Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP5718

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
200.071.708.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot afgifte van een reisdocument voor een uithuisgeplaatste minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 februari 2011

Zaaknummer : 200.071.708/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 10-1621

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P. van Baaren te Rotterdam,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als degenen, wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, zijn aangemerkt:

de pleegouders van na te noemen minderjarige,

wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 6 augustus 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 juli 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 18 november 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 23 september 2010 en 2 november 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 12 januari 2011 is de zaak, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.078.253/01, mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de moeder, namens Jeugdzorg: de heer R. Veltman en de pleegouders. De moeder en een vertegenwoordiger van de raad zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - de verklaring van toestemming van de moeder voor de afgifte van een identiteitsbewijs voor na te noemen minderjarige vervangen door de verklaring van toestemming van de rechter.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de Nederlandse identiteitskaart voor de na te noemen minderjarige reeds is afgegeven.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vervangende toestemming voor de afgifte van een Nederlandse identiteitskaart ten behoeve van de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum in] 2009 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige).

De moeder is van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er gronden zijn voor vervangende toestemming voor de afgifte van een identiteitsbewijs voor de minderjarige. De moeder acht een reis naar het buitenland voor een kind dat nog geen twee jaren oud is niet aantrekkelijk. Het is in het belang van de minderjarige dat zij gewoon thuis blijft en daar ook wordt verzorgd. De pleegouders stellen hun eigen belang, te weten het maken van een reis, boven het belang van de minderjarige. Voorts stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte de vervangende toestemming niet heeft beperkt in tijdsduur en reisgebied. Nu er een “onbeperkt” document is afgegeven, is er geen controle mogelijk, hetgeen niet in het belang van de minderjarige is. Op grond van het voorgaande verzoekt de moeder dan ook de bestreden beschikking te vernietigen.

5. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals deze heeft gedaan. Op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft een kind recht op een zo harmonieus mogelijke ontwikkeling en verzorging. Daarbij hoort ook dat de minderjarige met de pleegouders mee kan gaan op vakantie. Jeugdzorg achtte het, afgezien van de moeilijkheid een dergelijke plaatsing te realiseren, niet in het belang van de minderjarige om haar voor de duur van de door de pleegouders geplande vakantie van 25 juli tot 8 augustus 2010 in een ander pleeggezin te plaatsen. Voorts stelt Jeugdzorg dat de minderjarige, op grond van artikel 16a van de Paspoortwet, recht heeft op een Nederlandse identiteitskaart met een geldigheidsduur van vijf jaren. Het inleidende verzoek van de moeder om een geldigheidsduur op te nemen die gelijk wordt getrokken aan de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing, is niet in het belang van de minderjarige. In dat geval zou bij afgifte van een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing telkens toestemming aan de moeder moeten worden gevraagd, met als gevolg dat Jeugdzorg zich opnieuw tot de rechter dient te wenden indien de moeder haar toestemming weigert. Als laatste stelt Jeugdzorg dat de territoriale geldigheid van de Nederlandse identiteitskaart al beperkt is en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden zoals gevaar voor ontvoering van de minderjarige. De pleegouders gingen in 2010 slechts op zomervakantie naar Frankrijk.

6. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 36 van de Paspoortwet kan de rechter voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart ten behoeve van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger dan zestien jaar is, vervangende toestemming verlenen indien één of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren een verklaring van toestemming af te geven. Blijkens gemeld artikel geeft de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur of de territoriale geldigheid van het aangevraagde reisdocument wordt beperkt.

7. Het hof verenigt zich, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat het met recht in het belang van de minderjarige is dat zij als lid van het gezin van de pleegouders met hen mee op vakantie naar het buitenland kon en nog steeds kan gaan. Het hof acht het een niet te rechtvaardigen inbreuk op de ontwikkeling van de minderjarige indien zij gedurende de vakanties van de pleegouders telkens elders (een ander pleeggezin) moet worden geplaatst. Daarbij komt dat de territoriale geldigheid van de Nederlandse identiteitskaart reeds beperkt is tot 34 landen in Europa en het hof niet is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de pleegouders de minderjarige (zullen) meenemen op vakantie naar een land waar het onveilig is. Gelet op het voorgaande en het feit dat het hof in de zaak met zaaknummer 200.078.253/01 de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg heeft verlengd tot 3 juni 2011, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

8. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Lückers en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2011.