Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3752

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
22-000083-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BH9948, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen een hoeveelheid van maar liefst tweehonderd kilo hennep opzettelijk vervoerd en opzettelijk aanwezig gehad. De verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor het feit dat het gebruik van hennep schadelijk is voor de volksgezondheid en veelal aanleiding geeft tot vele vormen van criminaliteit waarmee de benodigde gelden voor het gebruik kunnen worden verkregen. Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000083-11

Parketnummer: 09-758554-07

Datum uitspraak: 18 januari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 april 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 19 januari 2010, 27 april 2010, 16 juni 2010, 14 oktober 2010 en 4 januari 2011.

Op de terechtzitting van 14 oktober 2010 heeft het hof de splitsing bevolen van de onderhavige zaak en de zaak met rolnummer 22-002457-09, welke zaken bij de inleidende dagvaarding met parketnummer 09-758554-07 gevoegd aan de verdachte waren tenlastegelegd. De onderhavige zaak betreft het bij parketnummer 09-758554-07 onder 3 tenlastegelegde (zaak [naam]).

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het in de onderhavige zaak en het in de zaak met rolnummer 22-002457-09 onder 4 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 17 maart 2008 tot en met 1 april 2008 te Honselersdijk en/of Poeldijk, althans gemeente Westland, en/of te 's-Gravenhage en/of Voorburg, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 20 (witte) dozen, inhoudende 200 kilogram, althans 21 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen, kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Het hof zal te zijner tijd afzonderlijk uitspraak doen in de gesplitste zaak met rolnummer 22-002457-09.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van

4 januari 2011 gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van medeplegen van vervoeren en aanwezig hebben van (ongeveer) 200 kilo hennep zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft de advocaat-generaal aangevoerd wat in zijn schriftelijke requisitoiraantekeningen is vervat, die aan het proces-verbaal van de genoemde terechtzitting zijn gehecht.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 januari 2011 heeft de verdachte verklaard bij zijn eerder afgelegde verklaringen te blijven. Tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2010 heeft de verdachte de door hem op 2 april 2008 bij de politie afgelegde verklaring dat er op 17 maart (het hof begrijpt: 2008) bij de bloemenveiling dik 200 kilo wiet moet zijn weggenomen, herhaald en heeft hij aangegeven ook voor het overige bij die politieverklaring te blijven. Die verklaring komt er - zakelijk weergegeven - op neer dat hij voor het vervoeren van de wiet vanaf de bloemenveilig een klein wit vrachtwagentje had geregeld. De verklaringen die de verdachte daarna bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd komen er - verkort en zakelijk weergegeven - op neer dat hij zelf in een andere auto, een Audi A4, achter de bus is aangereden naar de bloemenveiling en vervolgens naar zijn loods. De verdachte heeft het hem tenlastegelegde aldus bekend.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 januari 2011 aangegeven geen aanvullingen op het standpunt van zijn cliënt te hebben.

Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden

Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek in een andere zaak (de zaak met rolnummer 22-002457-09), wordt het mobiele nummer [telefoonnummer 1] van de verdachte vanaf 4 december 2007 onder auditieve observatie geplaatst. In het kader van datzelfde strafrechtelijk onderzoek worden op 17 maart 2008 voorts de mobiele telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] onder auditieve observatie geplaatst. Deze beide nummers zijn in gebruik bij één en dezelfde persoon die in de gesprekken afwisselend [naam 1] en [naam 2] wordt genoemd. Uit de opgenomen telecommunicatie van de verdachte [verdachte] blijkt dat er via laatstgenoemde telefoonnummers gesprekken worden gevoerd met de verdachte [verdachte]. Na onderzoek is gebleken dat het nummer [telefoonnummer 2] is afgegeven aan [persoon 1].1 Dit is het alias van de medeverdachte [medeveroordeelde 1].2

In een afgeluisterd telefoongesprek van 17 maart 2008 te 15:00 uur belt de medeverdachte [medeveroordeelde 1] met een onbekende vrouw. In dat gesprek spreekt hij over een inbraak/beroving, zegt hij dat hij met een Nederlander, [persoon 2], is en dat zij een beroving gaan doen. Om 13:05 uur en 13:09 uur belt de medeverdachte [medeveroordeelde 1] met de verdachte. In het laatste gesprek zegt [medeveroordeelde 1] tegen de verdachte: "Als ik hem zie, ik roep jou... gelijk komen... gelijk pakken auto... pap pap pap." Tijdens deze gesprekken wordt de zendmast aan [adres 1] te [plaats 2] aangestraald, welke zendmast de bloemenveiling [bedrijfsnaam 1] binnen het bereik heeft. Navraag bij de bloemenveiling leert dat op 17 maart 2008 tussen 15:20 uur en 15:30 uur een diefstal heeft plaatsgevonden bij het bedrijf [bedrijfsnaam 2] op het bloemenveilingterrein te [plaats 1]. De locaties [adres 1] te [plaats 2] en [adres 1] te [plaats 1] betreffen één en dezelfde weg op het grensgebied van beide plaatsen in de gemeente Westland. Op 3 april 2008 is door de directeur/eigenaar van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] aangifte gedaan van diefstal van een partij bloemen op 17 maart 2008. Op de beelden van de bewakingscamera's heeft hij gezien dat de dozen waarin die bloemen verpakt zouden zijn omstreeks 15:00 uur zijn weggenomen door een werknemer tijdelijk in dienst van het bedrijf: [medeveroordeelde 2] uit Litouwen. De bloemen bevonden zich in een box van de transporteur van het bedrijf, gevestigd naast [bedrijfsnaam 2]. [medeveroordeelde 2] reed met een blauwkleurig wagentje met daarachter een stapelwagentje.

Op beelden van de bewakingscamera's van de bloemenveiling is te zien dat omstreeks 13:02 uur een kleine witte vrachtwagen en een donkerkleurige Audi het bloemenveilingterrein oprijden. Omstreeks 13:09 uur parkeert de Audi naast de witte vrachtauto en lopen de bestuurders van de auto's naar de achterzijde van de vrachtauto en knielen daar neer. Na ongeveer een minuut geknield bij de achterzijde van de vrachtauto te hebben gezeten stappen beide personen in de Audi. De Audi rijdt vervolgens weg. Omstreeks 15:16 uur parkeert de Audi weer naast de eerdergenoemde vrachtwagen en de bijrijder van de Audi neemt in de vrachtwagen plaats. Om 15:20 uur rijden beide voertuigen weg en omstreeks 15:22 uur is te zien dat de voertuigen richting het oude gedeelte van de bloemenveiling rijden. Daar komen de voertuigen omstreeks 15:26 uur in beeld. Vervolgens rijden de beide voertuigen omstreeks 15:27 uur de zogenoemde [terrein] van de bloemenveiling op, naar een gedeelte waar geen bewakingscamera's zijn geplaatst. Op de beelden is in de tussentijd omstreeks 15:18 uur voorts een blauwe elektrische wagen te zien met een aanhanger waarin ongeveer twintig witte dozen zijn geplaatst. De wagen met aanhanger volgt de route in de richting van het oude bloemenveilingterrein en rijdt om 15:25:48 uur het cameragebied van de bloemenveiling uit, de zogenoemde [terrein] op. Dit wordt ook wel het Russische gedeelte genoemd. Omstreeks 15:33 uur is te zien dat de witte vrachtauto van de [terrein] afkomt en verlaten de Audi en de witte vrachtwagen het veilingterrein via de achteringang, gelegen te [plaats 3].

Naar aanleiding van het bovenstaande vindt op 1 april 2008 een doorzoeking plaats in een bedrijfspand ([bedrijf 2]) aan [adres 2], welk pand wordt gehuurd door [verdachte]. In een inloopkast op de tweede verdieping wordt 21,25 kilogram wiettoppen aangetroffen, alsmede een langwerpige witte doos. Tevens is een witte vrachtwagen van het merk Mercedes in beslag genomen. In de laadruimte van de vrachtwagen worden zestien langwerpige witte dozen aangetroffen.

[medeveroordeelde 2] heeft verklaard dat hij van [naam 1] (het hof begrijpt: [medeveroordeelde 1]) bloemen weg moest halen bij een bedrijf naast [bedrijfsnaam 2]. Hij heeft volle dozen met daarin, naar hij dacht, rozen vervangen door lege dozen. Hij moest bij een bedrijf een wagentje halen en daarmee de dozen ophalen en wegbrengen naar het bedrijf waar dat wagentje stond. Het was bij de Russische bedrijven op de veiling. [naam 1] en "die Hollander" waren met een witte bestelauto en een donkerblauwe Audi op de bloemenveiling. Hij heeft gezien dat [naam 1] en de Hollander de dozen gingen inladen. Hij zag dat [naam 1] in de witte bestelauto reed en de Hollander reed in de Audi. Tijdens een politieverhoor op 3 september 2008 heeft [medeveroordeelde 2] de medeverdachte [medeveroordeelde 1] op een politiefoto herkend als [naam 1], de persoon waarover hij in zijn verklaring spreekt. Hem is tevens een politiefoto van de verdachte [verdachte] getoond. Over hem heeft [medeveroordeelde 2] verklaard - zakelijk weergegeven - dat dat de man is over wie hij op 2 september 2008 heeft verklaard (het hof begrijpt: de 'Hollander'). Verder heeft [medeveroordeelde 2] tijdens dit verhoor verklaard dat hij ongeveer twintig dozen heeft weggenomen.

[verdachte] heeft op 2 april 2008 bij de politie verklaard dat er in totaal dik 200 kilo wiet moet zijn weggenomen. Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2010 heeft [verdachte] deze verklaring bevestigd en verklaard daarbij te blijven. Bij de rechter-commissaris heeft [verdachte] verklaard dat hij met een Audi A4 achter de bus (het hof begrijpt: de witte vrachtwagen) is aangereden. [medeveroordeelde 2] (het hof begrijpt: [medeveroordeelde 2]) had iemand gevraagd of die een bus had, waarop die persoon naar [verdachte] is gegaan. [verdachte] zei dat hij een bus beschikbaar had. Volgens [verdachte] zijn er twintig dozen ingeladen. Hij had van [medeveroordeelde 2] gehoord dat het hennep zou zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien,

wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 17 maart 2008 tot en met 1 april 2008 te Honselersdijk en te 's-Gravenhage en Voorburg, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad 20 (witte) dozen, inhoudende 200 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op grond van de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven - in de voetnoten aangeduide - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

De voortgezette handeling van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft samen met anderen een hoeveelheid van maar liefst tweehonderd kilo hennep opzettelijk vervoerd en opzettelijk aanwezig gehad. De verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor het feit dat het gebruik van hennep schadelijk is voor de volksgezondheid en veelal aanleiding geeft tot vele vormen van criminaliteit waarmee de benodigde gelden voor het gebruik kunnen worden verkregen.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 december 2010 is de verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder ook eerder voor een drugsdelict. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof voorts in aanmerking genomen de omstandigheid dat de verdachte ter zake van de onderhavige zaak niet in voorarrest heeft gezeten, zodat - nu de zaken in hoger beroep inmiddels zijn gesplitst - de door de verdachte in de gesplitste zaak met rolnummer 22-002457-09 in voorarrest doorgebrachte tijd, anders dan in eerste aanleg toen de zaken nog niet waren gesplitst, niet voor aftrek in aanmerking komt in de onderhavige zaak. Het hof ziet in deze omstandigheid aanleiding aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd en deze bovendien geheel voorwaardelijk op te leggen.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 56 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

8 (acht) maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein, mr. G.J.W. van Oven en mr. A.J.M. Kaptein, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 januari 2011.

1 Tenzij anders vermeld zijn de in de noten genoemde processen-verbaal opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Zie Zakendossier [nummer]) en het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, Regionale Recherche, d.d. [datum], [nummer] en het proces-verbaal stemherkenning van de politie Haaglanden, Regionale Recherche, d.d. [datum], nr. [nummer]).

2 Het dactyloscopisch signalement van [persoon 1] is identiek aan dat van [medeveroordeelde 1], geboren op [geboortedatum] 1981 (zie het rapport Identificatie van een dactyloscopisch signalement van de politie Haaglanden, Directie Recherche en Vreemdelingenpolitie, Bureau Recherche Expertise, Technische Recherche d.d. 4 april 2008, behorend bij proces-verbaal nr. [nummer]). Bij de politie heeft de medeverdachte [medeveroordeelde 1] voorts verklaard beide hiervoor genoemde mobiele telefoonnummers in gebruik te hebben (zie het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Haaglanden, Bureau Regionale Recherche, d.d. 11 april 2008, nr. [nummer]).