Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3900

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
10-02-2011
Zaaknummer
200.070.750-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie; invloed nieuwe partner man op diens draagkracht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 395a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2011/31
JIN 2011/257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 26 januari 2011

Zaaknummer : 200.070.750/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-9002

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.A.M. Koorn-Harkema te Leiden,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.R. Juriaans te Leiden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 22 juli 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 juni 2010 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 7 september 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 22 juli 2010, 30 juli 2010, 9 augustus 2010 en 7 december 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 17 december 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man om met wijziging van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 september 2007 de partneralimentatie met ingang van 1 oktober 2009 op nihil te stellen en te bepalen dat de vrouw de na 1 oktober 2009 ontvangen bijdrage aan de man dient terug te betalen, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering in het levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) ten behoeve van de vrouw.

2. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

De bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien.

Subsidiair:

De bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de partneralimentatie met ingang van 1 oktober 2009 wordt beperkt tot € 221,- per maand dan wel tot € 589,- per maand dan wel tot een bedrag door het hof in goede justitie te bepalen.

Te bepalen dat de vrouw de vanaf 1 oktober 2009 teveel ontvangen partneralimentatie, inclusief de bijkomende kosten voor het loonbeslag, aan de man dient terug te betalen, dan wel dat de man dit bedrag mag verrekenen met toekomstige alimentatietermijnen.

3. De vrouw bestrijdt het beroep van de man en verzoekt het hof de man niet te ontvangen in zijn grieven gericht tegen de bestreden beschikking, althans de grieven ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen, al dan niet met verbetering van rechtsgronden.

4. Niet in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Deze wijzigingsgrond is daarin gelegen dat de man op 9 april 2010 is getrouwd met een Chinese vrouw met wie hij samenwoont.

5. Nu zich een wijzigingsgrond als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW voordoet, dient de door de man te betalen partneralimentatie opnieuw te worden vastgesteld, rekening houdende met alle ter zake dienende omstandigheden.

6. Het hof zal daarbij eerst ingaan op de meest verstrekkende grieven van de man, te weten die met betrekking tot de draagkracht van de man.

Draagkracht van de man

7. De man stelt zich op het standpunt dat, nu hij samenwoont en is getrouwd met een Chinese vrouw, die niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, de bijstandsnorm voor een gezin van toepassing is en het daarbij behorende percentage van 45. Voorts stelt de man dat de gehele woonlast aan hem toegerekend dient te worden, alsmede dat rekening dient te worden gehouden met de aan de hypotheekrente gekoppelde premie levensverzekering van € 51,- per maand. De man meent dat de onderlinge belangenafweging tussen de vrouw en zijn huidige echtgenote in het voordeel van de echtgenote behoort uit te vallen. De bruto rentelast bedraagt volgens de man € 1.055,- per maand. Daarnaast betoogt de man dat rekening dient te worden gehouden met de onderhoudsplicht die hij als stiefouder ingevolge artikel 1:395a BW heeft jegens de tot zijn gezin behorende meerderjarige zoon van zijn echtgenote, die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt. Gelet op dit alles heeft hij onvoldoende draagkracht om de vastgestelde partneralimentatie te voldoen, aldus de man.

Inkomen

8. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een inkomen van € 39.554,- per jaar, zoals dit blijkt uit de jaaropgaaf 2009, en een daarbij behorende inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van € 2.234,-. Voorts zal het hof bij het vaststellen van de draagkracht van de man aan de inkomenszijde rekening houden met een eigen woningforfait van € 1.385,-. Daarnaast houdt het hof rekening met de rente en kosten van (hypothecaire) schulden in verband met de eigen woning van € 9.077,-, zijnde de bruto rente over een hypotheekbedrag van € 171.260,-. Niet weersproken is dat het af te lossen hypotheekbedrag ten tijde van de echtscheiding € 61.260,- bedroeg en dat de man ter zake de overbedeling € 110.000,- aan de vrouw moest uitbetalen. Verder houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting van zowel de man als zijn nieuwe partner en de arbeidskorting.

Bijstandsnorm

9. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn nieuwe partner niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, nu zij de Nederlandse taal nog onvoldoende machtig is en, hoewel zij de inburgeringscursus heeft voltooid, nog geen betaalde baan heeft kunnen vinden. Dit brengt met zich dat het hof bij de berekening van de draagkracht van de man rekening zal houden met het op de Wet werk en bijstand gemiddelde gebaseerde normbedrag voor gehuwden, waaruit de noodzakelijke in het algemeen geldende kosten van levensonderhoud moeten worden voldaan, alsmede met een voor alimentatie beschikbare ruimte van 45%. Voorts gaat het hof er van uit dat de man zijn rentelast niet kan delen met zijn nieuwe partner.

Lasten

10. Bij de berekening van de draagkracht van de man houdt het hof rekening met de volgende maandelijkse lasten: een hypotheekrente van € 756,-, een premie levensverzekering van € 51,- en een forfait overige eigenaarslasten van € 95,-. Het hof zal geen rekening houden met de rest van het door de man gestelde bedrag aan hypotheekrente, nu het hof het niet redelijk acht deze extra financiering op de vrouw af te wentelen. Voorts houdt het hof rekening met een premie ziektekostenverzekering van de man van in totaal € 108,47 en een premie ziektekostenverzekering van de nieuwe partner van de man van € 83,66, zoals dit volgt uit het door de man in eerste aanleg overgelegde polisblad van zijn zorgverzekering over 2009 en een zorgtoeslag van € 47,- voor de nieuwe partner. Daarnaast houdt het hof rekening met een inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van € 184,50. Verder houdt het hof vanaf 9 april 2010 rekening met de onderhoudsplicht die de man ingevolge artikel 1:395a BW ten opzichte van zijn stiefzoon heeft. Het hof berekent de kosten die met deze onderhoudsplicht gemoeid zijn aan de hand van de norm vermeld in de Wet studiefinanciering 2000, nu vaststaat dat de stiefzoon studerend is. Het hof stelt de kosten vast op € 462,08 per maand, zijnde het in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 vermelde maandbedrag voor het levensonderhoud van een aan het beroepsonderwijs studerend thuiswonend kind.

11. Het hof heeft met inachtneming van het voorgaande de draagkracht van de man opnieuw berekend. Uit deze berekening volgt dat de man, voor de periode 1 oktober 2009 tot 9 april 2010, in staat is om, na brutering, € 406,- per maand aan partneralimentatie te betalen en dat de man, voor de periode ingaande 9 april 2010, in het geheel geen draagkracht heeft enige partneralimentatie te betalen.

Behoefte van de vrouw

12. De vrouw heeft aangevoerd dat zij ondanks het hogere inkomen dat zij sinds 1 april 2010 genereert nog steeds behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud en dat zij mitsdien niet volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De man heeft dit als zodanig niet weersproken en verzoekt in hoger beroep dat indien een partneralimentatie wordt bepaald, deze wordt beperkt tot € 221,-, althans tot € 589,- per maand, zoals volgt uit de door hem als productie 5 overgelegde draagkrachtberekeningen.

13. De behoefte van de vrouw en de aanvullende behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage, alsmede de draagkracht van de man in aanmerking nemende leidt tot de conclusie dat het door de rechtbank bij beschikking van 26 september 2007 vastgestelde bedrag aan partneralimentatie opgehouden heeft aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Het hof zal deze beschikking dan ook wijzigen en de bestreden beschikking vernietigen.

14. Gelet op het voorgaande behoeven de overige grieven geen bespreking meer.

Ingangsdatum

15. Het hof acht het redelijk om de ingangsdatum van de wijziging in de partneralimentatie te stellen op de door de man verzochte datum van 1 oktober 2009. Vanaf die datum heeft de vrouw, blijkens een aan haar gerichte brief van de zijde van de man van 17 september 2009, er rekening mee kunnen houden dat er sprake was van een wijziging in de situatie van de man en dat dit eventueel gevolgen zou kunnen hebben voor de te betalen partneralimentatie.

Consumptieve karakter

16. De vrouw is in beginsel gehouden de teveel ontvangen partneralimentatie terug te betalen. Aangezien het hof aannemelijk acht dat de uit dien hoofde ontvangen bedragen, gezien het consumptieve karakter van de partneralimentatie, niet meer voorhanden zijn, is het hof van oordeel dat de te veel ontvangen bedragen niet hoeven te worden terugbetaald. Dat de vrouw al op 1 oktober 2009 op de hoogte was van het wijzigingsverzoek, maakt dit niet anders.

17. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 26 september 2007 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage - de uitkering in het levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, voor de periode 1 oktober 2009 tot 9 april 2010 op € 406,- per maand en ingaande 9 april 2010 op nihil;

bepaalt dat de vrouw het eventueel door haar teveel ontvangene niet aan de man behoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Van Dijk en Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2011.