Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP5723

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
200.069.521/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Mondelinge vermeerdering van eis ter zitting toegestaan. Kosten kinderen. Draagkracht ouders. Verdeling van de kosten kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 26 januari 2011

Zaaknummer : 200.069.521/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-5704

[De vader],

voorheen wonende te [woonplaats], thans wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.N.G.N.H. Brech te ’s-Gravenhage,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.R. Slingenberg-Beishuizen te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 30 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 april 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 18 augustus 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 29 september 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 13 juli 2010 en op 12 november 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 16 november 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 26 november 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun advocaten hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de vader voor de verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarigen aan de moeder zal betalen een bedrag van € 219,- per maand per kind met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en een bedrag van € 284,- per maand per kind na verkoop van de echtelijke woning. Daarbij is bepaald dat de bedragen telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand moeten worden voldaan, vermeerderd met iedere uitkering die de vader op grond van geldende wetten of andere regelingen voor de minderjarigen zal of kan worden verleend. Het verzoek van de moeder te bepalen dat eventuele kosten van tenuitvoerlegging van de alimentatiebeslissing voor rekening van de vader komen voor zover deze door hem veroorzaakt worden, is afgewezen. De beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de behandeling is pro forma aangehouden voor wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking [in] 2010 is ingeschreven in het daartoe bestemde register.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

Algemeen

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- [de minderjarige sub 1], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats] en

- [de minderjarige sub 2], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats], hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij aan hem onderhoudsbijdragen voor de minderjarigen zijn opgelegd van respectievelijk € 219,- per maand per kind en € 284,- per maand per kind en, opnieuw beschikkende, de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen te bepalen op nihil dan wel het verzoek van de moeder om vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen alsnog af te wijzen dan wel een bijdrage ten laste van de vader en ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen die het hof juist acht doch lager dan € 237,50 per maand per kind.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de grieven van de vader ongegrond te verklaren en in zoverre de bestreden beschikking te bekrachtigen met inachtneming van de grieven van de moeder in incidenteel appel.

In incidenteel appel verzoekt de moeder het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en, in zoverre opnieuw beschikkende en uitvoerbaar bij voorraad, de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen te bepalen op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag hoger dan € 237,- per kind per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand respectievelijk op een bedrag hoger dan € 284,- per kind per maand met ingang van de dag waarop de echtelijke woning verkocht zal zijn, een en ander met inachtneming van de incidentele grieven van de moeder.

De moeder verzoekt het hof voorts, opnieuw beschikkende en uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van de kinderalimentatiebeslissing voor rekening van de vader komen, voor zover deze door hem worden veroorzaakt.

Ter zitting heeft de moeder haar eis vermeerderd en wel in die zin:

1) dat de vader vanaf 1 november 2010 € 350,- per maand per kind aan kinderalimentatie dient te voldoen, en

2) dat de vader tweederde deel van de kosten van kinderopvang dient te voldoen. De kosten van kinderopvang bedragen voor wat betreft 2010 € 552,- netto per maand en voor 2011 € 707,- netto per maand.

4. De vader heeft zich ter zitting niet verzet tegen deze vermeerdering van de eis anders dan met een inhoudelijk verweer, dat hierna voor zover nodig zal worden besproken.

5. Het hof overweegt als volgt. Een vermeerdering van eis behoort op grond van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering schriftelijk te worden geformuleerd en niet mondeling. Door een eisvermeerdering ter zitting door een partij kan het beginsel van fair trial worden geschonden indien de andere partij zich overvallen voelt en onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich tegen de eisvermeerdering te verweren. In het onderhavige geval zal het hof om proceseconomische redenen de mondelinge eisvermeerdering toestaan, nu de vader inhoudelijk is ingegaan op de vermeerdering van eis en hij er geen beroep op heeft gedaan dat de handelwijze van de moeder in strijd is met de goede procesorde.

6. De vader verzet zich tegen het incidentele verzoek van de moeder en verzoekt het hof de moeder in haar incidentele appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dit op alle onderdelen af te wijzen.

Kosten kinderen

7. Niet in geschil is dat de kosten van de kinderen een bedrag belopen van € 475,- per kind per maand.

8. In de incidentele grief 3 heeft de moeder gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de extra kosten van kinderopvang. Het hof begrijpt dat deze kosten van kinderopvang opgeteld dienen te worden bij de kosten van de kinderen zoals vermeld in rechtsoverweging 7. In de toelichting op de incidentele grief heeft de moeder gesteld dat de netto kosten kinderopvang € 250,- per maand zullen bedragen. Gezien de wijze waarop de toelichting is geformuleerd begrijpt het hof dat het bedrag van € 250,- betrekking heeft op twee kinderen.

9. Ter zitting heeft de moeder de kosten van kinderopvang nader toegelicht en zij heeft deze kosten, na aftrek van de door haar te ontvangen toeslag, becijferd op € 552,- netto per maand in 2010 en op € 707,- per maand in 2011. De kosten van de kinderopvang zijn in de visie van de moeder sterk toegenomen omdat de vader geen zorgtaken voor de kinderen op zich heeft genomen.

10. De vader heeft in zijn verweerschrift op het incidentele appel gesteld dat alleen dan rekening mag worden gehouden met kosten van kinderopvang boven het bedrag uit de tabel kosten van kinderen als het gaat om een alleenstaande ouder. De moeder is niet alleenstaand, zij woont samen met een werkende partner. De moeder is dan wel niet gehuwd met haar partner, maar in economische zin is haar situatie daarmee gelijk te stellen. Voorts heeft de vader gesteld dat als de vrouw een inkomen zou hebben van € 40.000,-, zij een bedrag terug zou kunnen krijgen van € 549,- indien zij alleenstaand zou zijn.

11. Het hof is van oordeel dat niet bestreden is dat de kosten voor kinderopvang worden gemaakt en oordeelt het redelijk, dat met deze kosten rekening wordt gehouden boven de gebruikelijke kosten overeenkomstig de Nibud-normen. Tussen partijen bestaat een debat over wat de netto kosten per maand voor de kosten van kinderopvang zijn. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens kan het hof niet exact vaststellen wat de maandelijkse netto kosten van kinderopvang zijn. Zulks geldt temeer daar aan de zijde van de vrouw sprake is van een wisselend inkomen. Om vorenstaande reden begroot het hof de kosten van kinderopvang in redelijkheid op netto € 550,- per maand voor twee kinderen.

Inkomen moeder

12. In grief 1 heeft de vader gesteld dat de rechtbank ten onrechte zijn aandeel in de kosten van de kinderen heeft bepaald op € 237,50 per maand per kind. De vader heeft gesteld dat de moeder een inkomen kan genereren van € 8.350,- bruto per maand. De moeder heeft nagenoeg geen kosten aangezien zij van huis uit werkt. De vader is van mening dat van de moeder verlangd had kunnen worden dat zij jaarstukken betreffende het jaar 2010 alsmede een accountantsverklaring zou overleggen waaruit haar inkomen over de eerste helft van 2010 blijkt. Nu niet vastgesteld kan worden wat de draagkracht is van de moeder, dient het verzoek van de moeder tot vaststelling van een kinderalimentatie alsnog te worden afgewezen.

13. Door de moeder is betwist dat zij een veel hoger inkomen heeft dan de man. De moeder is een startende ondernemer en zij verwacht in 2010 een omzet te kunnen genereren van € 37.000,- en een bedrijfsresultaat van € 30.765,-. Door de moeder is bij brief van 16 november 2010 onder meer een aangifte omzetbelasting in het geding gebracht betreffende het kwartaal juli tot en met september 2010. Hieruit volgt dat in de betreffende periode een omzet is gegenereerd van € 6.382,-. Voorts is door de moeder in het geding gebracht een brief van het UWV van 19 augustus 2010, waaruit volgt dat op 23 augustus 2010 haar WW-uitkering is beëindigd.

14. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de moeder eerst een WW-uitkering heeft genoten en thans een onderneming aan het opstarten is. Uitgaande van vorenstaande gegevens acht het hof het redelijk en billijk om het inkomen van de moeder te begroten op € 30.765,-, zijnde het netto bedrijfsresultaat. De grief van de vader dat het inkomen van de moeder op € 8.350,- per maand moet worden gesteld treft derhalve geen doel.

Inkomen vader

15. In het incidentele appel heeft de moeder in grief 5 het inkomen van de vader aan de orde gesteld. De moeder is van mening dat uit de jaaropgaven 2009 van de vader volgt dat hij een inkomen heeft genoten van € 52.491,-. Uit de door de vader overgelegde werkgeversverklaring blijkt dat het basissalaris van de vader exclusief bonussen en andere variabele kosten € 43.075,41 bedraagt. Het verschil bedraagt € 9.415,59 per jaar, derhalve € 784,63 bruto per maand.

16. De vader heeft verklaard dat hij over 2009 geen bonus krijgt en dat over 2010 geen enkele garantie kan worden gegeven op enige bonus. Dit als gevolg van de economische crisis die nog altijd voortduurt. Daar waar de vader structureel geen bonus meer ontvangt, zoals thans het geval is, dient geen bonus in aanmerking genomen te worden bij de berekening van zijn draagkracht.

17. Door de man is bij zijn verweerschrift in incidenteel appel als productie 4 een deel van zijn aangifte betreffende het jaar 2009 overgelegd, waaruit volgt dat hij een inkomen heeft genoten van € 52.491,-.

18. Het hof overweegt als volgt. Uit de door de vader zelf in het geding gebrachte gegevens volgt dat hij feitelijk in 2009 een inkomen heeft genoten van € 52.491,-. Het hof gaat derhalve van dit inkomen uit. Dat er mogelijk onzekerheden kunnen zijn met betrekking tot toekomstige bonussen doet daaraan niet af. De grief van de moeder treft derhalve doel.

Verdeling van de kosten kinderen

19. Het bruto inkomen van de vader is aanmerkelijk hoger dan het bruto inkomen van de moeder. In beginsel acht het hof het redelijk en billijk om bij de verdeling van de kosten van de kinderen uit te gaan van het bruto inkomen van beide partijen. Hiermee wordt voorkomen dat persoonlijke keuzes van partijen de verdeling van de kosten van de kinderen kunnen beïnvloeden. In het onderhavige geval acht de moeder het redelijk en billijk dat de kosten van de kinderen gelijkelijk tussen partijen worden verdeeld. Het hof zal bij dit aanbod van de moeder aansluiten. Uitgaande van de kosten van de kinderen, te weten per kind € 475,- plus € 275,- is totaal € 750,- per maand per kind, is derhalve iedere ouder gehouden € 750,- per maand bij te dragen aan de kosten van de kinderen.

Draagkracht vader

21. Bij de bespreking van de maandlasten van de vader bespreekt het hof het principale en het incidentele appel tegelijkertijd.

22. In het kader van de draagkracht van de vader heeft de moeder aan de orde gesteld dat geen rekening dient te worden gehouden met het bedrag aan omgangskosten van € 50,- per maand per kind waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden. De moeder voert hiertoe aan dat de vader weigert om ook vastomlijnde afspraken te maken over een zorgregeling. Door de vader is ter zitting verklaard dat hij omgang heeft met de minderjarige kinderen, en de moeder heeft beaamd dat er ongeveer om de twee weken omgang plaatsvindt. Het hof acht het derhalve redelijk en billijk om met de kosten omgang van € 50,- per maand per kind rekening te houden. De grief van de moeder treft geen doel.

23. Door de moeder wordt gesteld dat de vader met een partner samenwoont en dat hij de kosten van de woning met haar kan delen hetgeen zijn draagkracht verruimt. Door de vader wordt ontkend dat hij samenwoont met zijn partner, hij huurt een kamer welke hij per maand kan opzeggen. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder niet aangetoond dat de vader samenwoont met zijn partner. De grief treft derhalve geen doel. Het hof houdt derhalve rekening met een bedrag aan huur van € 725,- per maand, welk bedrag blijkt uit de door de vader overgelegde huurovereenkomst en welk bedrag het hof redelijk voorkomt. Het hof houdt met dit bedrag rekening vanaf 3 november 2010, zijnde de datum verkoop van de voormalige echtelijke woning.

24. In zijn tweede grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte bij de berekening van zijn draagkracht geen rekening heeft gehouden met de premie beleggingsverzekering bij [naam verzekeringsmaatschappij]. Deze premie bedraagt € 215,81 per maand. De moeder heeft in haar verweerschrift gesteld dat de rechtbank terecht geen rekening heeft gehouden met deze premie, aangezien beide partijen aan de verzekeringsmaatschappij hebben gevraagd om de polis premievrij te maken.

25. Het hof overweegt als volgt. Gezien het feit dat partijen aan de verzekeringsmaatschappij hebben gevraagd om de polis premievrij te maken, acht het hof het redelijk en billijk om geen rekening te houden met de premie van € 215,81 per maand.

26. In zijn derde grief stelt de man dat ten onrechte bij de berekening van zijn draagkracht geen rekening is gehouden met de aflossing van zijn studieschuld van € 174,30 per maand. De moeder heeft dit bestreden.

27. Gezien het feit dat de vader de studieschuld integraal kan aflossen uit de overwaarde van de echtelijke woning, acht het hof het niet redelijk en billijk om met de aflossing op deze studieschuld rekening te houden.

28. Rekening houdend met de overige door de rechtbank vastgestelde en door partijen niet betwiste maandlasten van de vader, de op de vader van toepassing zijnde fiscale kortingen, de toepasselijke bijstandsnorm en de overige door de vader genoemde kosten is het hof van oordeel dat de vader in staat is een bijdrage van € 375,- per maand per kind te voldoen.

Ingangsdatum

29. Nu de echtscheiding [in] 2010 is ingeschreven zal het hof deze datum als ingangsdatum hanteren voor de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie. Het hof gaat bij deze beslissing ervan uit, dat de hypotheekrente en de premie, voor zover nog verschuldigd aan [naam verzekeringsmaatschappij], vervallen en betaald [in] 2010 zullen worden verrekend bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden nu deze schulden voor gelijke delen voor rekening van beide partijen komen.

Kosten tenuitvoerlegging

30. In haar incidentele grief 7 heeft de moeder gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald dat de eventuele kosten van de tenuitvoerlegging van de kinderalimentatiebeschikking voor rekening van de vader komen voor zover deze door hem worden veroorzaakt. Uit het verweer van de vader volgt dat hij bereid is de kinderalimentatie te betalen. Naar het oordeel van het hof zijn op dit moment geen gronden aanwezig om te beslissen dat de vader de kosten van de tenuitvoerlegging van mogelijk niet betaalde kinderalimentatie zou moeten voldoen.

31. Derhalve wordt als volgt beslist.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 5 augustus 2010 op € 375,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Husson en Burgers-Thomassen, bijgestaan door de griffier mr. Buiting , en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2011.