Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP4636

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
200.029.156/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag en omgang. Beslissing van hof na onderzoek door de raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 12 januari 2011

Zaaknummer : 200.029.156/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 07-2845 en F1 RK 07-2867

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. van Koesveld te Amsterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H.M. Mauritz te Utrecht.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof heeft op 24 maart 2010 in deze zaak een beschikking gegeven waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Bij die beschikking heeft het hof – kort samengevat – de raad verzocht een onderzoek omtrent de omgang respectievelijk het contact tussen vader en dochter en de wijziging van het gezag te verrichten en daarover te rapporteren en te adviseren. De zaak is pro forma aangehouden tot 25 september 2010 met bepaling dat de raad zich uiterlijk twee weken voor die datum uit dient te laten over de voortgang van de procedure. Het hof heeft voorts bepaald dat na ontvangst van het rapport en advies, de behandeling ter terechtzitting zal worden voortgezet in aanwezigheid van de raad. Iedere overige beslissing is aangehouden.

Het hof heeft op 16 augustus 2010 het rapport van 12 augustus 2010 van de raad ontvangen.

Van de zijde van de vader is bij het hof op 19 oktober 2010 een schriftelijke reactie op het raadsrapport ingekomen.

Van de zijde van de moeder is bij het hof op 26 oktober 2010 een schriftelijke reactie op het raadsrapport ingekomen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De raad adviseert in zijn rapport het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige [naam], geboren [in 2001] te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige) af te wijzen. Ten aanzien van de omgang adviseert de raad een proefomgangsregeling vast te stellen tussen de minderjarige en de vader onder begeleiding van het Rotterdams Omgangshuis, waarbij de zaak zes maanden dient te worden aangehouden in afwachting van een rapportage over het verloop hiervan. Aan de hand van de resultaten van de begeleide omgang kan bekeken worden of en zo ja, op welke wijze een definitieve omgangsregeling vastgelegd zou kunnen worden.

2. De vader stelt in reactie op het raadsrapport dat hij bereid is en zich in staat acht om de communicatie met de moeder ten behoeve van de minderjarige te herstellen. De moeder weigert dit echter. Ten aanzien van zijn verblijfsvergunning stelt de vader dat, hoewel deze volgens hem na 2013 zonder problemen zal worden verlengd, hij geen documentatie kan overleggen waaruit dit blijkt, omdat de IND geen toekomstige beschikkingen afgeeft. De vader acht het kwetsend dat de raad uitgaat van de juistheid van de door moeder verstrekte informatie, nu de door hem verschafte informatie hier duidelijk van afwijkt. Verder merkt de vader nog op dat de moeder wel contact met hem wil leggen ten aanzien van de betaling van de kinderalimentatie, maar niet ten aanzien van hun dochter. Ter terechtzitting is namens de vader benadrukt dat hij door middel van een begeleide omgangsregeling graag een rol van betekenis in het leven van de minderjarige wil spelen. De vader refereert zich aan het raadsstandpunt ten aanzien van het gezag, hoewel hij dit graag anders zou zien.

3. De moeder kan zich vinden in het advies van de raad om de vader niet (mede) te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige. De raad heeft volgens de moeder terecht geconcludeerd dat de vader zich in een onvoorspelbare privésituatie bevindt. Ten aanzien van de omgang is de moeder van mening dat de raad voorbij gaat aan de boosheid van de minderjarige jegens haar vader. Verder betwist de moeder de stelling van de vader dat hij altijd bereikbaar voor haar is geweest, nu de moeder recentelijk nog het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) heeft moeten inschakelen om de kinderalimentatie bij hem te innen. Gelet hierop ziet de moeder niet hoe zij afspraken met de vader zal kunnen maken over omgang. Een mediationtraject is volgens de moeder onuitvoerbaar, omdat haar psycholoog heeft verklaard dat zij nog niet toe is aan contact met de vader. Begeleide omgang acht de moeder niet in het belang van de minderjarige, enerzijds omdat de minderjarige geen behoefte voelt aan contact met haar vader en anderzijds omdat het uitzichtloos is, nu onbegeleide omgang toch niet aan de orde kan zijn. Ter terechtzitting heeft de moeder verklaard dat de minderjarige recentelijk van school is gewisseld en dat zij erg moet wennen aan de nieuwe school. Als de minderjarige daarnaast ook geconfronteerd wordt met een omgangsregeling met de vader, vreest de moeder dat de minderjarige dit psychisch niet aan kan. Daarnaast vreest de moeder dat de vader niet over voldoende financiële middelen beschikt om de omgangskosten te kunnen betalen, wat namens de man ter terechtzitting is betwist.

4. Namens de raad is ter terechtzitting verklaard dat het voor de ontwikkeling van de eigen identiteit van de minderjarige van belang is dat zij een positief beeld van haar vader ontwikkelt. Vanuit haar loyaliteit naar de moeder toe, is het voor de minderjarige moeilijk om te zeggen wat ze wil. De raad acht de vader gelet op de verklaringen van zijn begeleider in het mannenopvanghuis in staat de afspraken in het kader van een eventuele begeleide proefomgangsregeling na te komen.

Gezag

5. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2007 is op verzoek van de moeder bepaald dat het gezag over de minderjarige voortaan aan de moeder alleen toekomt. Deze beslissing is ingegeven door het feit dat namens de moeder ter terechtzitting is verklaard dat sinds de echtscheiding geen enkel contact meer met de vader heeft plaatsgevonden en hij voor de moeder niet te traceren is. Het verzoek is als onweersproken en niet onrechtmatig of ongegrond toegewezen.

6. Op grond van artikel 1:253o van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen beslissingen waarbij een ouder ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n BW alleen met het gezag is belast op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechtbank worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De verandering van de situatie moet in elk geval zodanig zijn dat het niet langer in het belang van het kind is de bestaande toestand te handhaven.

7. Weliswaar is er naar het oordeel van het hof gebleken van een wijziging van omstandigheden, hierin gelegen dat de vader thans niet langer onvindbaar is, maar is naar het oordeel van het hof gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting een wijziging in het gezag, in die zin dat de vader en de moeder gezamenlijk met het gezag over de minderjarige worden belast, niet in het belang van de minderjarige. Gebleken is dat de verhouding van de ouders door alle gebeurtenissen uit het verleden ernstig is verstoord en dat zij niet in staat zijn op zakelijke wijze te communiceren in het belang van de minderjarige. Overleg over basale zaken hoort op dit moment niet tot de mogelijkheden. Uit het raadsrapport komt naar voren dat bij herstel van het gezamenlijk gezag sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat daarin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De bestreden beschikking zal dan ook op dit punt worden bekrachtigd.

Omgang

8. Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de plicht tot omgang met zijn kind. De rechter kan op verzoek van een van de ouders, al dan niet voor bepaalde tijd, een omgangsregeling vaststellen, dan wel een van de ouders het recht op omgang al dan niet voor bepaalde tijd, en op een van de in het derde lid van artikel 1:377a BW genoemde gronden, ontzeggen.

9. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er al enige jaren geen contact meer is geweest tussen de minderjarige en de vader. Voorts is gebleken dat de weerstand van de moeder tegen omgang tussen de vader en de minderjarige de voornaamste reden daarvoor is. De minderjarige heeft weliswaar zelf aangegeven geen omgang met de vader te willen, doch volgens de raad komt dit mogelijk voort uit loyaliteitsgevoel naar haar moeder. Desgevraagd heeft de moeder ter terechtzitting verklaard dat haar weerstand enerzijds wordt ingegeven door de vrees dat de vader de minderjarige opnieuw zal teleurstellen en anderzijds door de omstandigheid dat zij de rust in het leven van de minderjarige niet wenst te laten verstoren door de onrust en spanningen die een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige met zich mee zal brengen.

10. Het hof is van oordeel dat het bovengenoemde voorshands niet kan leiden tot de ontzegging van de vader van omgang met de minderjarige. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat uit het raadsrapport volgt dat er geen contra-indicaties zijn voor de omgang tussen de minderjarige en de vader. Contactherstel en het opbouwen van een band met de vader kan volgens de raad van belang zijn voor een positieve identiteitsontwikkeling van de minderjarige en een positieve beeldvorming jegens de vader, welk standpunt het hof deelt. Gelet op de weerstand van de moeder is het hof, gelijk de raad, van oordeel dat het van belang is dat de omgang in een veilige omgeving en met begeleiding wordt hervat. De praktische bezwaren die de moeder tegen begeleide omgang heeft geuit, geven het hof geen aanleiding om anders te oordelen. De moeder heeft de wettelijke plicht om de ontwikkeling van de banden van de minderjarige met de vader te bevorderen. Het hof zal partijen derhalve verwijzen naar het Rotterdams Omgangshuis en iedere verdere beslissing voor wat de omgang tussen de vader en de minderjarige betreft pro forma aanhouden tot zaterdag 25 juni 2011.

11. Het hof beslist mitsdien als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover deze de afwijzing van het verzoek van de vader tot wijziging van het ouderlijk gezag betreft;

alvorens nader over de vaststelling van een omgangsregeling te beslissen:

verwijst partijen te weten:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader;

advocaat mr. J. van Koesveld te Amsterdam,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder;

advocaat mr. H.M. Mauritz te Utrecht,

naar de Rotterdamse Omgangsbegeleiding voor begeleide contacten tussen de vader en de minderjarige [naam], geboren [in 2001] te [geboorteplaats];

bepaalt dat partijen zich binnen veertien dagen na deze beschikking melden bij de Rotterdamse Omgangsbegeleiding (adres als na te melden, telefoonnummer: 010-416 38 20) voor het maken van een afspraak;

bepaalt dat de moeder de minderjarige tijdig voorafgaand aan ieder contact zal brengen en halen naar het omgangshuis en aan het einde daarvan haar zal ophalen;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:

Rotterdamse Omgangsbegeleiding,

p/a Rotterdams Omgangshuis

Klencke 603

3191 VZ Hoogvliet-Rotterdam;

bepaalt dat de Rotterdamse Omgangsbegeleiding het hof vóór na te melden pro forma datum rapporteert omtrent het verloop van de begeleide contacten;

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot 25 juni 2011 pro forma;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Lückers en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Veldmans als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2011.