Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3638

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
22-002456-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BH9948, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde wederrechtelijk voordeel verkregen door middel van of uit baten van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde feit en uit een ander strafbaar feit, te weten de verkoop van hennep. De totale met de verkoop van de hennep verkregen opbrengst bedraagt € 250.250,-. Op basis van het dossier acht het hof niet gebleken dat ook de medeveroordeelde 1 bij de verkoop van de hennep betrokken is geweest. Het hof gaat er vanuit dat de veroordeelde het voordeel tezamen met alleen zijn medeveroordeelde 2 heeft genoten en zal, nu het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, een pondspondsgewijze verdeling toepassen. Het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat derhalve vast op (€ 250.250 : 2 =) € 125.125,-. Gelet op het bovenstaande zal het hof aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opleggen een bedrag van € 125.125,- aan de Staat te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002456-09 PO

Parketnummer: 09-758554-07

Datum uitspraak: 18 januari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 april 2009 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

[adres].

1. Procesgang

1.1. De strafzaak

De veroordeelde is bij arrest van dit gerechtshof van 18 januari 2011 - kort gezegd en voor zover hier van belang - veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van 20 dozen met daarin totaal 200 kilogram hennep.

1.2 Vordering openbaar ministerie in eerste aanleg

De ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 maart 2009 ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt

gelet op de verdere onderbouwing in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 166.833,33, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit een soortgelijk feit als het in zijn strafzaak bewezenverklaarde feit, te weten de verkoop van de hennep, waaromtrent - naar het oordeel van het openbaar ministerie - voldoende aanwijzingen bestaan dat dat feit door de veroordeelde is begaan.

1.3 Vonnis

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 3 april 2009 de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.

De officier van justitie heeft op 9 april 2009 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

1.4 Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 19 januari 2010, 27 april 2010, 16 juni 2010, 14 oktober 2010 en 4 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

1.5 Vordering in hoger beroep

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 166.833,33 en dat aan de veroordeelde ter ontneming van dat voordeel de verplichting wordt opgelegd het genoemde bedrag aan de Staat te betalen. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft de advocaat-generaal aangevoerd wat in zijn schriftelijke requisitoiraantekeningen is vervat, die aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van

4 januari 2011 zijn gehecht.

2. Standpunt van de verdediging in hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 januari 2011 heeft de raadsman van de veroordeelde - zakelijk weergegeven - afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit, conform het vonnis van de rechtbank. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggende redenering en berekening van het Openbaar Ministerie niet worden gedragen door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. De raadsman heeft in dat verband verwezen naar de zich in het dossier bevindende tapgesprekken, waaruit blijkt dat de hennep niet te verkopen was omdat de hennep nat was, aldus de raadsman, alsmede op de eigen verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2010, onder meer inhoudende dat de tapgesprekken geen betrekking hadden op (de verkoop van) hennep, maar ook over autohandel zouden kunnen gaan. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte geen voordeel heeft behaald met het in de strafzaak bewezenverklaarde vervoeren en aanwezig hebben van hennep, daar hij de hennep aan de medeverdachte [medeveroordeelde 1] heeft moeten afgeven en geen vergoeding heeft ontvangen.

3. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

4. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Uitgangspunt van de ontnemingsvordering is bovengenoemde veroordeling in de strafzaak ter zake van medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van 20 dozen met daarin totaal 200 kilogram hennep. Nog daargelaten dat uit dit feit in beginsel een vermogensaanwas voortvloeit welke wederrechtelijk is verkregen en in zoverre als rechtstreeks verkregen wederrechtelijk voordeel kan worden aangemerkt, moet in casu naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat het bewezenverklaarde plaatsvond met het oog op de verkoop van de hennep en derhalve ertoe strekte en ook geëigend was in die zin voordeel te genereren. Dit laatste leidt het hof af uit de hoeveelheid hennep die de veroordeelde samen met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad - het is immers een feit van algemene bekendheid dat een grote hoeveelheid hennep zoals in dit geval aangetroffen bestemd is voor de verkoop -, alsmede uit de eigen verklaring van de veroordeelde bij de politie op 2 april 2008 waaruit kan worden afgeleid dat hij heeft getracht de hennep te verkopen: "(...) het is niet te verkopen, meer gruis dan eh...". Op de kwaliteit van de hennep en de consequenties voor de verkoop daarvan komt het hof hieronder terug. Voorts bevinden zich in het dossier verschillende, hieronder nader weer te geven tapgesprekken waaruit redelijkerwijs wordt opgemaakt dat de verdachte betrokken was bij de verkoop van de hennep.

4.1 Opbrengsten

Hoeveel hennep er precies is verkocht wordt niet duidelijk. Op basis van een tapgesprek van 21 maart 2008 te 20:00 uur waarbij de veroordeelde naar [persoon 1] belt (nummerkeuze [telefoonnummer 1], het hof begrijpt: de medeveroordeelde [medeveroordeelde 2]1), lijkt het erop dat de hennep in gedeeltes en op verschillende dagen is verkocht. Dit gesprek houdt onder meer het volgende in - zakelijk weergegeven -:

[medeveroordeelde 1]: "Wie willen kopen?"

[verdachte]:

"Is geregeld, klaar."()

(...)

"Die mensen komen morgenochtend bij mij."

(...)

"74 plus 16"

[medeveroordeelde 2]: "Ik bedoel voor die jongens."

[verdachte]: "Die geweest al."

[medeveroordeelde 2]: "Wat dan?"

[verdachte]:

"Hij helft meenemen, morgen andere helft."

(...)

"Ik totaal gemaakt prijs."

(...)

"Totaal morgen krijgen 110."

Bij de doorzoeking op 1 april 2008 in het bedrijfspand ([bedrijf]) aan [adres] te [plaats] dat door de veroordeelde wordt gehuurd, is in een inloopkast op de tweede verdieping 21,25 kilogram wiettoppen aangetroffen. Het hof acht het op basis hiervan aannemelijk dat er - in eerste instantie - (200 kilogram - 21,25 kilogram) 178,75 kilogram hennep is verkocht.

Volgens informatie van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise kan de verkoopprijs van één kilogram hennep in de periode maart-april 2007 (het hof begrijpt: 2008) op een bedrag van € 3.289,- worden gesteld. In het voordeel van de veroordeelde gaat het hof evenwel uit van een lagere verkoopprijs per kilogram hennep, op basis van een tapgesprek van 21 maart 2008 te 20:08 uur waarbij de veroordeelde naar [persoon 1] belt (nummerkeuze [telefoonnummer 1], het hof begrijpt: de medeveroordeelde [medeveroordeelde 2]). Dit gesprek houdt onder meer het volgende in - zakelijk weergegeven -:

[verdachte]: "Hij wil kopen of niet?"

[medeveroordeelde 2]: "Hoeveel heeft er?"

[verdachte]: "Voor hem 28. Als hij wil kopen, dan ik bellen jongen op en is gelijk betalen morgen, snap je?"

Waar elders in dit gesprek wordt gesproken over de verkoop van een witte auto dan wel witte auto's, gaat het hof er van uit dat dit versluierd taalgebruik is voor de verkoop van de hennep. In de strafzaak is immers komen vast te staan dat de hennep met een witte vrachtwagen is vervoerd. Dat het in het gesprek niet daadwerkelijk over de verkoop van een auto gaat blijkt ook uit de vraag van [medeveroordeelde 2] aan de veroordeelde in het gesprek: "Jij wilt helft nu verkopen?".

Het hof gaat op basis van dit gesprek uit van een verkoopprijs van € 2.800,- per kilogram hennep.

Subtotaal opbrengst: (178,75 kilogram x € 2.800,- =) € 500.500,-

Zoals ook door de rechtbank is overwogen, biedt het dossier evenwel aanknopingspunten voor de conclusie dat een deel van de hennep is teruggekomen, kennelijk vanwege de slechte kwaliteit daarvan. Dat leidt het hof af uit een tapgesprek d.d. 22 maart 2008 te 13:31 uur, tussen de veroordeelde en ene [persoon 2]. Dit gesprek houdt onder meer het volgende in - zakelijk weergegeven -:

[persoon 2]: "Ik ben onderweg naar jou, maar het is niet zo als we dachten dat het was."

[verdachte]: "Hoezo dan?"

[persoon 2]: "Het is de helft."

[verdachte]: "En de rest weer terug?"

[persoon 2]: "Ja."

[verdachte]: "Gvd."

[persoon 2]: "Ja en hij kon het echt niet. Ik heb het gezien en ik kon er niks op zeggen ook, het was echt dramatisch."

[verdachte]: "Welke heeft hij dan, die goeie?"

[persoon 2]: "Hij heb de helft goed en de helft niet goed. Het is fifty fifty."

Op basis van dit gesprek gaat het hof er van uit dat de helft van de verkochte hoeveelheid hennep gelet op de slechte kwaliteit onverkoopbaar was. Het hof ziet hierin aanleiding de hierboven berekende opbrengst door twee te delen.

Bruto-opbrengst: (€ 500.000 : 2 =) € 250.250,-

4.2 Kosten

In de strafzaak is komen vast te staan dat de 200 kilogram hennep was gestolen. Derhalve hoeft bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening te worden gehouden met in mindering te brengen kosten.

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde, gelet op het voorgaande, tot het hierna vermelde bedrag wederrechtelijk voordeel verkregen door middel van of uit baten van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde feit en uit een ander strafbaar feit, te weten de verkoop van hennep.

De totale met de verkoop van de hennep verkregen opbrengst bedraagt € 250.250,-. Op basis van het dossier acht het hof niet gebleken dat ook de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] bij de verkoop van de hennep betrokken is geweest. Het hof gaat er vanuit dat de veroordeelde het voordeel tezamen met alleen zijn medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] heeft genoten en zal, nu het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, een pondspondsgewijze verdeling toepassen. Het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat derhalve vast op (€ 250.250 : 2 =) € 125.125,-.

5. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die hierboven zijn vermeld en ontleent daaraan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

6. Vaststelling van de betalingsverplichting

Gelet op het bovenstaande zal het hof aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opleggen een bedrag van € 125.125,- aan de Staat te betalen.

7. Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 125.125,- (honderdvijfentwintigduizend honderdvijfentwintig euro).

Legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 125.125,00 (honderdvijfentwintigduizend honderdvijfentwintig euro).

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein, mr. G.J.W. van Oven en mr. A.J.M. Kaptein, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 januari 2011.

1 Uit onderzoek is gebleken dat de mobiele telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] in gebruik zijn bij één persoon die in de gesprekken afwisselend [persoon 1] en [persoon 3] wordt genoemd. Het nummer [telefoonnummer 2] is afgegeven aan [persoon 4] (zie Zakendossier en het proces-verbaal stemherkenning van de politie Haaglanden, Regionale Recherche, d.d. [datum], nr. {nummer]). Het dactyloscopisch signalement van [persoon 4] is identiek aan dat van [medeveroordeelde 2], geboren op [geboortedatum] 1981(zie het rapport Identificatie van een dactyloscopisch signalement van de politie Haaglanden, Directie Recherche en Vreemdelingenpolitie, Bureau Recherche Expertise, Technische Recherche d.d. [datum], behorend bij proces-verbaal nr. [nummer]). Bij de politie heeft [medeveroordeelde 2] voorts verklaard beide hiervoor genoemde mobiele telefoonnummers in gebruik te hebben (zie het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Haaglanden, Bureau Regionale Recherche, d.d. [datum], nr. [nummer]).