Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP6094

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
200.039.873
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling van gemeenschap: aangezien de omvang van de partiële gemeenschap niet door het hof is vast te stellen wordt het verzoek afgewezen. Gedeeltelijke vernietiging van de beschikking in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 februari 2011

Zaaknummer : 200.039.873

Rekestnr. rechtbank : FA RK06-6793

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.M. van Wijk,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.F.M. van Weegberg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 29 juli 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 mei 2009, welke is aangevuld op 3 juni 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 16 oktober 2009 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 15 september 2009 een brief d.d. 14 september 2009 met bijlage.

Op 24 september 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

van de zijde van de man:

op 21 oktober 2010 een brief d.d. 21 oktober 2010 met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

op 19 november 2010 een brief d.d. 19 november 2010.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de aanvulling van de bestreden beschikking d.d. 3 juni 2010 en de echtscheidingsbeschikking van 21 december 2007.

Bij beschikking van 21 december 2007 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Bij opvolgende beschikkingen van 1 mei 2009 en de aanvulling van voornoemde beschikking van 3 juni 2009, hierna ook tezamen ‘de bestreden beschikking’, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen als volgt vastgesteld:

Aan de vrouw worden toebedeeld:

- de helft van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning te [adres], c.q. de helft van de overwaarde van de echtelijke woning, zijnde € 33.224,-;

- haar deel van de in onderling overleg te verdelen inboedel;

- de helft van het saldo per peildatum van de gezamenlijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank met rekeningnummer [nummer];

- de betreffende auto die zij onder zich heeft zonder nadere verrekening;

- de Jack Russel en het Maltheser Leeuwtje;

- de helft van de belastingaanslagen en -vorderingen per peildatum.

Aan de man worden toebedeeld:

- de helft van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning te [adres], c.q. de helft van de overwaarde van de echtelijke woning, zijnde € 33.224,-;

- zijn deel van de in onderling overleg te verdelen inboedel;

- de helft van het saldo per peildatum van de gezamenlijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank met rekeningnummer [nummer];

- de betreffende auto die hij onder zich heeft zonder nadere verrekening;

- de caravan merk Buerstner, zonder nadere verrekening;

- de derde hond;

- de helft van de belastingaanslagen en -vorderingen per peildatum;

- [naam onderneming].

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

De echtscheiding is op 14 april 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

Algemeen

1. In geschil is de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2. De man verzoekt, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verdeling van de vermogensbestanddelen vast te stellen waarbij aan de man wordt toegedeeld [naam onderneming] met alle daartoe behorende roerende zaken, onder de verplichting van de man om het negatieve eigen vermogen geheel voor zijn rekening te nemen onder vrijwaring van de vrouw terzake en onder verrekening met de vrouw van de helft van de negatieve waarde ad € 78.140,-;

- de helft van de schuld aan [schuldeiser] ten bedrage van € 8.679,13;

- de schuld aan de accountant van partijen, [accountant], voorzover deze het bedrag van € 24.089,22 te boven gaat zonder verrekening met de vrouw;

- de helft van de schuld aan de accountant van partijen, [accountant] ten bedrage van € 24.089,22.

De man verzoekt aan de vrouw toe te delen:

- de helft van de schuld aan [schuldeiser] ten bedrage van € 8.679,13;

- de helft van de schuld aan de accountant van partijen € 24.089,22.

Voorts verzoekt de man te bepalen dat de vrouw uit hoofde van deze toedelingen aan de man een bedrag van € 39.070,- dient te voldoen, onder handhaving van de overige beslissingen in de bestreden beschikking.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans het beroepschrift zijdens de man ongegrond te verklaren, althans zijn beroep af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties van deze procedure.

Waardering eenmanszaak

4. De man stelt dat de rechtbank bij gebrek aan verificatoire bescheiden de eenmanszaak ten onrechte op nihil heeft gewaardeerd. Uit de door de man in hoger beroep overgelegde accountantsrapportage blijkt volgens hem dat het bedrijf een negatieve waarde van € 78.140,- vertegenwoordigt. Deze negatieve waarde vloeit voort uit de stelselmatig te hoge uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Voorts heeft de onderneming schulden aan [accountant] en aan [schuldeiser]. De vrouw is gehouden de helft van deze schulden te dragen alsmede aan de man een bedrag te betalen van € 39.070,- zijnde de helft van de negatieve waarde van de onderneming. De man is bereid hiertoe ten aanzien van een gedeelte van dat bedrag een betalingsregeling met de vrouw te treffen.

5. De vrouw stelt dat de rechtbank de waarde van het hoveniersbedrijf terecht op nihil heeft bepaald. Ook uit de door de man overgelegde rapportage blijkt dat de waarde van de onderneming op grond van de verbeterde rentabiliteitswaarde nihil is. De vrouw stelt dat uit de jaarstukken van de onderneming blijkt dat de man jaarlijks winst heeft gemaakt en dat het eigen vermogen al jaren ongeveer € 80.000,- negatief bedraagt, terwijl de man nimmer enige inspanning heeft verricht om deze schuld terug te dringen. De vrouw bestrijdt dat het negatieve eigen vermogen van de onderneming een gevolg is van te hoge privé uitgaven en stelt dat de man deze stelling niet bewijst of aannemelijk maakt. Bovendien, zo stelt de vrouw, had zij geen inzicht in de onderneming en wist zij enkel hoeveel de man maandelijks opnam. Ten aanzien van de schulden van de onderneming stelt de vrouw dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om deze schulden in de verdeling te betrekken, nu dit bedrijfsmatige schulden zijn en de vrouw hier op geen enkele wijze bij betrokken is geweest. Voorts stelt de vrouw dat een deel van de schuld aan de accountant is toe te rekenen aan de door de accountant verrichte werkzaamheden in 2004, 2005 en 2006. Deze rekeningen hadden uit de omzet van de onderneming dienen te worden voldaan. Tot slot stelt de vrouw dat het voor rekening en risico van de man komt, dat hij bedrijfsmatige schulden uit 2004 en opvolgende jaren wil toerekenen aan 2008, hetgeen in het kader van een verdeling niet juist is.

Omvang van het geschil

6. Het hof overweegt als volgt. Uit de gewisselde stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de verdeling zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking is vastgesteld niet in geschil is behoudens de verdeling van de activa van de eenmanszaak alsmede de draagplicht van een deel van de gemeenschapsschulden. Nu partijen ter zake van de overige vermogensbestanddelen tot een partiële verdeling zijn gekomen is hier voor het hof geen taak meer weggelegd.

Eenmanszaak

7. Het hof stelt vast dat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen heeft. De activa die behoren tot de “onderneming” vallen in de voormalige huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Met betrekking tot de schulden van de “onderneming” zijn beide partijen in beginsel ieder voor de helft draagplichtig.

8. Het verdelen van de eenmanszaak conform het verzoek van de man is niet mogelijk, slechts de activa van de “onderneming” kunnen aan een der deelgenoten worden toegedeeld.

9. Uit het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat het petitum van de man zo gelezen dient te worden dat de man het hof verzoekt de wijze van verdeling te gelasten ten aanzien van de gemeenschapsgoederen en te beslissen omtrent de draagplicht van de schulden met betrekking tot de “onderneming”.

10. Ter zitting is met partijen de activa en de passiva van de eenmanszaak besproken en heeft het hof vastgesteld dat aan de hand van de door partijen overgelegde stukken de verdeling niet kan worden gelast.

11. Het hof heeft de man op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verzocht een overzicht te verstrekken van de omvang en de waardering van de activa en de passiva van de eenmanszaak ten tijde van de peildatum.

Peildatum omvang en waardering

12. Ten aanzien van de peildatum overweegt het hof als volgt. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de te hanteren peildatum en is overeengekomen dat voor het bepalen van de omvang van de gemeenschap uit zal worden gegaan van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, te weten 14 april 2008.

13. De activa van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zullen worden gewaardeerd op de datum van de zitting in hoger beroep, zijnde 24 september 2010.

14. De man heeft binnen de door het hof gestelde termijn de in rechtsoverweging 7 genoemde stukken overgelegd. De man heeft in de door hem overgelegde stukken niet de overeengekomen peildatum gehanteerd, maar heeft als peildata 30 april 2008 en 30 september 2010 gehanteerd. De man heeft hiertoe gesteld dat het niet mogelijk was zich aan de exact aangegeven peildata te houden, aangezien dit onevenredig veel werk en kosten met zich mee zou hebben gebracht aangezien de boekhouding per kalendermaand wordt gedocumenteerd en gedigitaliseerd.

15. De vrouw stelt dat nu de man zich niet heeft gehouden aan de ter zitting vastgestelde peildatum, zijn vordering onbepaalbaar wordt en om die reden dient te worden afgewezen.

16. Het hof overweegt als volgt. Gezien de afspraak die partijen ter zitting hebben gemaakt ter zake de bepaling van de omvang van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap stond het de man niet vrij om zonder overleg met de wederpartij af te wijken van hetgeen partijen met elkaar waren overeengekomen. Nu het hof de omvang van de nog te verdelen voormalige huwelijksgoederengmeenschap niet kan vaststellen, kan het hof niet de wijze van verdeling gelasten.

17. Het hof begrijpt uit het appelschrift van de man alsmede uit het verhandelde ter zitting dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de gemeenschapsschulden. Naar het oordeel van het hof zijn er door de vrouw geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan van het wettelijke stelsel inzake de draagplicht van gemeenschapsschulden dient te worden afgeweken. De grief van de man treft in zoverre doel en de bestreden beschikking dient ter zake hiervan te worden vernietigd. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen behoeft hetgeen de man en de vrouw overigens hebben aangevoerd niet te worden besproken.

18. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en zal beslissen als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoekt tot het gelasten van de wijze van verdeling van de nog onverdeelde gemeenschap af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Labohm en Breederveld, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2011.