en dat de verbalisanten derhalve bevoegd waren de verdachte te vorderen zich te verwijderen.

Ten aanzien van het door de raadsman onder A gevoerde verweer overweegt het hof het volgende. Dit verweer is een herhaling van een in eerste aanleg gevoerd verweer. Nu het hof van oordeel is dat de rechtbank dit terecht en op goede gronden heeft verworpen, zal het hof de betreffende overwegingen van de rechtbank tot de zijne maken en hieronder -met verbetering van een enkele verschrijving- letterlijk overnemen.

Krachtens wettelijk voorschrift

Aan de verdachte is op grond van artikel 184 Sr -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij niet heeft voldaan aan een door een politieambtenaar gegeven bevel om zich te verwijderen. Eén van de in artikel 184 Sr opgenomen bestanddelen van de delictsomschrijving is dat een dergelijk bevel dient te zijn gegeven 'krachtens wettelijk voorschrift'.

Artikel 2 Politiewet als basis

Het wettelijk voorschrift waar het gegeven bevel in het onderhavige geval volgens de tenlastelegging primair op is gegrond, is artikel 2.1.1.1 van de APV.

Voor zover hier van belang luidt dat artikel als volgt:

Artikel 2. 1. 1. 1 Samenscholing en ongeregeldheden

2. Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

In de toelichting op dit artikel is -voor zover hier van belang- het volgende opgenomen.

Het gaat hier om reeds bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid kan gestoeld worden op de artikelen 2 en 12 Politiewet (..) Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element vormt.

Uit het artikel noch uit de daarop gegeven toelichting volgt dat het de gemeentelijke wetgever bij de totstandkoming van 2.1.1.1 van de APV voor ogen heeft gestaan om expliciet een nieuwe bevelsbevoegdheid voor de politie te creëren. De tekst van de bepaling geeft aan dat onder bepaalde omstandigheden voor een burger de rechtsplicht bestaat zich te verwijderen dan wel zijn weg te vervolgen. Volgens de toelichting gaat het om een bestaande bevelsbevoegdheid van de politie die haar grondslag -met name- vindt in artikel 2 Politiewet (hierna: Pw) zodat in genoemd artikel van de APV slechts op deze bepaling wordt voortgeborduurd.

Het wettelijk voorschrift krachtens hetwelk het in de tenlastelegging omschreven bevel is gegeven is derhalve weliswaar strikt genomen artikel 2.1.1.1 van de APV maar materieel artikel 2 Pw.

Inmiddels is het vaste jurisprudentie (zie o.m. Hoge Raad 29 januari 2008, NJ 2008, 206 met noot P.A.M. Mevis en AB 2008, 147 met noot Brouwer, LJN BB4108) dat artikel 2 Pw niet kan worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven die bij het niet daaraan voldoen een misdrijf als bedoeld in art. 184, eerste lid, Sr opleveren. Het taakomschrijvende artikel 2 Pw houdt volgens de Hoge Raad niet uitdrukkelijk in dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van het bevel.

Aldus lijkt in casu geen sprake van een bevel krachtens wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184 Sr en zou daarom een vrijspraak moeten volgen.

Andere grondslag

Deze conclusie zou anders kunnen zijn indien zou komen vast te staan dat de gemeentelijke wetgever -zonder dit zelf voor ogen te hebben gehad- met de invoering van artikel 2.1.1.1 van de APV a) een nieuwe bevelsbevoegdheid voor ambtenaren van politie heeft gecreëerd die b) verbindend is en c) uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaren gerechtigd zijn tot het geven van een bevel.

Ad a) bevelsbevoegdheid

Als gezegd biedt de tekst van de bepaling geen aanknopingspunten voor de vaststelling van een expliciete bevoegdheidstoedeling. Wel is de in artikel 2.1.1.1 van de APV neergelegde rechtsplicht onmiskenbaar te zien als een impliciete bevoegdheidstoedeling aan de politie. Uit het gegeven dat men op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie verplicht is zich te verwijderen of zijn weg te vervolgen kan immers niet anders worden geconcludeerd dan dat ambtenaren van politie bevoegd zijn die bevelen te geven.

Ad b) verbindendheid

De bevelsbevoegdheid die aan de politie wordt geattribueerd komt er -voor zover van belang- op neer dat de politie in een beperkt aantal gevallen van (dreigende) schending van de openbare orde de bewegingsvrijheid van personen mag beperken. Die beperking kan eruit bestaan dat de politie een ieder kan bevelen zich in een bepaalde richting te verwijderen of zijn weg te vervolgen.

De gemeentelijke wetgever heeft aldus voor de politie een bevelsbevoegdheid gecreëerd, die beperkt is tot de genoemde gevallen van (dreiging) van openbare ordeschendingen, waarin voor de politie slechts een kleine (zelfstandige) beoordelingsruimte is gelaten en die in zijn algemeenheid slechts tot beperkte inbreuken op de bewegingsvrijheid zal leiden.

De rechtbank heeft onder ogen gezien dat het niet vanzelfsprekend is dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is een dergelijke nieuwe bevoegdheid te scheppen (attributie). Dit betreft in het bijzonder twee aspecten, te weten in de eerste plaats de omstandigheid dat het primaat van handhaving van de openbare orde door de Gemeentewet bij de Burgemeester is gelegd en in de tweede plaats dat een dergelijke attributie complicaties kan opleveren in verband met de gezagsverhoudingen waarbinnen politieambtenaren werken.

Wat betreft deze aspecten stelt de rechtbank vast dat de Burgemeester op grond van artikel 172 van de Gemeentewet (waarin is bepaald dat de Burgemeester belast is met de handhaving van de openbare orde en zich daarbij kan bedienen van de onder zijn gezag staande politie) bevoegd is en blijft tot het geven van instructies aan politieambtenaren.

Zulks vloeit rechtstreeks voort uit artikel 12 Pw, dat voor zover hier van belang luidt dat indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde, zij onder gezag van de burgemeester staat. Zou er al twijfel bestaan over de vraag of dit ook geldt indien opsporingsambtenaren handelen op grond van een hen door de gemeenteraad toegekende bevoegdheid, dan wordt deze weggenomen door het bepaalde in artikel 10:22 in verbinding met artikel 10:23 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin het volgende is bepaald.

Artikel 10:22

1.Indien een bevoegdheid tot het nemen van besluiten bij wettelijk voorschrift is toegedeeld aan een persoon of college, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, kan dit bestuursorgaan per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de toegedeelde bevoegdheid.

Artikel 10:23

Artikel 10:22 is van overeenkomstige toepassing indien bij wettelijk voorschrift een bevoegdheid tot het verrichten van andere handelingen dan besluiten is toegedeeld aan een persoon of college, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan.

Daarnaast heeft de rechtbank als gezegd onderkend dat artikel 2.1.1.1 van de APV een beperking van het recht op bewegingsvrijheid meebrengt, welk recht is vastgelegd in artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en in artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze verdragsbepalingen staan op dit recht beperkingen toe, mits die zijn voorzien van een wettelijke basis, voldoen aan het bepaaldheidsgebod, een legitieme doelstelling hebben en noodzakelijk zijn.

De APV als zodanig biedt een voldoende wettelijke basis voor een beperking van de bewegingsvrijheid. De legitieme doelstelling van de beperking kan gevonden worden in de tekst van het artikel en de plaatsing daarvan in het hoofdstuk "Openbare orde en veiligheid" en is de handhaving van de openbare orde, waaronder ook het voorkomen van een schending van de openbare orde te brengen is. De noodzakelijkheid van de beperking van de bewegingsvrijheid is erin gelegen dat de politie in de genoemde gevallen van dreigende openbare ordeschendingen een instrument voorhanden moet hebben ter (voorkoming of) bestrijding van die (dreigende) schending van de openbare orde. Hiervoor is reeds aan de orde gekomen dat de in artikel 2.1.1.1 van de APV neergelegde bepaling voldoende duidelijk is. Daarmee is voldaan aan de laatstgenoemde eis van het bepaaldheidsgebod.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat van een ongeoorloofde beperking van het recht op bewegingsvrijheid geen sprake is.

Tegen de achtergrond van het voorgaande is de gemeentelijke wetgever binnen de hem toekomende verordenende bevoegdheden gebleven en concludeert de rechtbank dat sprake is van een verbindend voorschrift.

Ad c) voldoende uitdrukkelijk

Zoals hiervoor reeds is aangegeven eist de Hoge Raad voor een wettelijk voorschrift als omschreven in artikel 184 Sr dat dat voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering. Hoe uitdrukkelijk dat dient te zijn wordt in voornoemd arrest niet nader uitgewerkt. Daarvoor moet aansluiting worden gezocht bij een beschikking die een klein jaar eerder door de Hoge Raad werd gewezen (Hoge Raad 24 april 2007, NJ 2007, 266 en AB 2008, 327 met noot Brouwer UN AZ3309). In die beschikking stond in een soortgelijk geval ter beoordeling of artikel 7 van het Algemeen Reglement Vervoer (hierna: ARV) voldoende uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een aanwijzing.

Artikel 7 van het ARV luidt7:

Een ieder is verplicht de aanwijzingen betreffende de orde rust vei1igheid of een goede bedrijfsgang op te volgen, die door of vanwege de spoorweg duidelijk kenbaar zijn gemaakt.

De Hoge Raad overwoog:

Deze bepaling zelf houdt niet in dat en welke (rechts)personen zijn belast met de wettelijke taak van het toezicht op de naleving van dit voorschrift, terwijl zij evenmin inhoudt dat opsporingsambtenaren dergelijke aanwijzingen mogen geven.

Op het eerste gezicht lijkt ook artikel 2.1.1.1 van de APV niet te voldoen aan alle eisen die de Hoge Raad stelt. In het artikel wordt in tegenstelling tot de bepaling uit het ARV wel de politieambtenaar uitdrukkelijk genoemd en wordt aan hem impliciet een bevelsbevoegdheid gegeven, maar niet wordt aangegeven dat de opsporingsambtenaar belast is met de wettelijke taak van toezicht.

Deze wettelijke taak tot toezicht heeft de gemeentelijke wetgever geregeld in een ander artikel van de APV, te weten artikel 6.2 dat -voor zover hier van belang- luidt als volgt:

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de opsporingsambtenaren genoemd in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering en de personen die op grond van artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering met een buitengewone opsporingsbevoegdheid zijn belast.

Wanneer artikel 2.1.1.1 van de APV in samenhang wordt gelezen met artikel 6.2 van de APV is daarmee aan de eis van uitdrukkelijkheid die de Hoge Raad aan een wettelijk voorschrift in de zin van 184 Sr stelt voldaan. Kort en goed regelen beide artikelen gezamenlijk uitdrukkelijk dat een opsporingsambtenaar bevoegd is in bepaalde situaties bevelen te geven en zijn deze opsporingsambtenaren belast met het toezicht op de naleving daarvan.

Het wettelijk voorschrift waar het in casu gegeven bevel zijn grondslag vindt is derhalve artikel 2.1.1.1 juncto 6.2 van de APV. Nu subsidiair ten laste is gelegd 'krachtens enig wettelijk voorschrift' kan dat bestanddeel op die wijze worden bewezenverklaard.

Ook het verweer onder A wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 01 januari 2008 te Ridderkerk opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 2.1.1.1 onder 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Ridderkerk, gedaan door [A], hoofdagent van politie Rotterdam-Rijnmond en [B], agent van politie Rotterdam-Rijnmond, die waren belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat die ambtenaren hem hadden gevorderd zich te verwijderen van de uitgang van sporthal "De Fakkel", geen gevolg gegeven aan die vordering.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bovenstaande bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het hof heeft zich bij de afdoening van de onderhavige strafzaak laten leiden door de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet opvolgen van een ambtelijk bevel door geen gehoor te geven aan een vordering van verbalisanten om zich te verwijderen. Hij is verschillende malen door de verbalisanten weggestuurd maar bleef telkens terugkomen. Door deze opstelling van de verdachte zijn de verbalisanten onnodig in de rechtmatige uitoefening van hun bediening belemmerd.

Gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen omstandigheden waaronder het feit is begaan, het feit dat de verdachte een first offender is, dat niet is gebleken dat hij zelf concreet aan wanordelijkheden heeft bijgedragen en dat hij zowel bij de politie alsook ter terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2010 heeft verklaard, zoals het hof ook wil aannemen, dat hij de consequenties van zijn handelen niet heeft overzien en dat het niet zijn bedoeling is geweest zich vervelend te gedragen, ziet het hof aanleiding op de voet van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht te bepalen dat aan de verdachte ter zake geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a en 184 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien, mr. A.J.M. Kaptein en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. M. ter Riet.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 januari 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

2 Proces-verbaal nr. 2008000253-2, d.d. 1 januari 2008, inhoudende de aanhouding van de verdachte.

3 Het proces-verbaal van bevindingen nr. 2008000253-6, van verbalisanten [A] en [B], d.d. 29 januari 2008.

4 Verklaringen [A] en [B] ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 januari 2010.

5 Proces-verbaal nr. 2008000253-4, d.d. 1 januari 2008, inhoudende de verklaring van de verdachte.

6 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2010.

7 De rechtbank doelt hier op artikel 7 van het ARV, eerste lid.