Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP5195

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
200.069.270-01 en 200.072.762-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk omdat de ouders niet in staat of bereid zijn de situatie rondom zichzelf aan te pakken en te verbeteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 12 januari 2011

Zaaknummers : 200.069.270/01 en 200.072.762/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-168

In de zaak met zaaknummer 200.069.270/01:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C.J. Driessen te Beers,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de moeder],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L.M.J. Duijverman te ’s-Gravenhage,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

locatie Den Haag Zuid/Rijswijk,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In de zaak met zaaknummer 200.072.762/01:

[de moeder],

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L.M.J. Duijverman te ’s-Gravenhage,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C.J. Driessen te Beers,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

locatie Den Haag Zuid/Rijswijk,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

De moeder en de vader worden gezamenlijk ook aangeduid als: de ouders.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader en de moeder zijn, ieder afzonderlijk, respectievelijk op 25 juni 2010 en 30 augustus 2010, in hoger beroep gekomen van een beschikking van 31 mei 2010 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

De raad heeft in beide zaken afzonderlijk, respectievelijk op 15 juli 2010 en op 24 september 2010, een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 15 juli 2010, 22 september 2010, 6 oktober 2010, 7 oktober 2010, 14 oktober 2010, 26 oktober 2010 en 4 november 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 15 oktober 2010 en op 30 november 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van Jeugdzorg is bij het hof op 2 december 2010 een faxbericht met betrekking tot beide zaken ingekomen.

Op 2 december 2010 zijn beide zaken mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, namens de moeder mr. E.C. Kerkhoven, kantoorgenoot van mr. L.M.J. Duijverman te ’s-Gravenhage, en namens de raad: mevrouw E.K.M. Bakker. Voorts is namens Jeugdzorg verschenen: mevrouw C. Sopers. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. Het verzoek van de zijde van de moeder tot aanhouding van de behandeling van de zaak is afgewezen, wegens het ontbreken van een klemmende reden.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat – voor zover in hoger beroep van belang – tussen partijen het volgende vast.

Uit de moeder zijn geboren de minderjarigen:

[naam], op [geboortedatum in] 2001 te [geboorteplaats], verder: [de minderjarige I],

[naam], op [geboortedatum in] 2002 te [geboorteplaats], verder [de minderjarige II], en

[naam], op [geboortedatum in] 2003 te [geboorteplaats], verder: [de minderjarige III],

gezamenlijk verder te noemen: de minderjarigen.

Bij beschikking van 20 januari 2010 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage zijn – uitvoerbaar bij voorraad – de minderjarigen van 20 januari 2010 tot 4 februari 2010 voorlopig onder toezicht gesteld van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een crisisopvang van 20 januari 2010 tot 4 februari 2010. Voor het overige is de behandeling van de zaak aangehouden.

Bij beschikking van 2 februari 2010 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage zijn – uitvoerbaar bij voorraad – de minderjarigen van 4 februari 2010 tot 20 januari 2011 onder toezicht gesteld van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 4 februari 2010 tot 2 juni 2010. Voor het overige is de behandeling van de zaak aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - Jeugdzorg gemachtigd de hierna te noemen minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 2 juni 2010 tot 20 januari 2011, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van de aan die beschikking gehechte indicatiebesluiten van 15 februari 2010.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarigen uit. De minderjarigen verblijven in een crisisopvang op een geheim adres.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van de minderjarigen.

2. De vader verzoekt het hof in de zaak met zaaknummer 200.069.270/01 de bestreden beschikking deels te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zonodig onder aanvulling en verbetering en/of wijziging van de gronden, zijn vordering (het hof leest: verzoek) toe te wijzen met vergoeding van de kosten.

De voorzitter heeft de man ter terechtzitting uitdrukkelijk uitgenodigd zijn petitum te verduidelijken, waaraan de vader bij monde van zijn advocaat gevolg heeft gegeven. Het hof begrijpt het petitum van de vader aldus, dat hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad tot uithuisplaatsing van de minderjarigen af te wijzen en primair te bepalen dat de minderjarigen worden geplaatst bij de vader, subsidiair te bepalen dat de minderjarigen worden geplaatst bij de moeder, met veroordeling van de raad in de proceskosten.

3. De moeder verzoekt het hof in de zaak met zaaknummer 200.072.762/01 de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen.

4. De raad bestrijdt beide beroepen.

5. De vader stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen nog steeds aanwezig zijn. De vader is van mening dat hij in staat kan worden geacht om voor de minderjarigen te zorgen. Hij beschikt over goede opvoedkundige kwaliteiten en de minderjarigen kunnen bij hem verblijven. Daarmee wordt meteen dreigende vervreemding van de vader voorkomen. Er is geen sprake van opvoedkundige gebreken aan de zijde van de vader. Bovendien ligt aan de uithuisplaatsing van de minderjarigen geen enkel onderzoek ten grondslag waaruit die gestelde opvoedkundige gebreken zouden blijken.

Ter terechtzitting is namens de vader aanvullend verklaard dat er in zijn leven positieve ontwikkelingen gaande zijn. De vader beschikt over een eigen woning, volgt een re-integratietraject via de gemeente en heeft de huurschuld voldaan. Voorts is er weer communicatie met de moeder. De vader wil het allerbeste voor de minderjarigen en wil het liefste dat zij bij hem worden geplaatst. Mochten de minderjarigen bij de moeder worden teruggeplaatst, dan is de vader bereid zijn woning aan hen af te staan.

6. De moeder stelt zich eveneens op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen nog steeds aanwezig zijn. Daartoe voert zij het volgende aan. Momenteel verkeert zij in een veel gunstiger situatie dan ten tijde van de mondelinge behandeling bij de rechtbank ’s-Gravenhage op 31 mei 2010. De moeder heeft inmiddels een eigen ruime woning en een vaste baan. Voorts krijgt zij hulp om haar schulden te kunnen saneren. De vader heeft haar sinds de mishandeling op 3 maart 2010, waarvoor de vader is veroordeeld, niet meer lastig gevallen. De moeder is dan ook van mening dat de door de raad en Jeugdzorg geformuleerde zorgen thans niet meer actueel zijn. De moeder is wel degelijk in staat om de minderjarigen onder veilige omstandigheden de juiste zorg te bieden. De hulp voor de minderjarigen kan volgens de moeder ook in het ambulante kader plaatsvinden.

Ter terechtzitting is namens de moeder aanvullend verklaard dat zij en de vader weer met elkaar communiceren en samenwerken in het belang van de minderjarigen. Voorts zijn de huurachterstanden opgelost en is van een huisvestingsprobleem geen sprake meer. De moeder acht het in het belang van de minderjarigen dat zij weer bij haar worden teruggeplaatst.

7. De raad stelt zich in beide zaken op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals deze heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. In de onderzoeksrapportage van 29 januari 2010 heeft de raad geconcludeerd dat er sprake is van een complexe gezinsproblematiek, bestaande uit relatie- en echtscheidingsproblematiek, huiselijk geweld alsmede lichamelijke en affectieve verwaarlozing van de minderjarigen. De ernst van deze problemen, in combinatie met de eigen problematiek van de ouders, levert volgens de raad voldoende gronden op voor een uithuisplaatsing van de minderjarigen. De vermeende goede opvoedkundige capaciteiten van de vader maken dit niet anders. Met betrekking tot de moeder merkt de raad op dat zij slechts enkele praktische zaken heeft geregeld. Zij zal echter gedurende de periode waarin de minderjarigen niet bij haar wonen aan de slag moeten met zichzelf, waarbij psychologische begeleiding is geïndiceerd. Naar de mening van de raad is onderzoek en behandeling nodig teneinde meer inzicht te krijgen in de persoonlijkheid van de moeder. Ook de minderjarigen zullen tijd nodig hebben met het oog op de voor hen noodzakelijk geachte hulpverlening. Daarbij komt dat ten tijde van het raadsonderzoek is gebleken dat de ouders hun problemen en strijd niet weg kunnen houden van de minderjarigen. Hulp aan de ouders is hierbij geïndiceerd.

Ter terechtzitting is namens de raad verklaard dat het feit dat de ouders sinds enige tijd weer met elkaar communiceren niet met zich meebrengt dat daardoor de opvoedingssituatie voldoende evenwichtig en veilig is. De raad handhaaft dan ook zijn verzoek met betrekking tot de uithuisplaatsing van de minderjarigen. De gronden zijn nog onverminderd aanwezig, aldus de raad.

8. Namens Jeugdzorg is ter terechtzitting in beide zaken verklaard dat de moeder een negatieve evaluatie heeft gekregen met betrekking tot het verloop van de begeleide bezoeken van haar aan de minderjarigen en de telefoongesprekken tussen hen. Voorts handelt de moeder regelmatig in strijd met haar eigen uitspraken. Jeugdzorg krijgt daardoor geen duidelijk beeld van de verhouding tussen de ouders. Met betrekking tot de vader merkt Jeugdzorg op dat de reclassering de rechter gaat vragen om een beslissing over het overtreden van zijn contactverbod ten opzichte van de moeder, aangezien er een voorwaardelijke gevangenisstraf is uitgesproken. Jeugdzorg heeft de indruk dat de vader het contactverbod niet heeft overtreden, maar dat de moeder vrijwillig contact met hem heeft gezocht. Jeugdzorg heeft voorts van de reclassering vernomen dat de helft van de huurschuld is afgelost en dat de rest van de schuld in termijnen zal worden afbetaald. De agressietherapie die de vader dient te volgen, vergt veel van zijn taalvaardigheid. Er wordt derhalve eerst gewerkt aan zijn beheersing van de Nederlandse taal.

9. Het hof overweegt in beide zaken als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan slechts worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, bestaan. Het hof zal derhalve onderzoeken of in dit geval de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

10. Uit de overgelegde stukken, waaronder het raadsrapport van 29 januari 2010, is het hof gebleken dat er ten tijde van de indiening van het verzoek tot (voorlopige) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de ouders sprake was van ernstige gezinsproblemen, waaronder echtscheidingsproblemen, financiële problemen en communicatiestoornissen. Voorts is er sprake geweest van ernstig huiselijk geweld, waarvan de minderjarigen slachtoffers en getuigen zijn geweest. Zij zijn vele malen verhuisd en gewisseld van school door de tijdelijke verblijven van de moeder in “Blijf van Mijn Lijf” huizen. Voorts werden de minderjarigen verwaarloosd in hun eerste levensbehoeften en regelmatig alleen thuis gelaten. De moeder was vanwege haar persoonlijke problemen niet in staat om een stabiele, veilige en adequate opvoeding voor de minderjarigen te realiseren. De minderjarigen zijn in januari 2010 met spoed uit huis geplaatst en verblijven nog altijd in een crisisopvang op een geheim adres.

11. Het hof is tijdens de behandeling ter terechtzitting gebleken dat de ouders na echtscheiding weer met elkaar communiceren, de vader zijn huisvesting op orde heeft en dat ook aan de financiële problemen wordt gewerkt. Deze omstandigheden zijn weliswaar positief, maar brengen naar het oordeel van het hof echter niet zonder meer mee dat daarmee de noodzaak van de uithuisplaatsing van de minderjarigen is komen te vervallen. Uit de eindadviesrapporten van 25 mei 2010 blijkt dat het voor de minderjarigen, gezien de traumatische gebeurtenissen in het verleden, belangrijk is dat zij opgroeien in een veilige en liefdevolle omgeving waarin een duidelijke structuur en consequente regels gehanteerd worden. Het hof acht zowel de vader als de moeder, hun goede intenties en betrokkenheid ten spijt, thans nog onvoldoende in staat om een dergelijk opvoedingsklimaat voor de minderjarigen te scheppen. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de vader zich in het verleden schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld, waarvoor hij thans onder toezicht staat van de reclassering. De vader dient agressietherapie te volgen doch gebleken is dat hij daarmee nog niet is gestart. Dit betekent dat de veiligheid van de minderjarigen in de thuissituatie bij de vader nog altijd niet gewaarborgd kan worden. Met betrekking tot de moeder is het hof gebleken dat zij nog onvoldoende zelfstandig en stabiel is om de minderjarigen te kunnen bieden wat zij nodig hebben. Zij handelt, zoals Jeugdzorg stelt, regelmatig in strijd met haar eigen uitspraken en lijkt zich afhankelijk op te stellen van de vader. Gebleken is dat de moeder zich, tegen de wens van Jeugdzorg, heeft ingeschreven op het huisadres van de vader, dat zij telkens haar baan verliest en, in tegenstelling tot hetgeen de moeder stelt, niet over een eigen woning beschikt. Voorts is er een tweede gezinsvoogd aangesteld in verband met de complexiteit van de problematiek en zijn de minderjarigen aangemeld voor stabilisatiebehandeling bij [naam instelling]. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen nog steeds noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding en tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

12. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het verzoek van de vader tot veroordeling van de raad in de proceskosten, zal worden afgewezen.

13. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

In de zaak met zaaknummer 200.069.270/01 en in de zaak met zaaknummer 200.072.762/01:

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, van de Poll en Stollenwerck, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2011.