Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP6078

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
200.066.948-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Inzicht in handelsactiviteiten en verdiensten man onvoldoende: risico man. Geen wijziging op grond van artikel 1:401, lid 4 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 februari 2011

Zaaknummer : 200.066.948.01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 09-1854

[de vader],

wonende te [woonplaats], thans verblijvende te [land],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. K.J. Kerdel te ‘s-Gravenhage,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L.J.G. de Haas te Tilburg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 31 mei 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2010.

De moeder heeft op 13 juli 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 14 juli 2010 en 24 december 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 7 januari 2011 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de moeder, bijgestaan door mr. M. Drenth, zijnde een kantoorgenoot van mr. L.G. de Haas. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsvrouw van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is afgewezen het verzoek van de man om - met wijziging van de beschikking van de rechtbank Breda van 22 april 2008 - de door de man te betalen bijdrage tot levensonderhoud van de vrouw en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige op nihil te stellen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) alsmede de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige: [minderjarige], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna ook: de minderjarige) (hierna ook: kinderalimentatie).

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de vastgestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige en voor zover het betreft de vastgestelde bijdrage voor levensonderhoud van de vrouw op nihil wordt gesteld met ingang van de dag dat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Subsidiair verzoekt de man te bepalen dat de bijdragen worden vastgesteld op een dusdanig bedrag en met ingang van een zodanig tijdstip als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het beroep van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De man stelt dat de door de rechtbank Breda bij beschikking van 22 april 2008 vastgestelde alimentatiebijdragen reeds bij aanvang niet aan de wettelijke maatstaven hebben voldaan. De man heeft in de procedure tot vaststelling van de alimentatie geen verweer gevoerd, waardoor op basis van onjuiste en onvolledige gegevens de partneralimentatie is vastgesteld op € 3.200,- per maand en de kinderalimentatie is vastgesteld op € 650,- per maand. De man heeft echter geen draagkracht, waardoor de kinder- en partneralimentatie op nihil dienen te worden bepaald. De draagkracht van de man is gebaseerd op de aanname dat de man een handel heeft in vrachtwagens en machinerieën. Deze handel drijft de man echter niet voor eigen rekening, maar voor rekening van zijn vader. De man heeft ter zitting gesteld dat hij - voor zijn vertrek naar [land] - in Nederland op beperkte schaal op kosten van de vader van de man goederen aankocht en deze liet verschepen naar [land]. In [land] werden vervolgens door de vader van de man de goederen verhandeld. Voornoemde handel wordt volledig door zijn vader gefinancierd en de opbrengst van deze handel komt eveneens ten goede van de vader van de man. Ten aanzien van de inkomensverklaring van de Belastingdienst over 2004 waaruit een verzamelinkomen blijkt van € 63.448,- stelt de man dat dit verzamelinkomen het resultaat is van het in positieve zin aanpassen van de jaarstukken van de voormalige onderneming van de man. De aanleiding hiervoor was het benodigde inkomen voor gezinshereniging tussen de man en de vrouw en de minderjarige. Dit verzamelinkomen geeft aldus een vertekend beeld van de werkelijke situatie in 2004. Bovendien, zo stelt de man, is dit inkomen niet relevant nu partijen pas in 2005 zijn gaan samenwonen en de onderneming in 2005 is gestaakt. Het inkomen van de man in 2006 was € 11.289 en in 2007 € 12.430,-. Op dit moment woont de man bij zijn ouders in [land] om een zieke ouder te verzorgen. Ter zitting heeft de vader voorts gesteld dat hij in [land] zijn vader ondersteunt in diens handelsactiviteiten. De man ontvangt hiervoor een maandelijkse vergoeding van 850,- [valuta].

5. De vrouw stelt dat de rechtbank op juiste gronden en goed gemotiveerd het verzoek van de man tot nihilstelling dan wel wijziging van de opgelegde onderhoudsbijdrage heeft afgewezen. De man heeft zijn stelling dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de vastgestelde partner- en kinderalimentatie te voldoen niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Hierdoor moet worden uitgegaan van de door de vrouw overgelegde stukken waaruit blijkt dat de man als zelfstandig ondernemer een inkomen heeft genoten van € 63.448,- per jaar. De vrouw betwist dat de man slechts voor rekening van zijn vader handel heeft gedreven en hier bovendien geen vergoeding voor ontving. Zo blijkt uit de door de man overgelegde debiteurenkaart van Seatrade dat sprake is van omvangrijke handelsactiviteiten. Nu de man in [land] verblijft, voert hij vanuit [land] zijn import- en exporthandel. De vrouw heeft dit van familieleden van de man vernomen en heeft eveneens vernomen dat sprake is van een bloeiende handel, waar de gehele familie van leeft. Indien de man daadwerkelijk niet voor eigen rekening handelt en hij eveneens geen noemenswaardig inkomen van zijn vader ontvangt, mag, gelet op de vermogenspositie van de vader van de man, van de vader van de man verwacht worden dat hij de man in de gelegenheid stelt aan zijn onderhoudsverplichting te kunnen blijven voldoen.

6. Het hof overweegt als volgt. Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Nu door de man een beroep wordt gedaan op voornoemde wijzigingsgronden, ligt het op de weg van de man aannemelijk te maken dat de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 april 2008 bij aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Naar het oordeel van het hof is de man hier niet in geslaagd.

7. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Onbestreden staat tussen partijen vast dat de man ten tijde van het huwelijk - naast zijn overige werkzaamheden uit dienstverband- betrokken was bij de handel in machinerieën en vrachtwagens. Ook thans is de man betrokken bij deze handelsactiviteiten. Partijen zijn verdeeld over de vraag voor wiens rekening deze handel wordt gedreven en hoeveel inkomen de man uit voornoemde handel genereert. Nu de man erkent betrokkenheid te hebben bij voornoemde handel ligt het, naar het oordeel van het hof, op zijn weg inzicht te verschaffen in zijn exacte betrokkenheid bij deze activiteiten alsmede hoeveel inkomen hij hiermee genereert. De door de man overgelegde stukken geven echter geen inzicht in de financiële situatie van de man. Het standpunt van de man dat uit zijn bankafschriften blijkt dat geen stortingen door de vader van de man zijn gedaan houdt geen stand, nu de man ter zitting heeft verklaard dat sprake is van een zwarte handel en zijn vader met contant geld werkt en geen bankrekening heeft. Aangezien de man ter zitting heeft verklaard, dat hij op dit moment voor zijn ondersteunende werkzaamheden een inkomen ontvangt, acht het hof het aannemelijk dat de man - voorzover de handel niet voor eigen rekening wordt gedreven - ook in de periode voorafgaand aan zijn verhuizing naar [land] een maandelijkse bijdrage van zijn vader ontving voor de door de man verrichtte werkzaamheden. Het nalaten van de man hier inzicht in te geven, ligt in de risicosfeer van de man, zodat het hof uit zal gaan van zijn verdiencapaciteit in 2004 van € 63.448,-. Onder deze omstandigheden gaat het hof er vanuit dat de man voldoende inkomsten genereert om de bij beschikking van 22 april 2008 vastgestelde partner- en kinderalimentatie te betalen.

8. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank bij de uit¬spraak waarvan thans wijziging wordt verzocht, niet van onjuiste gegevens is uitgegaan zodat zich geen wijzigingsgrond voordoet als bedoeld in artikel 1:401 lid 4 BW zodat het beroep van de man moet worden afgewezen.

9. Voor zover de man in hoger beroep beoogt een beroep te doen op artikel 1:401 lid 1 BW voor wat betreft van zijn draagkracht faalt dat beroep eveneens op grond van het vorenstaande

10. Op grond van het vorenoverwogene beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Dusamos en Zwagemaker, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2011.