Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP4857

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
200.064.335-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU7291, Niet ontvankelijk
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BU7291
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; inkomensverhouding: moeder en haar (nieuwe) echtgenoot tegenover die van de vader. Proceskostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 12 januari 2011

Zaaknummer : 200.064.335/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-5049

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L.C. Blok te ‘s-Gravenhage,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. W.R.S. Ramhit te Leiden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 26 april 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 januari 2010 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vader heeft op 3 augustus 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 21 juni 2010, 30 juni 2010, 13 juli 2010 en 19 augustus 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 20 augustus 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 18 november 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De hierna te noemen minderjarige [X] heeft ondanks uitnodiging daartoe van het hof niet schriftelijk haar mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt.

Ter terechtzitting heeft de vader een afschrift gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Leiden terzake de minderjarige [Y] overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank - met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling en van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 april 2002 – bepaald dat de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [X], geboren [in] 1993 te [woonplaats], en [Y], geboren [in] 1995 te [woonplaats], hierna ook gezamenlijk te noemen: de minderjarigen, met ingang van 27 september 2007 op nihil wordt gesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vader af te wijzen in dier voege dat de alimentatie met betrekking tot de minderjarige [X] met ingang van 1 januari 2010 op nihil kan worden gesteld.

3. De vader bestrijdt het beroep van de moeder en verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- De verzoeken van de moeder af te wijzen;

- De bestreden beschikking te vernietigen;

- Primair te bepalen dat de vader met ingang van 27 september 2007 niet langer meer gehouden is kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen te voldoen en dat de moeder de teveel ontvangen kinderalimentatie inclusief opslagkosten LBIO dient terug te betalen aan de vader;

- Subsidiair te bepalen dat de vader met ingang van 27 september 2007 niet langer gehouden is kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen te voldoen en dat de moeder de vanaf 11 mei 2009 teveel ontvangen kinderalimentatie inclusief opslagkosten LBIO dient terug te betalen aan de vader;

- De moeder te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de kosten van de onderhavige procedure;

- Te bepalen dat de moeder alle opgevraagde financiële stukken aan de vader dient te overleggen;

- Te bepalen dat de moeder een bijdrage van € 163,54 per maand dient te voldoen aan de vader terzake kinderalimentatie voor de minderjarige [X] voor de periode dat de minderjarige [X] haar hoofdverblijfplaats bij de vader had;

- Te bepalen dat de moeder bij vooruitbetaling aan de vader een bijdrage van € 163,54 per maand per kind, of een in goede justitie vast te stellen bijdrage, dient te voldoen in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen wanneer deze minderjarigen hun hoofdverblijfplaats niet bij de moeder hebben.

Principaal appel

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de inkomens van de moeder en haar echtgenoot samen het inkomen van de vader ruim overschrijden zodat er thans geen behoefte meer bestaat aan een kinderalimentatie ten laste van de vader. De moeder betoogt dat uit de door haar in hoger beroep overgelegde gegevens blijkt dat het inkomen van de vader juist hoger is dan dat van haar en haar echtgenoot samen. Voorts stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 27 september 2007 op nihil heeft gesteld, terwijl het verzoekschrift van de vader is ingediend op 17 juni 2009. Tot slot verzoekt de moeder om de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [X] per 1 januari 2010 op nihil vast te stellen, nu [X] niet meer bij de moeder woonachtig is.

5. Het hof stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze wijziging van omstandigheden is daarin gelegen dat de moeder op 27 september 2007 is gehuwd met de heer Van der Waals.

6. Nu zich een wijzigingsgrond als bedoeld in artikel 1:401, lid 1, BW voordoet, dient de door de vader te betalen kinderalimentatie opnieuw te worden vastgesteld, rekening houdende met alle terzake dienende omstandigheden.

7. Ter zitting in eerste aanleg heeft de rechtbank partijen verzocht aanvullende stukken over te leggen met betrekking tot het huidige inkomen van de vader, de moeder en haar echtgenoot. Voorts is de moeder verzocht een draagkrachtberekening van haarzelf en haar echtgenoot in het geding te brengen. De moeder heeft verzuimd om aan deze informatieverplichting te voldoen. In hoger beroep heeft de vrouw een drietal salarisspecificaties van haar en haar echtgenoot overgelegd; in beide gevallen over de maanden augustus, september en oktober 2009. Een draagkrachtberekening is wederom niet overgelegd. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder door het slechts overleggen van de vooromschreven salarisspecificaties onvoldoende inzicht gegeven in de financiële situatie van haar en van haar echtgenoot en daarmee haar stelling dat het inkomen van de man hoger is dan dat van haar en haar echtgenoot tezamen onvoldoende met in rechte verifieerbare stukken onderbouwd. Het hof heeft immers onvoldoende inzicht verkregen in de inkomsten die de moeder en haar echtgenoot genieten en de lasten die zij hebben. Nu de moeder slechts een heel beperkt inzicht heeft gegeven in haar financiële situatie en die van haar echtgenoot en voorts in het geheel geen inzicht heeft gegeven in de (huidige) draagkracht van haar en van haar echtgenoot, is het hof op grond van de voorliggende stukken niet in staat die draagkracht te beoordelen. Nu de moeder geen bewijs van het tegendeel heeft ingebracht, gaat het hof er, evenals de rechtbank, vanuit dat de inkomens van de moeder en haar echtgenoot het inkomen van de vader ruim overschrijden, zodat de vader geen bijdrage hoeft te leveren in het eigen aandeel kosten kinderen. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking in zoverre dan ook bekrachtigen.

8. Het hof acht het redelijk voor wat betreft de ingangsdatum van de nihilstelling van de door de vader te betalen kinderalimentatie aansluiting te zoeken bij de datum van het inleidend verzoekschrift van de vader. Het hof stelt de nihilstelling aldus vast op 17 juni 2009, de datum waarop het verzoekschrift in eerste aanleg is ingekomen bij de rechtbank. De vader heeft naar het oordeel van het hof geen bijzondere omstandigheden gesteld die met zich brengen dat daarvan afgeweken moet worden en een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. In zoverre dient de bestreden beschikking dan ook te worden vernietigd.

Incidenteel appel

9. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek, te bepalen dat de moeder kinderalimentatie dient te betalen voor de minderjarige die zijn/haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft, heeft afgewezen. Volgens de vader is wel degelijk duidelijk wanneer ieder van de minderjarigen bij de moeder dan wel de vader verblijft. Hij verwijst daarvoor naar de gemeentelijke basisadministratie.

10. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting gaat het hof er vanuit dat deze grief betrekking heeft op de minderjarige [X]. Uit een uittreksel uit de basisadministratie van de gemeente [woonplaats] blijkt dat de minderjarige [X] voor de periode na 17 juni 2009, te weten de datum van de nihilstelling van de kinderalimentatie, niet (meer) ingeschreven heeft gestaan op het adres van de vader. Gelet hierop snijdt het standpunt van de vader geen hout en moet aan zijn stelling ter zake voorbij worden gegaan..

Overigens blijkt uit een afschrift van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [woonplaats] dat de minderjarige [Y] sinds 2 september 2010 staat ingeschreven op het adres van de vader. Indien en voor zover de vader kinderalimentatie van de moeder wenst te ontvangen terzake de minderjarige [Y] dan zal hij een daartoe strekkend verzoek moeten indienen.

11. Het hof is van oordeel dat niet van de moeder verlangd kan worden dat zij de eventueel door de vader teveel betaalde kinderalimentatie aan hem terugbetaalt, nu voldoende aannemelijk is dat de moeder deze bijdrage heeft besteed ten behoeve van de kinderen en tot terugbetaling daarvan niet in staat is. Derhalve zal het hof, in verband met het consumptieve karakter van de bijdrage, het daartoe strekkende verzoek van de vader afwijzen.

12. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De vader verzoekt het hof de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in de kosten van onderhavige procedure, nu de moeder ten onrechte niet aan de verzoeken van de rechtbank heeft voldaan.

13. Mede gezien de proceshouding van de moeder in hoger beroep, waar zij volhardt in haar proceshouding in eerste aanleg door wederom onvoldoende financiële stukken en geen draagkrachtberekening te overleggen, ziet het hof aanleiding om de moeder in de kosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de overige door partijen in hoger beroep ingenomen standpunten geen bespreking meer.

15. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 8 april 2002 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 17 juni 2009 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

veroordeelt de moeder in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de vader begroot op € 2.050,-, gespecificeerd als volgt:

- € 262,- vast recht;

- € 1.788,- salaris advocaat;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Stollenwerck en Van Veen, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2011.